Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ5318

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
06-11902
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een provincieambtenaar vraagt zijn werkgever mondeling om toestemming voor onbetaald verlof gedurende een jaar. Verzoekers leidinggevende geeft aan dat hiertegen geen bezwaren zullen bestaan. Verzoeker vat dit op als inwilliging van zijn verzoek en gaat al een en ander regelen. Nadat verzoeker een officieel schriftelijk verzoek had ingediend, werd het verzoek afgewezen op grond van een zwaarwegend dienstbelang. Verzoeker beroept zich op gewekte verwachtingen en op onvoldoende motivering van het besluit. Deze beroepen worden niet gehonoreerd, omdat de verwachtingen zijn gewekt door functionarissen die niet bevoegd zijn te beslissen op het verzoek om onbetaald verlof. De voorzieningenrechter acht de afwijzing voorts voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 11902 AW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2006

in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

tegen:

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2006 heeft verweerder verzoekers aanvraag om onbetaald verlof over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 oktober 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van 29 november 2006 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 december 2006, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.D. van Duijvenbode, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door I.H. Busker en ing. D.A. Jonkers, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker is sinds 1987 bij verweerder als ambtenaar aangesteld in de functie van muskusrattenbestrijder. Vanaf 1 januari 2003 werkt hij gedurende 18 uur per week. Op 21 augustus 2006 heeft verzoeker bij verweerder een verzoek ingediend om toekenning van onbetaald verlof over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007. Bij besluit van 18 september 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt.

2.2 Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij beroept zich op gewekte verwachtingen. In juni 2006 heeft verzoeker mondeling om onbetaald verlof gevraagd en zijn leidinggevende reageerde hierop positief. Verzoeker wijst in dit verband op een werkoverleg van 22 augustus 2006, waarin is aangegeven dat het door verzoeker gevraagde onbetaald verlof geen probleem zou zijn. Ook wijst verzoeker op de verklaringen van [A]. Verzoeker heeft vervolgens allerlei zaken geregeld, waaronder verhoging van zijn hypotheek. Voorts heeft zijn echtgenote van haar werkgever onbetaald verlof gekregen. Verzoeker wijst voorts op de levensloopregeling en op artikel D 19 van de Collectieve arbeidsvoorwaarden provincies (CAP). Volgens verzoeker moet zijn verzoek om onbetaald verlof ook worden beschouwd als een verzoek om buitengewoon verlof. Ook is verzoeker van mening dat zijn functie niet een zodanige spilfunctie is, dat hij niet tijdelijk vervangen zou kunnen worden. Verweerder heeft volgens verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van de bedrijfsvoering gevaar loopt, als hij een jaar afwezig zou zijn. Ter zitting heeft verzoeker ter onderbouwing van zijn stellingen een overzicht overgelegd dat betrekking heeft op de vangst van muskusratten tot en met periode 11 in 2006. Verzoeker heeft tevens aangevoerd dat verweerder de contracten met een drietal collega's van verzoeker niet verlengt. Dit strookt niet met verweerders opvatting dat verzoeker niet gemist kan worden. Ook voert verzoeker aan dat hij in het verleden zijn verlof altijd mondeling aanvroeg en dat verweerder hierop steeds positieve zin besliste. Tot slot stelt verzoeker dat hij het onbetaald verlof nodig heeft om in Frankrijk een vakantiehuisje te gaan verbouwen.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het door verzoeker gevraagde onbetaald verlof met het oog op de continuïteit van de bedrijfsvoering bij de muskusrattenbestrijding niet kan worden toegestaan. Het is niet in het belang van de organisatie dat verzoeker gedurende een jaar afwezig zal zijn in een periode van intensivering van de bestrijding. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de afwijzing van het verzoek is gebaseerd op artikel 15 van de CAP. Volgens verweerder is verzoeker een ervaren muskusrattenbestrijder die, gelet op de intensivering van de bestrijding, niet gemakkelijk te vervangen is. Verweerder heeft voorts aangegeven dat de contracten van de drie medewerkers op wie verzoeker doelt, eind 2007 aflopen.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.5 Artikel 15 van de CAP luidt als volgt: "Gedeputeerde staten kunnen, indien daartoe naar hun oordeel termen bestaan, de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof verlenen voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met behoud van volle of gedeeltelijke bezoldiging op de door hem bepaalde wijze."

2.6 Verzoeker heeft zich in deze procedure beroepen op de bij hem gewekte verwachting dat zijn verzoek om verlening van onbetaald verlof zou worden gehonoreerd. De voorzieningenrechter constateert, dat deze verwachting bij verzoeker in ieder geval niet is gewekt door functionarissen van verweerder die bevoegd zijn om te beslissen op verzoeken om verlening van onbetaald verlof. Bedoelde verwachting is, zoals verzoeker heeft aangevoerd, bij hem gewekt door zijn regiocoördinator. Het kon verzoeker echter bekend zijn, dat deze regiocoördinator niet bevoegd is te beslissen op een verzoek om verlening van onbetaald verlof. Dit geldt te meer, nu het in dit geval gaat om onbetaald verlof gedurende een periode van een jaar. Verzoeker heeft erop gewezen dat hem in het verleden (1988, 1989 en 1990), nadat hij hierom mondeling had verzocht en hij vervolgens een formeel schriftelijk verzoek had ingediend, een aantal keren onbetaald verlof is verleend. Deze verzoeken hadden echter betrekking op periodes van enkele dagen tot enkele weken, terwijl het nu voorliggende verzoek ziet op een aanmerkelijk langere periode. Bovendien zullen de omstandigheden in het organisatieonderdeel waarin verzoeker werkt naar alle waarschijnlijkheid in vergelijking met de situatie in de hiervoor vermelde jaren, zijn gewijzigd.

2.7 Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard, dat hij op basis van artikel D 15 CAP geen beleid heeft vastgesteld. Elk individueel geval wordt apart beoordeeld. De voorzieningenrechter acht het echter in de rede liggen, dat verweerder slechts gedurende een langere periode onbetaald verlof verleent, als zich aan de kant van de betrokken ambtenaar bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan bij de afweging van belangen aan het dienstbelang van verweerder minder gewicht toekomt dan aan het belang van de ambtenaar. Verzoeker heeft een jaar onbetaald verlof aangevraagd, omdat hij in Frankrijk een vakantiehuisje wil gaan verbouwen. Dit kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt die zodanig zwaarwegend is, dat aan de belangen van verweerder bij de continuïteit van de bedrijfsvoering minder gewicht toekomt.

2.8 Verzoeker heeft tegen de motivering van het bestreden besluit aangevoerd, dat verweerder hem wel een jaar zal kunnen missen, omdat verzoeker drie collega's heeft van wie de (tijdelijke) contracten door verweerder niet worden verlengd.

Deze stelling van verzoeker is door verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende weersproken. Verweerder heeft immers aangegeven dat die contracten niet eerder aflopen dan per eind 2007.

2.9 Vaststaat dat verzoeker een ervaren muskusrattenbestrijder is. Hij stelt zich echter op het standpunt dat hij gemakkelijk tijdens zijn betaald verlof kan worden vervangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter voldoende overtuigend aangegeven dat een dergelijke vervanging op tijdelijke basis niet zo gemakkelijk te realiseren is als verzoeker doet voorkomen. Het duurt namelijk geruime tijd voor iemand als muskusrattenbestrijder voldoende ingewerkt is. Bovendien heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende overtuigend voor het voetlicht gebracht dat hij in de komende periode de muskusrattenbestrijding wil intensiveren. Het door verzoeker ter zitting overgelegde vangstoverzicht kan hieraan niet afdoen.

2.10 Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom, dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij de aanvraag van verzoeker om verlening van onbetaald verlof gedurende een jaar niet honoreert met het oog op de continuïteit van de bedrijfsvoering bij de muskusrattenbestrijding in relatie tot de voorgenomen intensivering hiervan.

2.11 De omstandigheid dat verzoeker allerlei zaken heeft geregeld en kosten heeft gemaakt om zijn onbetaald verlof voor te bereiden, dient voor zijn risico te blijven. Verzoeker heeft immers nagelaten om bij de bevoegde functionarissen te informeren of zijn verzoek om verlening van onbetaald verlof zou worden gehonoreerd.

2.12 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.13 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, voorzieningenrechter, en op

19 december 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.