Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ6317

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
05/3316
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De overdracht van (mini)containers en inzamelwagen kan niet worden beschouwd als de overdracht van een algemeenheid van goederen zoals bedoeld in artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting, aangezien de bijbehorende rechten zoals fabrieksgaranties en aanspraken uit hoofde van onderhoudscontracten reeds bij de gemeente lagen en mitsdien geen deel uitmaakten van de latere overdracht. Voorts is een boete van 50% opgelegd vanwege het niet betalen van de belasting over de overdracht van de goederen. Nu het standpunt van eiseres weliswaar onjuist, maar wel pleitbaar was, heeft verweerder in zoverre dan ook ten onrechte een boete opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 265

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/3316

Uitspraakdatum: 4 april 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X,

gevestigd en kantoorhoudende te Z, eiseres,

gemachtigde: A te Q,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder,

gemachtigde: B.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 26 oktober 2004 over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd naar een bedrag van € 209.638 (de naheffingsaanslag). Tegelijkertijd heeft verweerder een boete van € 104.819 opgelegd en € 13.059 aan heffingsrente in rekening gebracht. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 24 november 2004. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar met dagtekening 25 juni 2005 het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 18 juli 2005 heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2006 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigde voornoemd en C. Namens verweerder zijn verschenen gemachtigde voornoemd, mr. D, E en F.

2. De feiten

2.1. Eiseres is opgericht bij akte van xx xx 19xx. Gedurende het naheffingstijdvak hield eiseres zich onder meer bezig met de verhuur van roerende zaken.

2.2. Op 20 december 1994 hebben eiseres en de gemeente R (hierna: de gemeente) een financieringsovereenkomst en een overeenkomst van huur en verhuur gesloten. Voorts verleende eiseres op 20 december 1994 de gemeente een koopoptie op de in voormelde overeenkomst van huur en verhuur begrepen zaken.

2.3. Ingevolge deze financieringsovereenkomst heeft de gemeente aan eiseres ten titel van leen met een looptijd van 10 jaar een bedrag beschikbaar gesteld dat door eiseres diende te worden aangewend voor de financiering van (mini)containers en een inzamelwagen. Bij de financieringsovereenkomst is een door eiseres en de gemeente ondertekende bijlage gevoegd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“jaar schuld bij rente per aflossing totaal per vervaldata

aanvang jaar (6,5%) per jaar jaar (achteraf)

1 1490.176,20 96.861,44 149.017,60 245.879,04 20.12.1995

2 1341.158,40 87.175.44 149.017,60 236.192,90 20.12.1996

3 1192.140,80 77.489,16 149.017,60 226.506,76 20.12.1997

4 1043.123,20 67.803,02 149.017,60 216.820,62 20.12.1998

5 894.105,60 58.116,88 149.017,60 207.134,48 20.12.1999

6 745.088,00 48.430,74 149.017,60 197.448,34 20.12.2000

7 596,070,40 38.744,60 149.017,60 187.762,20 20.12.2001

8 447.052,80 29.058,46 149.017,60 178.076,06 20.12.2002

9 298.035,20 19.372,32 149.017,60 168.389,92 20.12.2003

10 149.017,60 9.686,18 149.017,60 158.703,78 20.12.2004 ”

2.4. Eiseres heeft voorts een aantal door de gemeente medeondertekende brieven aan de leveranciers van de containers en de inzamelwagen verzonden waarin zij stelt dat alle betalingen die de gemeente in verband met de bestelling heeft gedaan en nog zal doen, moeten worden geacht namens eiseres te zijn gedaan.

2.5. In de eerder genoemde overeenkomst van huur en verhuur is onder andere het volgende neergelegd:

“1. OMSCHRIJVING VAN HET OBJECT

(...)

(mini)containers, alsmede een inzamelvoertuig met opbouw en toebehoren van het merk: DAF chassis FAG 75240 opbouw Haller. (...)

2. DUUR VAN DE OVEREENKOMST

(...) De huurperiode is vastgesteld op tien (10) jaren (...).

7. VERPLICHTINGEN VAN DE VERHUURDER

(...)

7.5.

De verhuurder draagt bij deze over c.q. cedeert aan huurder voor de looptijd van deze overeenkomst alle fabrieksgaranties voor zover nu of te eniger tijd van kracht. De huurder verklaart alle aanspraken uit dien hoofde alsmede alle andere aanspraken uit hoofde van tekortkomingen of gebreken van het object, niet-nakoming van verplichtingen door de fabrikant of schade, dientengevolge door hem of derden geleden, uitsluitend jegens de fabrikant te zullen uitoefenen, vrijwarende de verhuurder ter zake. Verhuurder zal al het nodige verrichten om te bewerkstelligen dat huurder van de garanties kan profiteren.

(...)

8. GEBRUIKS- EN BEZITSRISICO VAN DE HUURDER

(...)

8.2.

De huurder verklaart dat het object door hemzelf is uitgezocht en van afmeting, ontwerp en capaciteit is die overeenkomt met zijn behoeften (...).

8.3.

Verhuurder is niet aansprakelijk voor mogelijke gebreken, met betrekking tot de capaciteit, conditie, ouderdom, storingen en andere eigenschappen van de apparatuur. Al dan niet verborgen gebreken aan de apparatuur laten huurders verplichtingen tot betaling van de huurbedragen onverlet, mits verhuurder zijn aanspraken jegens leverancier c.q. fabrikant tot het verhelpen van dergelijke gebreken geldend maakt.

(..)

9. VERZEKERING

9.1.

De huurder is verplicht het object te verzekeren en verzekerd te houden tegen schade aan of tenietgaan van het object wegens brand, diefstal en zaaksbeschadiging.

(..)

10. ONDERHOUD

(...)

10.2.

Huurder zal het object zonodig ter beschikking houden van de fabrikant, ook voor preventief onderhoud en voor het aanbrengen van technische veranderingen op nader overeen te komen tijden. Alle onderdelen of componenten en toevoegingen, deel uitmakend van of behorende tot het object of installatie, die buiten de door de leverancier opgestelde c.q. bijgevoegde garantievoorwaarden en onderhoudsbepalingen vallen, zullen bij vervanging of reparatie voor rekening van de huurder komen. Verhuurder zal hieromtrent geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid dragen. Garantie-, onderhouds-, service- en/of reparatiewerkzaamheden vinden plaats onder de, door de desbetreffende verantwoordelijke leverancier, serviceverlenende organisatie of instelling, opgestelde voorwaarden. De leverantie van spareparts vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende leverancier. Verhuurden kan hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld.

Huurder zal er voor zorgdragen dat alle vermiste, beschadigde, of tenietgegane onderdelen van de apparatuur op kosten van de huurder door de leverancier c.q. fabrikant door gelijkwaardige vervangen zullen worden.”

2.6. Bij de overeenkomst van huur en verhuur is een door eiseres en de gemeente ondertekende bijlage gevoegd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“jaar huur per jaar vervaldatums

(inclusief BTW)

1 ƒ. 245.879,04 20.12.1995

2 236.192,90 20.12.1996

3 226.506,76 20.12.1997

4 216.820,62 20.12.1998

5 207.134,48 20.12.1999

6 197.448,34 20.12.2000

7 187.762,20 20.12.2001

8 178.076,06 20.12.2002

9 168.389,92 20.12.2003

10 158.703,78 20.12.2004”

2.7. De door eiseres aan de gemeente op 20 december 1994 verleende koopoptie kon worden uitgeoefend op 20 december 1999 en onder bepaalde omstandigheden ook na die datum. Bij de koopoptie is een door eiseres ondertekende bijlage gevoegd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“termijn Koopoptieprijs

(inclusief BTW )

na 5 jaren huur f. 745.088,00

na 6 jaren huur - 595,070,40

na 7 jaren huur - 447.052,80

na 8 jaren huur - 298.035,20

na 9 jaren huur - 149.017,60”

2.8. Op 15 december 2002 heeft eiseres de gemeente een brief geschreven die, voor zover relevant, als volgt luidt:

“Aangezien [eiseres] door verschillende oorzaken genoodzaakt is haar bedrijfsactiviteiten te beëindigen stellen wij voor dat de Gemeente per 20 dezer haar koopoptierecht uitoefent zodat de Gemeente volledig eigenaar wordt van de verhuurde zaken / goederen en elk mogelijk nog overgebleven risiko van de destijds gekozen constructie wegvalt.

Wij hebben de afrekeningen die alsdan het gevolg zijn van deze procedure, te weten een factuur van [eiseres] voor de overdracht van de zaken aan de Gemeente alsook een creditnota van [eiseres] aan de Gemeente tot hetzelfde bedrag voor de nog openstaande schuld per 20 december 2002 hierbij gevoegd.

Zonder omgaand tegenbericht nemen wij aan dat u akkoord gaat met het vorenstaande, in welk geval de zaken / goederen, zoals hierboven bedoeld en omschreven in de overeenkomsten zijn geleverd en overgedragen.(...)”

Bij deze brief is een tweetal op 20 december 2002 gedagtekende documenten gevoegd, te weten een factuur waarin eiseres aan de gemeente een bedrag van € 202.864 (f. 447.052,80) in rekening brengt voor de levering van containers en een inzamelwagen, en een creditnota waarin eiseres de gemeente voor een gelijk bedrag crediteert en dusdoende door verrekening haar schuld uit hoofde van de financieringsovereenkomst aflost.

2.9. In 2004 heeft verweerder een boekenonderzoek ten aanzien van de omzetbelasting bij eiseres ingesteld. Op 21 september 2004 is hiervan het rapport verschenen, waarin verweerder concludeert dat eiseres ten onrechte geen omzetbelasting in rekening heeft gebracht ter zake van de levering van containers en een inzamelwagen in 2002. Aldus zou (€ 202.864 * 19/119 =) € 32.390 te weinig omzetbelasting zijn voldaan. Dit bedrag is begrepen in de naheffingsaanslag.

Voorts heeft verweerder vastgesteld dat geen omzetbelasting is voldaan over de rente die is begrepen in huurtermijnen die zij aan de afnemers van haar diensten in rekening heeft gebracht. Verweerder heeft de omvang van de aldus verschuldigd geworden omzetbelasting afgeleid uit de huurspecificaties die als bijlage bij de huurcontracten zijn gevoegd. Ook dit bedrag is begrepen in de naheffingsaanslag.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de overdracht van de (mini)containers en de inzamelwagen kan worden beschouwd als de overdracht van een algemeenheid van goederen zoals bedoeld in artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting (hierna: Wet OB), hetgeen eiseres betoogt en verweerder betwist. Tevens is de opgelegde vergrijpboete in geschil.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

4. Standpunten van de partijen

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de overdracht van de (mini)containers en de inzamelwagen een overdracht is als bedoeld in artikel 31 Wet OB aangezien sprake is van overdracht van een handelszaak dan wel autonoom bedrijfsonderdeel. Behalve de lichamelijke zaken zijn ook de onlichamelijke zaken overgedragen zoals knowhow verbonden aan de exploitatie, garantie en onderhoudsverplichting. Dat de handelszaak als zodanig wordt voortgezet is geen vereiste in de Nederlandse regelgeving. Niet van belang is of eiseres op grond van artikel 7, eerste lid, of artikel 7, tweede lid, onder b, Wet OB als ondernemer moet worden aangemerkt. Ten aanzien van de boete stelt eiseres dat deze niet passend is want er is geen sprake van grove schuld en bovendien huldigt zij een pleitbaar standpunt.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Hij meent dat de boete terecht is opgelegd. De persoon die met de dagelijkse leiding over eiseres was belast was volgens verweerder deskundig op het terrein van de omzetbelasting en wist dat de levering van roerende zaken in de regel belast is met omzetbelasting. Eiseres heeft haar handelwijze ten aanzien van het rente-element in de huurtermijnen naar eigen zeggen gebaseerd op een overeenkomst die zij echter niet heeft kunnen tonen en waarvan de huurder het bestaan heeft ontkend. Hieraan verbindt verweerder de gevolgtrekking dat de verschuldigde omzetbelasting opzettelijk dan wel met voorwaardelijke opzet niet is voldaan.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 31 Wet OB wordt bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden. Bij de beantwoording van de vraag of de levering van goederen door eiseres aan de gemeente valt binnen het bereik van artikel 31 Wet OB zoekt de rechtbank aansluiting bij het arrest Zita modes Sàrl van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest van 27 november 2003, nummer C-497/01). Uit overweging 40 van dit arrest blijkt dat het begrip ‘overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen’ aldus moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

5.2. De overdracht behelst in het onderhavige geval (mini)containers en een inzamelwagen. Uit de overeenkomsten tussen eiseres en de gemeente van 20 december 1994 volgt dat bijbehorende rechten zoals fabrieksgaranties en aanspraken uit hoofde van onderhoudscontracten reeds bij de gemeente lagen en mitsdien geen deel uitmaakten van de latere overdracht. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van de overdracht van lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een deel van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 31 Wet OB niet op de onderhavige overdracht van toepassing. In zoverre faalt het beroep.

5.3. Ten aanzien van de opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt. Aan eiseres is een boete van 50% opgelegd omdat zij geen omzetbelasting heeft voldaan over de rente die was begrepen in huurbedragen die zij van haar afnemers heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank behoorde eiseres de nageheven omzetbelasting op aangifte te voldoen. Eiseres heeft dit ook niet betwist. Zij heeft over de jaren 1999 tot en met 2001 suppletieaangiften omzetbelasting ingediend maar heeft daarin een deel van de ontvangen vergoeding niet verantwoord. Het niet-verantwoorde deel betreft de rentecomponent in de ontvangen huurtermijnen. Eiseres heeft deze handelwijze gerechtvaardigd met een beroep op afspraken waarvan zij het bestaan echter niet aannemelijk heeft kunnen maken. Aan eiseres kan worden toegegeven dat, conform het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2001, nr. 35.311, BNB 2001/296, de rentecomponent onder omstandigheden niet noodzakelijkerwijs tot de vergoeding behoort. Van dergelijke omstandigheden is in casu echter niet gebleken. De genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank naar het oordeel dat, door geen omzetbelasting te voldoen over de in de huurtermijnen begrepen rentecomponent, sprake is van een aan opzet grenzende vorm van grove onachtzaamheid. Een boete van 25% voor grove schuld als bedoeld in paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 acht de rechtbank in dezen geboden.

5.4. Voorts is een boete van 50% opgelegd vanwege het niet betalen van de belasting over de overdracht van de goederen. Ten aanzien van dit punt was in geschil of artikel 31 Wet OB van toepassing was. De rechtbank acht het standpunt van eiseres weliswaar onjuist, maar wel pleitbaar. Verweerder heeft in zoverre dan ook ten onrechte een boete opgelegd. De boete zal voor dit gedeelte worden vernietigd.

6. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiseres in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boete;

- verlaagt de opgelegde boete tot € 44.313,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 276,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, en mrs. J. Snitker en A. van Dongen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen – ten Hoopen, griffier. De beslissing is op 4 april 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.