Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ5210

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
Zaaknummer 317033/EJ VERZ 06-48
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herroeping beschikking arbeidsovereenkomst, nadat procedure op grond van bedrog was heropend. Gedeeltelijke herroeping, alleen voor de toegekende ontslagvergoeding, wegens verknochtheid tussen vergoeding en ontbindingsbeslissing, niet mogelijk. Arbeidsovereenkomst kan na herroeping bovendien niet met terugwerkende kracht worden ontbonden. Volgt alsnog ontbinding voor de toekomst met vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton Locatie Zaandam

Zaaknummer 317033/EJ VERZ 06-48

datum 28 december 2006

inzake

Oppervlak- en metaalbescherming Schoen B.V.

te Zaandam

verzoekende partij

gemachtigde mr. J. Veenis

tegen

[verweerder]

te [adres]

verwerende partij

gemachtigde mr. W.A. van Sambeek.

De procedure

Op 16 november 2006 is in deze zaak een beschikking uitgesproken, waarin de procedure inzake de op 28 februari 2006 tussen partijen uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst is heropend.

Daarop zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun tot aan de ontbindingsbeschikking van 28 februari 2006 ingenomen stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen. Schoen BV heeft ter uitvoering daarvan een gewijzigd verzoekschrift ingediend, waarna [verweerder] een gewijzigd verweerschrift heeft ingediend.

Vervolgens heeft op 12 december 2006 de nadere mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgehad. De gemachtigden van partijen hebben zich bediend van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die zonodig worden uitgewerkt in een proces-verbaal.

Tenslotte is de uitspraak van deze beschikking op vandaag bepaald.

Het verzoek.

Het verzoek van Schoen BV strekt tot herroeping van de ontbindingsbeschikking van 28 februari 2006, voor wat betreft de daarbij toegekende vergoeding, die Schoen BV alsnog op nihil wenst te zien gesteld.

Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Het verweer.

Het verweer strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met toekenning van een vergoeding groot € 93.017,49 bruto, dan wel € 31.005,83 bruto, afhankelijk van het al dan niet onherroepelijk afstand doen door Schoen BV van het met [verweerder] overeengekomen relatie- en concurrentiebeding.

Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Beoordeling van het verzoek.

Gehele of gedeeltelijke herroeping.

Schoen BV wenst slechts herroeping van de ontbindingsbeschikking van 28 februari 2006 voor wat betreft de daarbij toegekende ontslagvergoeding, zodat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2006 onaangetast blijft. [verweerder] meent dat een gedeeltelijke herroeping in een zaak als de onderhavige niet mogelijk is en dat het oorspronkelijke ontbindingsverzoek in volle omvang ter beoordeling voorligt.

Daarover wordt als volgt geoordeeld.

In de in deze zaak op 16 november 2006 gewezen beschikking, is de procedure inzake het oorspronkelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in zijn geheel heropend. Een gedeeltelijke heropening van de procedure, beperkt tot de beslissing omtrent de ontbindingsvergoeding, lag noch ligt in de rede, nu beslissingen inzake de ontbinding van een arbeidsovereenkomst en de daaraan mogelijk te koppelen ontslagvergoeding, mede gelet op het bepaalde in artikel 7.685 lid 9 en 10 van het Burgerlijk Wetboek, zo met elkaar verknocht zijn, dat die zich procedureel niet laten splitsen.

Ik ben mij ervan bewust dat dit bij een herroeping kan leiden tot de complicatie, dat een alsdan mogelijk opnieuw uit te spreken ontbinding van de arbeidsovereenkomst, in het systeem van artikel 7.685 van het Burgerlijk Wetboek, geen terugwerkende kracht heeft. De arbeidsovereenkomst, die ingevolge de herroepen beschikking ontbonden was, zal in zo’n geval herleven tot aan de datum van de nieuwe ontbinding. Dat is echter een rechtsgevolg dat nu eenmaal verbonden is aan de herroeping van een ontbindingsbeschikking. Overigens zal een dergelijke herleefde arbeidsovereenkomst, gelet op het in artikel 7.627 van het Burgerlijk Wetboek verwoorde beginsel, in de regel geen praktische betekenis hebben.

Vaststaande feiten.

In deze procedure mag worden uitgegaan van de volgende feiten omdat deze voldoende aannemelijk zijn geworden.

1. Tussen partijen bestaat sinds 1 februari 2002 een arbeidsovereenkomst. De functie van [verweerder], die thans [leeftijd] oud is, was [beroep]. Het laatstverdiende salaris bedroeg, inclusief vakantiebijslag, € 4.134,11 bruto per maand.

2. In 2005 is de verstandhouding tussen partijen sterk verslechterd. Schoen BV had de nodige kritiek op het functioneren van [verweerder], die het gevoel kreeg dat men hem kwijt wilde. In dat verband is [verweerder] gaan nadenken over het opstarten van een eigen bedrijf.

3. In februari 2006 bereikten partijen overeenstemming over een pro forma ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2006 onder toekenning van een ontslagvergoeding aan [verweerder] van € 19.139,40, waarbij [verweerder] verder werd ontslagen uit het voor hem geldende relatie- en concurrentiebeding. Per 1 maart 2006 is de arbeidsverhouding (in elk geval) feitelijk beëindigd.

4. [verweerder] is daarop inderdaad (vrijwel) direct voor zichzelf begonnen. Een belangrijke klant van Schoen BV is (voor een deel) naar hem overgelopen. Schoen BV kan zich daarin niet vinden, beticht [verweerder] van vals spel en streeft in een bodemprocedure naar herstel van het relatiebeding.

Ontvankelijkheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan, die zouden nopen tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Ontslagverboden

Ik heb mij ervan vergewist of het ontbindingsverzoek verband houdt met het bestaan van een verbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 648, 670 en 670a van het Burgerlijk Wetboek, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dat blijkt niet het geval.

Ontbinding of niet

Voldoende is gebleken van gewijzigde omstandigheden, die een voldoende gewichtige reden opleveren om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden.

Duidelijk is dat partijen op elkaar uitgekeken waren en zijn. [verweerder] is inmiddels een eigen bedrijf begonnen en is niet bereid bij Schoen BV terug te keren. Omgekeerd wil Schoen BV hem niet meer terughebben.

Ik stel me voor dit te doen met ingang van 1 januari 2007.

Vergoeding

Ik ben van mening dat aan [verweerder] in redelijkheid een vergoeding toekomt ten laste van de wederpartij. Die vergoeding wordt gesteld op een bedrag van € 12.402,30 bruto, mede te beschouwen als aanvulling op toekomstige inkomsten.

Uitgangspunt bij het vaststellen van de te betalen ontbindingsvergoeding is de zogenaamde kantonrechterformule, die ingevolge landelijke afspraken door vrijwel alle Nederlandse kantonrechters wordt gehanteerd.

In het nu door mij te beslissen geval, behoort deze formule als volgt te worden ingevuld:

? aantal gewogen dienstjaren, afgerond: 6 (gerekend wordt tot einde werkzaamheden);

? bruto maandsalaris, inclusief vakantiebijslag, € 4.134,11;

? correctiefactor 0,5.

Ik ben omtrent de correctiefactor van oordeel, dat in dit geval voldoende is gebleken van feiten en/of omstandigheden, die moeten resulteren in een kleinere factor dan de bij een zogenaamde "kleurloze" of "neutrale" ontbinding te hanteren factor 1.

Voldoende is immers gebleken dat [verweerder] vrijwel onmiddellijk na het beëindigen van zijn werkzaamheden voor Schoen BV een eigen zaak is begonnen. Klaarblijkelijk was dat geen heilloze onderneming, want dit bedrijf heeft hij nog steeds. Kennelijk kan [verweerder] zich op die manier het nodige inkomen verschaffen. Ik wil echter wel aannemen dat het vooralsnog geen vetpot is. Het gaat tenslotte nog om een bedrijf in opbouw.

In deze beschikking kan niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van een inmiddels begonnen bodemprocedure, die in behandeling is bij een ambtgenoot, en waarin Schoen BV terug wil komen op het prijsgeven van het tussen partijen overeengekomen relatiebeding. Mocht [verweerder] toch (weer) aan dit beding gebonden raken dan moet dat voor zijn rekening en risico blijven. Ik stel overigens wèl vast dat Schoen BV bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft laten weten niet (langer) vast te houden aan het toentertijd eveneens tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding.

Dat [verweerder] ernstig zou hebben gedisfunctioneerd, zoals door Schoen BV uitgebreid is betoogd, is niet dan wel onvoldoende aannemelijk geworden. Een verdere verlaging van de correctiefactor op die grond is dan ook niet aan de orde. Omgekeerd is evenmin (voldoende) aannemelijk geworden dat Schoen BV zich dusdanig jegens [verweerder] heeft misdragen, dat dit aanleiding zou behoren te geven tot een verhoging van de correctiefactor.

Herroeping.

Gelet op het voorgaande kan de beschikking van 28 februari 2006 niet in stand blijven. Deze beschikking moet dus worden herroepen, waarna -opnieuw rechtdoende- moet worden beslist zoals hierna te bepalen.

Omdat Schoen BV bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft laten weten geen gebruik te zullen maken van haar bevoegdheid het oorspronkelijke ontbindingsverzoek in te trekken, kan onmiddellijk uitspraak worden gedaan.

Kosten

Omdat de herroeping een gevolg is van bedrog, in de zin van artikel 382 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, gepleegd door [verweerder], dient hij te worden verwezen in de proceskosten.

Beslissing

De op 28 februari 2006 uitgesproken beschikking strekkende tot ontbinding van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst wordt herroepen, met herstel in de staat waarin partijen voor die beschikking waren.

Opnieuw rechtdoende wordt als volgt beslist.

De tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wordt met ingang van 1 januari 2007 ontbonden, onder toekenning aan [verweerder] van een vergoeding groot € 12.402,30 bruto onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

[verweerder] wordt veroordeeld in de kosten aan de zijde van de tegenpartij gevallen. Deze kosten worden begroot op € 1.600,-- wegens salaris van de gemachtigde.

Deze beschikking wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. F.M.Visser, kantonrechter in de rechtbank Haarlem, locatie Zaandam, en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.