Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ6319

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
05/4920 t/m 05/4926
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Antidumpingheffing bij invoer van glyfosaat. Verzoek ex 239 CDW wordt afgewezen. Beroep op beschikking van Commissie kan niet slagen; zowel feitelijk als juridisch onvergelijkbaar. De zaak behoefde volgens de rechtbank niet eerst te worden voorgelegd aan de Commissie. Er is voorts geen sprake van een bijzondere situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Procedurenummer: AWB 05/4920 tot en met 05/4926

Uitspraakdatum: 4 december 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de Minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan eiseres zijn de volgende uitnodigingen tot betaling (UTB's) uitgereikt:

dagtekening: kenmerk: antidumpingheffing:

13 februari 2002 (...) € 273.232,14

13 februari 2002 (...) € 408.122,41

2 mei 2002 (...) € 116.231,80

2 mei 2002 (...) € 17.152,57

2 mei 2002 (...) € 117.778,60

2 mei 2002 (...) € 560.593,36

2 juli 2002 (...) € 203.192,29

Totaal: € 1.696.303,17

1.2. Met betrekking tot de UTB's heeft eiseres verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding krachtens artikel 239, Communautair Douanewetboek (CDW), ingediend. Bij beschikkingen van 9 september 2004 zijn deze verzoeken afgewezen. Het tegen de beschikkingen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar van 6 september 2005 ongegrond verklaard.

1.3. Eiseres heeft tegen de onder 1.2 genoemde uitspraken bij brief van 23 september 2005, ingediend door A, beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers 05/4920 tot en met 05/4926.

1.4. Verweerder heeft voor elk ingediend beroep een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft een conclusie van repliek ingediend, waarna verweerder heeft gedupliceerd.

1.6. Bij brief van 11 augustus 2006 heeft eiseres nadere stukken ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8. Ter zitting zijn de hierboven genoemde beroepen gezamenlijk behandeld met de beroepen van eiseres die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de nummers 05/4908 tot en met 05/4914 en 06/4142 tot en met 06/4148.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft in haar hoedanigheid van douane-expediteur in de periode 13 november 1997 tot en met 19 juli 2001 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van het product glyfosaat, waarbij als land van oorsprong Taiwan is aangegeven. De importeur van de goederen is B SA te Q - Portugal - (hierna: B SA). Eiseres deed de aangiften in opdracht van een in Portugal gevestigde met haar verbonden onderneming, die op haar beurt in opdracht van B SA handelde. De onder 1.1 vermelde UTB's hebben betrekking op 52 aangiften ten invoer die zijn gedaan van 19 februari 1999 tot en met 19 juli 2001. B SA heeft ten behoeve van de aangiften certificaten van oorsprong verstrekt die zijn afgegeven door de Taiwanese Kamers van Koophandel en bij de aangiften zijn gevoegd.

2.2. Het glyfosaat werd volgens facturen die bij voormelde aangiften waren gevoegd betrokken van de volgende vijf bedrijven: C Corp., D Co. Ltd., E Co. Ltd., F Co. Ltd. en G Corp., welke bedrijven alle gevestigd zijn in R (Taiwan). Voormelde bedrijven produceren zelf geen glysofaat; het enige in Taiwan gevestigde bedrijf dat glyfosaat produceerde is H te S.

2.3. Alle in de UTB's betrokken goederen zijn van oorsprong uit de Volksrepubliek China en zijn ingedeeld onder post 2931 00 95 van het gemeenschappelijk douanetarief.

2.4. I B.V. heeft op 16 en 17 juli 1997 in opdracht van B SA aangiften ten invoer gedaan van glyfosaat uit China. Bij deze aangiften is als aangever vermeld: "I BV H/O (...) forwarding X1 (Nederland)".

2.5. Op 4 september 1997 is bij Verordening (EG) nr. 1731/97 van de Commissie een voorlopig antidumpingrecht ingesteld voor glyfosaat van oorsprong uit China. Vervolgens is op 16 februari 1998 bij verordening van de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld voor glyfosaat ingedeeld onder de GN-codes 2931 00 95 en 3808 30 27 uit China (Vo. 368/98). Vanaf 26 mei 2000 is het antidumpingrecht verhoogd (Vo. 1068/00).

2.6. Op 23 oktober 1997 en op 7 november 1997 zijn door I B.V. in totaal drie aangiften ten invoer gedaan in opdracht van B SA van glyfosaat uit Singapore.

2.7. Op 14 december 1999 heeft de Europese Commissie een verzoek tot samenwerking (een zogenoemde AM-melding met referentie AM 99/053) aan onder meer de Nederlandse en de Portugese douaneautoriteiten gezonden, waarin - voor zover van belang - is opgenomen:

"6.3. SUSPECTED FRAUD MECHANISM :

case a- Belgium

Goods under 3808 3027 10 (glyphosate 360 G/L), declared on import in 1998 and 1999, of Taiwan origin, with certificate of origin Taiwan;

Belgian customs could establish, for several operations, that goods were delivered, in fact, in the same containers dispatched from Shanghai - China to Kaohsiung - Taiwan (...) and forwarded from Kaohsiung - Taiwan to Antwerp - Belgium (...)

(...)

7. COMPANIES INVOLVED

(...)

7.2. WITHIN THE EC :

IMPORTERS / CONSIGNEES: declared:

(...)

- B SA, Portugal

(...)"

13. ACTION UNDERTAKEN / ENVISAGED / PROPOSED :

13.1. BY THE MEMEBER STATE :

OLAF asks the Member states to pay attention to litigious product imports, and to look for possible false description of goods and origin, by physical control of import checks and by controls in the companies concerned.

OLAF asks the Member States to submit copies of the commercial documents, transport documents and certificates of origin referring to the imports of declared glyphosate of Malaysia, Singapore, Thailand and Taiwan origin (1998-1999)

(...)

2.8. Op 8 mei 2001 heeft de Europese Commissie bij Verordening (EG) nr. 909/2001 besloten tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontduiking van de vastgestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van glyfosaat uit China door verzending van dit glyfosaat vanuit Maleisië of Taiwan.

2.9. Op 30 juli 2001 is door verweerder een controle na invoer gestart bij eiseres. Bij deze controle is onder meer vastgesteld dat zich bij een drietal aangiften facturen en paklijsten bevonden die zijn opgemaakt door Chinese firma's. Deze aangiften zijn op 22 augustus 2000 gedaan. Tevens werden met betrekking tot een drietal andere aangiften facturen aangetroffen voor extra vrachtkosten. Op deze facturen is vermeld dat de containers zijn vertrokken uit Shanghai (China). De betreffende aangiften zijn op respectievelijk 8 mei, 26 juni en 24 augustus 2000 gedaan. Voor twee van bedoelde aangiften geldt dat de vrachtkostenfacturen van een latere datum zijn dan de dag van aangifte. Twee facturen, behorende bij de aangifte van 8 mei 2000, hebben als dagtekening 14 februari 2000 en 4 mei 2000.

Na onderzoek van de containerhistorie is bevonden dat in de meeste gevallen de containers zijn geladen in China en via Taiwan naar Rotterdam zijn verscheept.

2.10. Het OLAF (Office Européen de Lutte Anti-Fraude) heeft EU-missies gezonden naar Portugal en Taiwan.

In het missierapport van OLAF van 2 juni 2003 (CMS nr. IU/1998/8128) betreffende het bezoek aan Taiwan is onder meer het volgende opgenomen:

"A - Taiwan Chamber of Commerce

(...)

To obtain a certificate of origin to September 2001, it was sufficient to provide a bill of lading, for example from Kaohsiung/Netherlands, commercial documents, an application form, and a declaration as to the accuracy of the information contained in the application. Other than the information provided by the applicant, the Chamber of Commerce had no independent means of confirming the origin of the products or the accuracy of the information.

(...)

C - D:

The Community mission met the Manager of this company, Mr. J, in order that he could explain the role of D in 'triangle trade'.

Mr. J states that he trades with the Chinese company K Company of T (...) The K Company asked him to deal with the supply of the commercial documents in the name of the D company, for obtaining the bill of lading between Taiwan and the Netherlands, as well as the certificate of Taiwanese origin

Mr. J provided us with certain documents proving the origin in mainland China of the Glyphosate in support of his statements (...)

Moreover, the D Company never had actual commercial links with the B SA company in Portugal, although the name was listed on the documents that the (PRC) company provided."

[Rb: voetnoot 3 op pagina 13] By 'triangle trade' the commercial enterprises mean the shipment of (principally) mainland origin products through the port of Kaohsiung, transhipment in order to disguise the true origin or the real supplier of the products.”

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding had moeten toekennen op grond van de machtiging, zoals neergelegd in de beschikking van de Europese Commissie van 23 juli 2001, COM (2001) 2302 def. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend is, is voorts in geschil of verweerder de verzoeken had moeten voorleggen aan de Europese Commissie en zo nee of de verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding terecht zijn afgewezen.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiseres stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat zowel de Nederlandse douaneautoriteiten als de Europese Commissie al vóór 14 december 1999, toen de AM-melding verscheen, op de hoogte waren van de fraude met glyfosaat en de betrokkenheid van B SA. Als eerder was ingegrepen of gewaarschuwd had zij daarop kunnen inspelen. Daarnaast is eiseres als douane-expediteur verplicht voor eigen rekening en risico te handelen. Van de zijde van eiseres is geen sprake van klaarblijkelijke nalatigheid.

Verweerder was niet beslissingsbevoegd om de verzoeken af te wijzen. Onder verwijzing naar artikel 905, Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (UCDW), betoogt eiseres dat de zaak had moeten worden voorgelegd aan de Commissie. Zij is van mening dat verweerder slechts behoort te onderzoeken of de verzoeken zijn voorzien van bewijsstukken waarmee een bijzondere situatie 'kan' worden aangetoond; verweerder mag derhalve niet zelfstandig beslissen dat geen sprake is van een bijzondere situatie.

Verweerder had tevens op grond van de door de Commissie gegeven beschikking van 23 juli 2001 moeten over gaan tot terugbetaling of kwijtschelding aangezien sprake is van een vergelijkbaar geval.

4.2. De inspecteur is van mening dat de verzoeken krachtens artikel 239, CDW, terecht zijn afgewezen omdat geen sprake is van een bijzondere situatie. Hij betwist dat de Nederlandse douaneautoriteiten reeds in 1999 op de hoogte waren van de fraude; er was slechts sprake van een vermoeden.

Bovendien is eiseres klaarblijkelijk nalatig geweest. Verweerder voert daartoe aan dat eiseres vóór september 1997 aangiften voor dezelfde importeur heeft gedaan van glyfosaat uit China. Daarnaast bevonden zich bij een aantal aangiften facturen en/of paklijsten waaruit is op te maken dat de goederen uit China afkomstig zijn. Voorts heeft eiseres bij haar aangiften certificaten van oorsprong verstrekt, hetgeen opmerkelijk is, omdat in de douanewetgeving voor een aangifte als de onderhavige niet is bepaald dat deze bescheiden dienen te worden overgelegd.

4.3. Voor een meer volledige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Verweerders klacht dat hij in zijn verdediging is geschaad, omdat eiseres eerst bij de conclusie van repliek haar beroep heeft gemotiveerd, mist feitelijke grondslag. In het beroepschrift heeft eiseres de gronden van het beroep - zij het beperkt - reeds weergegeven. Bovendien heeft verweerder, zoals hij zelf heeft aangegeven, voldoende gelegenheid gehad zich te verweren.

5.2. De opvatting van eiseres dat verweerder de verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding had moeten toekennen op grond van de beschikking van de Europese Commissie van 23 juli 2001, COM (2001) 2302 def. is onjuist. De zaak waarop deze beschikking betrekking heeft is zowel feitelijk als rechtens niet vergelijkbaar met de onderhavige kwestie. Het betrof in die zaak immers het (ten onrechte) afgeven van certificaten van oorsprong door de autoriteiten van Bangladesh en anders dan in het onderhavige geval ging het daar om het vaststellen van de preferentiële oorsprong, waarbij het tonen van een certificaat van oorsprong door de douanewetgeving is voorgeschreven.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat het voorleggen van een dossier aan de Commissie als bedoeld in artikel 905, lid 1, derde streepje, UCDW, niet verplicht is voorgeschreven indien verweerder zelf tot de conclusie komt dat voor het bestaan van een bijzondere situatie onvoldoende bewijs is geleverd. De rechtsbescherming van degene die het verzoek heeft gedaan en het belang van de Gemeenschap bij de eenvormige toepassing van de douanewetgeving is daarmee voldoende gewaarborgd, nu de belanghebbende de kwestie

- gelijk eiseres heeft gedaan - kan voorleggen aan de nationale rechter.

5.4.1. Artikel 239, CDW, voorziet in de mogelijkheid om voldane invoerrechten terug te betalen of om een douaneschuld kwijt te schelden. Blijkens de tekst van artikel 905, UCDW, is terugbetaling of kwijtschelding afhankelijk van twee voorwaarden, te weten het bestaan van een bijzondere situatie en de afwezigheid van frauduleuze handelingen of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende.

Volgens vaste rechtspraak is sprake van een bijzondere situatie indien de belanghebbende zich in een uitzonderlijke positie bevindt ten opzichte van de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten (arrest HvJ EG van 25 februari 1999, Trans-Ex-Import, C-86/97, r.o. 22).

5.4.2. De rechtbank stelt voorop dat de mogelijkheid dat een douane-expediteur te maken krijgt met fraude en daarvan nadeel ondervindt in principe behoort tot het normale bedrijfsrisico van een beroepsaangever. In zoverre is nog geen sprake van een bijzondere situatie. Eiseres stelt dat zij, in de jaren waarvoor aangifte is gedaan, optrad als indirect vertegenwoordiger om gebruik te kunnen maken van de regeling waarbij uitstel van betaling wordt verleend onder doorlopende zekerheidstelling van de douaneschuld. Nu in deze jaren de mogelijkheid ontbrak om als direct vertegenwoordiger op te treden met gebruikmaking van deze uitstelregeling is zij, zo stelt eiseres, in een nadeliger positie gebracht dan de directe vertegenwoordigers en douane-expediteurs in andere lidstaten, waaronder Duitsland, die wel als direct vertegenwoordiger kunnen optreden met gebruikmaking van de uitstelregeling met doorlopende zekerheidstelling. Deze omstandigheid heeft echter geen betrekking op de specifieke positie van eiseres, nu voor elke douane-expediteur in Nederland, die wenste op te treden als indirect vertegenwoordiger, dezelfde eisen werden gesteld om gebruik te maken van de uitstelregeling. Daarom kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een uitzonderlijke situatie ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten. Dat in andere landen de douane expediteur wel voor rekening van de vertegenwoordigde kon worden opgetreden met gebruikmaking van een uitstelregeling, doet daar niet aan af.

5.4.3. In september 1999 is een voorlopig antidumpingrecht voor glyfosaat uit China ingesteld en op 4 december 1999 verscheen de melding van de Commissie aan de lidstaten waarbij een vermoeden van fraude met glyfosaat is uitgesproken en een verzoek tot samenwerking is gedaan. Op 8 mei 2001 heeft de Commissie besloten tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontduiking van de vastgestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van glyfosaat uit China door verzending van dit glyfosaat vanuit Maleisië of Taiwan. De controle door verweerder heeft in juli 2001 plaatsgevonden en op 19 juli 2001 heeft eiseres de laatste in de UTB's betrokken aangifte gedaan.

Anders dan eiseres heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat de tijd, die verstreken is sinds het verschijnen van de AM-melding tot het moment waarop de douaneautoriteiten en/of de Europese Commissie actie hebben ondernomen, die heeft geleid tot de onderhavige UTB's, niet zodanig ongebruikelijk lang is, dat zulks het bestaan van een bijzondere situatie oplevert. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op 4 december 1999 een vermoeden van fraude ten aanzien van de importeur bestond, maar daarmee de link naar eiseres nog niet was gelegd. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat kan worden gezegd dat eiseres zich in een uitzonderlijke positie bevond ten opzichte van de andere marktdeelnemers.

5.4.4. Aan het vorenoverwogene doet het beroep van eiseres op het arrest van het HvJ EG van 7 september 1999, C-61/98 (De Haan Beheer BV) niet af. In die zaak ging het om de bijzondere situatie dat de douaneautoriteiten weloverwogen toelieten dat overtredingen werden begaan, teneinde een netwerk van fraudeurs beter te kunnen oprollen, terwijl de aangever daarvan niet op de hoogte was. (r.o. 53 van het arrest). Niet aannemelijk is geworden dat die situatie zich in de onderhavige zaak ook heeft voorgedaan.

5.5. Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of sprake is geweest van klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van eiseres. De beroepen zijn niet gegrond.

6. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Roke, mr. G.W.S. de Groot en mr. A.P.M. van Rijn in tegenwoordigheid van mr. O. Nijhuis, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.