Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ7012

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
15/751613-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het zich verschaffen, vervoeren en/of in voorraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, meermalen gepleegd. Op grond van is artikel 4, aanhef en sub 3e van het Wetboek van Strafrecht de Nederlandse strafwet van toepassing op in Oman gepleegde feiten.Vrijspraak ter zake van de tenlastegelegde criminele organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is het samenwerkingsverband daarmee onvoldoende gestructureerd en onvoldoende duurzaam om van een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken. Voorts ontbrak het aan een gemeenschappelijke doelstelling en aan zodanige gemeenschappelijke regels dat op deelnemende personen druk uitgeoefend kon worden om zich aan de in de organisatie levende normen en uitgangspunten te onderwerpen. Niet vast is komen staan dat de verdachten jegens elkaar verplichtingen hadden die in het kader van een organisatie afdwingbaar waren. Ook bestonden in het samenwerkingsverband geen sleutelfiguren waaraan men rekening en verantwoording moest afleggen. De rechtbank miskent niet dat sprake was van een zekere bestendigheid in het samenwerkingsverband en dat er onderlinge afspraken golden over de wijze van communiceren over de telefoon, doch zij acht dit op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/751613-05

Uitspraakdatum: 3 februari 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Almere Binnen.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is de tenlastelegging ter terechtzitting aangepast. Aldus wordt aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

a. 03 februari 2005 tot en met 01 maart 2005 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer

b. 15 april 2005 tot en met 05 mei 2005 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, althans in Oman

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

a) een onbekende hoeveelheid bankbiljetten en/of

b) een hoeveelheid (van 99 en/of 97) bankbiljet(ten) (van 50 euro),

waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij en/of zijn mededaders dat/die ontving(en), bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich heeft/hebben verschaft en/of heeft/hebben vervoerd en/of in voorraad heeft/hebben gehad;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 20 april 2005 tot en met 05 mei 2005 te Amsterdam en/of te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit als bedoeld in artikel 209 Wetboek van Strafrecht, te weten het ontvangen en/of zich verschaffen en/of in voorraad hebben en/of vervoeren van een of meer valse en/of vervalste bankbiljetten, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) uitgeven, waarvan de valsheid hem toen hij deze ontving bekend was, voor te bereiden (telkens)

- een voorwerp, namelijk een apparaat dat ultra-violet licht uitstraalt, voorhanden heeft gehad en/of

- (telefonische en/of persoonlijke) contacten heeft gezocht en/of onderhouden en/of afspraken heeft gemaakt met zijn mededaders en/of leveranciers betreffende de kwaliteit en/of de coupures en/of de prijs en/of de levering van vals geld en/of

- een of meer hand- of spandiensten heeft verricht;

2.

hij in of omstreeks 03 februari 2005 tot en met 05 mei 2005 te Amsterdam en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland en/of Oman heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door verdachte en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk handel in vals geld (artikel 209 Wetboek van Strafrecht) welke deelneming (onder meer) heeft bestaan uit het (al dan niet samen met een of meer andere deelnemers van die organisatie):

- (mede) plegen van genoemde misdrijf/misdrijven en/of

- hebben/onderhouden van (al dan niet versluierde) telefonische en/of persoonlijke contacten met een of meer andere deelnemers van de organisatie en/of

- maken van (al dan niet versluierde) afspraken met een of meer andere deelnemers van de organisatie, gericht op het elkaar ontmoeten en/of spreken over (de voorbereiding en/of uitvoering van) dat/die misdrijf/misdrijven en/of

- krijgen en/of verschaffen van inlichtingen en/of het geven en/of ontvangen van aanwijzingen en/of opdrachten met betrekking tot (de voorbereiding en/of de uitvoering van) dat/die misdrijf/misdrijven en/of

- ophalen en/of in ontvangst nemen en/of vervoeren en/of overdragen van een of meer documenten en/of stukken en/of bescheiden en/of geldbedragen i.v.m. (de voorbereiding en/of uitvoering van) dat/die misdrijf/misdrijven en/of

- het verrichten van hand- en spandiensten;

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid dagvaarding

De rechtbank stelt vast dat de term “een of meer hand- of spandiensten heeft verricht” die voorkomt in de tenlastelegging van feit 1 (tweede deel) niet een nadere omschrijving heeft gekregen. Het is daarom niet duidelijk op welke gedraging(en) van de verdachte met deze term wordt gedoeld. De rechtbank is van oordeel dat deze zinsnede op zichzelf genomen onvoldoende feitelijk is en de dagvaarding voor dat gedeelte derhalve niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Zij zal de dagvaarding ten aanzien van dit gedeelte nietig verklaren.

2.2. Bevoegdheid van de rechtbank

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de rechtbank partieel niet bevoegd is tot kennisneming van de zaak omdat er geen rechtsmacht zou bestaan ten aanzien van feiten die in Oman gepleegd zouden zijn. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman als te zijn gericht tegen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aangaande de gewraakte passage. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4, aanhef en sub 3e van het Wetboek van Strafrecht de Nederlandse strafwet in casu toepasselijk is. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

2.3. Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Algemeen

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van de twee onder 1. tenlastegelegde feiten, heeft de rechtbank de tenlastelegging opgevat als een cumulatieve.

3.2. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Uit de stukken van het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting is bewijs te putten dat sprake was van een criminele organisatie, waaraan verdachte heeft deelgenomen. Verdachte en zijn medeverdachten dienen veeleer gezien te worden als een groep personen die goeddeels voor eigen rekening en risico en in verschillende samenstellingen "zaken deden" zonder exclusief op elkaar aangewezen te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderhavige samenwerkingsverband daarmee onvoldoende gestructureerd en onvoldoende duurzaam om van een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken. Voorts ontbrak het aan een gemeenschappelijke doelstelling en aan zodanige gemeenschappelijke regels dat op deelnemende personen druk uitgeoefend kon worden om zich aan de in de organisatie levende normen en uitgangspunten te onderwerpen. Niet vast is komen staan dat de verdachten jegens elkaar verplichtingen hadden die in het kader van een organisatie afdwingbaar waren. Ook bestonden in het samenwerkingsverband geen sleutelfiguren waaraan men rekening en verantwoording moest afleggen. De rechtbank miskent niet dat sprake was van een zekere bestendigheid in het samenwerkingsverband en dat er onderlinge afspraken golden over de wijze van communiceren over de telefoon, doch zij acht dit op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van een criminele organisatie.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van

a) 3 februari 2005 tot en met 1 maart 2005

b) 15 april 2005 tot en met 5 mei 2005 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland

telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

a) een onbekende hoeveelheid bankbiljetten en

b) een hoeveelheid van 99 bankbiljetten van 50 euro,

waarvan de valsheid verdachte, toen hij en zijn mededaders die ontvingen, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich hebben verschaft en/of hebben vervoerd en/of in voorraad hebben gehad;

en

hij op tijdstippen in de periode van 20 april 2005 tot en met 05 mei 2005 te Amsterdam en te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in artikel 209 Wetboek van Strafrecht, te weten het ontvangen en/of zich verschaffen en/of in voorraad hebben en/of vervoeren van een of meer valse en/of vervalste bankbiljetten, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te doen uitgeven, voor te bereiden

- een voorwerp, namelijk een apparaat dat ultra-violet licht uitstraalt, voorhanden heeft gehad en

- telefonische en/of persoonlijke contacten heeft gezocht en/of onderhouden en/of afspraken heeft gemaakt met zijn mededaders en/of leveranciers betreffende de kwaliteit en/of de coupures en/of de prijs en/of de levering van vals geld;

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder feit 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

4.1. Ontslag van alle rechtsvervolging

De rechtbank overweegt omtrent het onder feit 1 bewezenverklaarde voorzover dit betrekking heeft op de voorbereidingshandelingen ten aanzien van gedragingen met betrekking tot vals geld het volgende.

De rechtbank heeft de dagvaarding voor het onderdeel betrekking hebbende op het verrichten van hand- of spandiensten nietig verklaard. Met betrekking tot de feitelijke omschrijving van de voorbereidingshandelingen resteert het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een apparaat dat ultra-violet licht uitstraalt alsmede het onderhouden van telefonische en/of persoonlijke contacten met zijn mededaders. Van strafbare voorbereidingshandelingen is echter pas sprake indien een verdachte kan worden verweten dat hij opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen die kennelijk bestemd zijn tot het begaan van een misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd of voorhanden gehad. Het enkele voorhanden hebben van het bedoelde apparaat en het onderhouden van persoonlijke contacten met mededaders over vals geld is niet te brengen onder de strafbaarstelling van het in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht omschreven voorbereidingsdelict. Verdachte dient ten aanzien van het tweede onderdeel van het bewezenverklaarde onder 1 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.2. Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

medeplegen van het zich verschaffen, vervoeren en/of in voorraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van overige beslissingen

6.1 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte voor de tenlastegelegde feiten, die zij beide bewezen acht, een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 36 maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft zij oplegging van een geldboete van € 5.000,- met de bijbehorende vervangende hechtenis gevorderd. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd dat het geld verbeurd zal worden verklaard en dat het paspoort dat op naam van verdachte staat, door de vreemdelingendienst ten behoeve van verdachte zal worden bewaard.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de handel in vals geld. Dit misdrijf brengt het algemeen vertrouwen in papiergeld en het monetaire verkeer grote schade toe en dupeert de latere onwetende bonafide ontvanger in ernstige mate. Het handelsverkeer als geheel ondervindt hinder en schade door het in omloop brengen van valse eurobiljetten

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd gelet op het feit dat de rechtbank minder bewezen heeft geacht dan vervat in bedoelde vordering en zij voorts van oordeel is dat de door haar opgelegde straf meer recht doet aan de ernst van de feiten. Zij ziet ook geen aanleiding naast de vrijheidsstraf en de verbeurdverklaring van het bij verdachte aangetroffen geld nog een geldboete op te leggen.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat geld, dat aan verdachte toebehoorde, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht art. 33, 33a, 47, 57 en 209

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onderdeel “een of meer hand- of spandiensten heeft verricht” zoals onder 1, tweede deel tenlastegelegd.

Spreekt verdachte vrij van het onder 2. tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het tweede gedeelte van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit (onderdeel 1 van feit 1) het hierboven onder 4.2 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig (21) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

Geld Nederlands, 1 x 500, 18 x 100, 104 x 50 = 7500 euro

Geld Nederlands, 6 biljetten van 50 euro

Geld Nederlands, 1 biljet van 10 euro

Gelast de bewaring (door de Vreemdelingendienst) ten behoeve van verdachte van:

1.00 STK Paspoort, OMAN, onv Al Ghassani. KVI code L.01

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Kronenberg en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Den Haan en Antonos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2006.