Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ5317

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
06-11575
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De resultaten van het opsporingsonderzoek bieden voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van verzoekster en de heer A. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 11575 en 06 - 11578 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2006

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.P. Kuijper, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder het recht op uitkering van verzoekster ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 mei 2006 opgeschort.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 22 mei 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 juni 1988 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2006, zijnde een bedrag van € 133.190,97 (bruto), van verzoekster teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 7 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 9 oktober 2006 zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij brief 16 november 2006 heeft verzoekster tegen deze besluiten beroep aangetekend.

Bij brief van 17 november 2006 is tevens verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 15 december 2006, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.C.H. de Groot, werkzaam bij de gemeente Purmerend. Tevens waren aanwezig [de heer A] en L. Damman.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Verzoekster ontvangt sinds 1 mei 1988 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Op 25 september 2005 heeft verzoekster bijzondere bijstand aangevraagd voor de aanschaf van een computer. In verband daarmee heeft op 10 november 2005 een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. In de slaapkamer van verzoekster werd [de heer A] aangetroffen. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek door de sociale recherche gestart.

2.3 Met ingang van 1 mei 2006 is de betaling van de bijstandsuitkering van verzoekster geblokkeerd en heeft verweerder het recht van verzoekster op uitkering per 3 mei 2006 opgeschort. Bij besluit van 14 juni 2006 is de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 1 juni 1988 ingetrokken.

2.4 Verzoekster heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen eruit bestaand dat verweerder verplicht wordt voorschotten te betalen. Verzoekster heeft daartoe gesteld dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat zij geen middelen van bestaan heeft. Verder heeft verzoekster gesteld dat de beroepen een zeer aanzienlijke kans van slagen hebben. In beroep heeft verzoekster aangevoerd dat sprake is van ernstige gebreken in het gebruik van alsmede de uitvoering van de opsporingsmethoden van de vermeende gezamenlijke huishouding. Verzoekster heeft in beroep verder gesteld dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat er geen objectieve feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg.

2.5 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.6 Ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 3 WWB wordt als een gemeenschappelijke huishouding aangemerkt twee personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.7 Verweerder heeft de besluiten gebaseerd op de informatie die is verkregen uit het onderzoek door de sociale recherche. In de periode van 25 januari 2006 tot en met 25 april 2006 heeft stelselmatige observatie bij de woning van verzoekster en de door [de heer A] als zijn hoofdverblijf aangemerkte woning van zijn moeder te [plaatsnaam] plaatsgevonden, en zijn buren van verzoekster als getuige gehoord. Voorts hebben verzoekster en [de heer A] verklaringen afgelegd tegenover opsporingsambtenaren en hebben zij deze verklaringen ondertekend.

2.8 Op grond van de verklaringen van verzoekster en [de heer A], ook indien het proces-verbaal van 4 mei 2006 buiten beschouwing zou moeten blijven, in samenhang met de overige gegevens die zich in het dossier bevinden, zoals de verklaringen van buren, is verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet ten onrechte tot de conclusie gekomen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Daarbij heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat uit de door verweerder overgelegde gegevens van de stelselmatige observaties blijkt dat [de heer A] vrijwel iedere dag vanuit de woning van verzoekster vertrekt (naar zijn werk) en dat een deel van zijn administratie en zijn kleding zich in de woning van verzoekster bevinden. Tevens is van belang dat verzoekster en [de heer A] hebben verklaard dat [de heer A] de laatste maanden veelal bij verzoekster verbleef. Ook indien het ervoor moet worden gehouden dat de geconstateerde aanwezigheid van [de heer A] gedurende de periode dat de observatie plaatsvond kan worden toegeschreven aan het feit dat verzoekster in die periode vanwege haar ziekte extra zorg nodig had, doet zulks niet af aan het feit dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het totaal aan onderzoeksbevindingen voldoende steun biedt voor het oordeel dat het bieden van zorg onlosmakelijk was verbonden met een reeds langer bestaande situatie van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning van verzoekster en [de heer A]. Voorts geven de verklaringen steun voor de opvatting dat sprake is van het zorgdragen voor elkaar. Zo betaalt [de heer A] de sportschool van de dochter van verzoekster, verzorgt hij verzoekster bij ziekte en wast en kookt verzoekster (soms) voor [de heer A]. Aan de omstandigheid dat [de heer A] op verzoek van de thuiszorgorganisatie 's nachts bij verzoekster aanwezig is, kan in het kader van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding niet die betekenis worden gehecht die verzoekster daaraan gehecht wenst te zien. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding is immers het geheel van feiten en omstandigheden van belang en zijn de motieven voor de gezamenlijke huishouding niet van belang.

2.9 Het antwoord op de vraag of verweerder de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding van verzoekster en [de heer A] juist heeft bepaald op 1 juni 1988 kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans in het midden blijven. Immers ook indien zou worden aangenomen dat daaraan twijfel bestaat, blijft het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter - dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat ten tijde van de hier in geding zijnde besluiten sprake was van een gezamenlijke huishouding - van kracht.

2.10 Ter zitting heeft (gemachtigde van) verzoekster - onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2006 (Rechtspraak.nl, LJN: AY7854) - aangevoerd dat onaangekondigde huisbezoeken die zonder een aanleiding plaatsvinden onrechtmatig zijn. Hieraan dient naar de mening van verzoekster verbonden te worden dat de gehele besluitvorming onrechtmatig is, omdat deze besluiten zijn gebaseerd op 'verboden vruchten'. De voorzieningenrechter constateert dat de stellingname van verzoekster een principiële is, zodat een oordeel door de (meervoudige kamer van) de rechtbank aangewezen lijkt. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de besluiten van verweerder op deze gronden voor onrechtmatig te houden, nu geenszins vaststaat dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2006 door de Centrale Raad van Beroep zal worden bevestigd.

2.11 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 19 december 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.