Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ5114

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-12-2006
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
05/5970
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Film CV. Winstvaststellingsovereenkomst ten onrechte opgezegd door inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/5.2
V-N 2007/18.2.1
FutD 2007-0328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5970

Uitspraakdatum: 18 december 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde mr. A ,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.105, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.731.

Eiser heeft hiertegen een bezwaarschrift met dagtekening 26 april 2005 bij verweerder ingediend. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 8 november 2005, ontvangen bij de rechtbank op 8 november 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2006 te Haarlem.

Gemachtigde is namens eiser verschenen, bijgestaan door mr. B, C en D. Namens verweerder is verschenen mr. E.

Partijen hebben ter zitting pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Bij overeenkomst van 15 juli 2002 zijn F B.V., Stichting G en 239 natuurlijke personen overeengekomen een commanditaire vennootschap onder de naam H C.V. op te richten en aan te gaan (hierna: de CV). Tot beherend vennoot zijn benoemd F B.V. en Stichting G. De natuurlijke personen zijn de commanditaire vennoten.

2.2. De CV heeft als doel het voortbrengen van de film “H”. In artikel 3 van onder 2.1. vermelde overeenkomst is deze doelstelling als volgt omschreven:

“De Vennootschap [CV] heeft ten doel het produceren, exploiteren en (doen) distribueren van de Film, waaronder mede maar niet uitsluitend begrepen het aangaan, wijzigen, beëindigen of sluiten van overeenkomsten zoals (co-) productie,- administratie-, distributie, en financieringsovereenkomsten en overeenkomsten strekkende tot het (ver)kopen van de rechten van de Film, al of niet in samenwerking met derden en met inbegrip van het verrichten en bevorderen van alle handelingen die daarmede direct of indirect verband houden, alles in de ruimste zin des woords, het vorenstaande met het doel de Vennoten te laten delen in de inkomsten en vermogenswinsten die daarmee worden behaald.”

2.3. In het kader van de onder 2.2 genoemde doelstelling heeft CV met I B.V. een uitvoerende productieovereenkomst gesloten. Op basis van deze overeenkomst heeft CV I B.V. de opdracht gegeven de film voor rekening en risico van CV te vervaardigen. In deze overeenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“ De ondergetekenden: CV (..) hierna te noemen: “Producent” [CV] en

I BV (...) hierna te noemen “Uitvoerend Producent” (...)

Overwegende dat (...)

(iii) Producent [CV] voornemens is aan de Uitvoerend Producent de opdracht te geven om de film 'H’ als uitvoerend producent en voor rekening en risico van de Producent [CV] te produceren (..)

(v) Uitvoerend Producent genoegzaam bekend is met de Winstvaststellingsovereenkomst (...)

(ix) Partijen in deze uitvoerende productieovereenkomst nadere regelingen wensen te treffen over de productie van de Film, voor rekening en risico van Producent [CV], en in overeensteming met het Budget;

(...)

Artikel 2-Productie opdracht

2.1 Producent [CV] geeft hierbij de opdracht aan Uitvoerend Producent, welke opdracht Uitvoerend Producent hierbij accepteert, tot het in overleg met Producent [CV], en voor rekening en risico van Producent [CV], produceren van de Film op de in deze overeenkomst te noemen voorwaarden. (...)

Artikel 3-Verplichtingen en bevoegdheden van de Uitvoerend Producent

(...)

3.6 Uitvoerend Producent heeft het recht om voor rekening en risico van de Producent [CV] overeenkomsten te sluiten met derden met het doel van deze derden diensten af te nemen die betrekking hebben op de productie van de Film. Uitvoerend Producent zal hiertoe slechts overgaan, indien en voor zover de kosten van de van de derde afgenomen diensten zijn opgenomen in het Budget, onverminderd het bepaalde in artikel 4 lid 8 van deze overeenkomst. In ieder geval zal uitvoerend Producent slechts aanspraak kunnen maken op vergoeding van gemaakte kosten voorzover deze in het Budget zijn opgenomen, danwel waarvoor separaat schriftelijke toestemming van Producent [CV] is verkregen. Uitvoerend Producent zal ervoor zorgdragen dat derden geen rechten zullen verwerven op de Film, die de rechten van Producent [CV] op de Film schaden of beperken. (...)

Artikel 4- Budget

(...)

4.2. Alle kosten voor zover deze betrekking hebben op de productie van de Film, die uitgaan boven het Budget en die niet onder de Completion Bond door de Completion Guarantor aan Producent [CV] worden vergoed, zijn voor rekening van en worden betaald door Producent [CV]. Alle kosten voor zover deze betrekking hebben op de productie van de Film, die lager zijn dan het Budget komen ten bate van de Producent [CV] en zullen worden terugbetaald aan de Producent [CV]. (...)

4.8. Het bedrag dat voor een bepaalde post in het Budget is opgenomen mag, voor zover dat bedrag hoger is dan de werkelijke kosten voor die post, gebruikt worden ten behoeve van iedere andere begrotingspost, mits dat gebruik, naar het oordeel van Producent [CV], strekt tot verbetering van de kwaliteit van de Film en met dien verstande dat bedrag nimmer voor betaling van de producentenvergoeding als bedoeld in artikel 5 zal mogen worden aangewend. (...)”

2.4. Om vooraf zekerheid te verkrijgen dat de commanditaire vennoten in de CV gerechtigd zijn tot de fiscale faciliteiten van de filmstimuleringsmaatregelen zoals willekeurige afschrijving en investeringsaftrek is door de CV met verweerder een winstvaststellingsovereenkomst met dagtekening 18 maart 2002 gesloten. In deze winstvaststellingsovereenkomst is onder meer en voor zover van belang het volgende opgenomen:

“Ten einde te komen tot verwezenlijking van de film zal de CV aan I BV i.o. te Amsterdam, opdracht geven de film voor rekening en risico van de CV te vervaardigen. (...)

B. Fiscale behandeling (...)

4. De vennoten hebben recht op willekeurige afschrijving als bedoeld in hoofdstuk IX van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving (Ministeriele regeling van 20 december 2000, WDB00/921M) mits aan de in die regeling gestelde voorwaarden wordt voldaan (...)

5. Rente vreemd vermogen (...) en de investeringsaftrek zijn een bestanddeel van de winst zoals bedoeld in art. 3.9 Wet IB 2001. (...)

C. Formele aspecten (...)

9. Deze winstvaststellingsovereenkomst kan door de Belastingdienst/Particulieren Ondernemingen P op ieder moment worden beëindigd indien blijkt dat aan de Belastingautoriteiten van Nederland of van een ander land een onjuist of onvolledig beeld is gegeven van de feiten dan wel afspraken uit deze winstvaststellingsovereenkomst niet (geheel) worden nagekomen. (...)

12. In het aanmeldingsformulier voor commanditaire vennoten wordt onderstaande tekst opgenomen:

“De ondergetekende verklaart ermee bekend te zijn dat een winstvaststellingsovereenkomst is gesloten waarin afspraken over de behandeling van zijn of haar commanditaire deelname zijn gemaakt met de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen P die ook voor hem/haar bindend zijn. De fiscus is uitsluitend gebonden aan hetgeen in de winstvaststellingsovereenkomst is vastgelegd. Hij/zij verklaart zich akkoord dat hij/zij niet als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 wordt aangemerkt en dat hij/zij geen recht heeft op toepassing van de faciliteiten die aan medegerechtigden toekomen indien de winstvaststellingsovereenkomst met toepassing van onderdeel C9 van de winstvaststellingsovereenkomst door de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P is opgezegd.” ”

Bij de goedkeuring van de winstvaststellingsovereenkomst heeft verweerder onder meer de uitvoerende productieovereenkomst beoordeeld.

2.5. Het budget zoals opgenomen in artikel 4 van de uitvoerende productieovereenkomst is door I B.V. met een bedrag van € 614.914 overschreden. Deze overschrijding is ontstaan door een te veel aan kosten op alle budgetonderdelen. CV heeft voor deze overschrijding geen (schriftelijke) toestemming verleend met als gevolg dat I B.V. deze overschrijding niet vergoed heeft gekregen.

2.6. Bij brief van 2 november 2004 aan de gemachtigde van eiser heeft verweerder het volgende geschreven:

“Het voorgaande leidt bij mij tot de conclusie dat nu de feitelijke producent I BV geheel onafhankelijk van CV kon beslissen en heeft beslist welke bedragen aan de film zouden worden besteed en zij de overschrijding van het budget voor haar rekening heeft genomen, deze film niet voor rekening en risico van CV is voortgebracht. Indien zulks aan de Belastingdienst vooraf duidelijk was gemaakt dan zou de Belastingdienst niet bereid zijn geweest een winstvaststellingsovereenkomst te sluiten. Onder verwijzing naar de onderdelen C9 en C12 van de winstvaststellingsovereenkomst beëindig ik hierbij deze winstvaststellingsovereenkomst.”

2.7. Eiser is in het onderhavige jaar commanditair vennoot geworden in CV. Ter zake van zijn inbreng in CV heeft eiser een bedrag van € 10.000 gestort. Eiser heeft voor het jaar 2002 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar, voor zover van belang, een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.105. In aanvulling op deze aangifte heeft eiser bij brief van 21 maart 2005 aangegeven dat de aangegeven winst uit onderneming van € 1 moet worden vervangen door een verlies van € 10.000, en dat een investeringsaftrek van € 3.191 alsnog in aanmerking genomen dient te worden. Het geclaimde verlies uit onderneming betreft willekeurige afschrijving ter zake van de inbreng van eiser in CV.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder terecht de winstvaststellingsovereenkomst heeft beëindigd.

3.2. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

Indien de vraag ontkennend wordt beantwoord, is tussen partijen niet in geschil dat het belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd tot op € 55.913.

3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.913.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Verweerder stelt dat hij op basis van artikel C9 van de winstvaststellingsovereenkomst terecht de winstvaststellingsovereenkomst heeft beëindigd. Hij voert daartoe aan dat I B.V. en CV als feit hebben gepresenteerd dat over- en onderschrijding van het budget voor rekening en risico van CV zouden komen. Nu de overbudgettering tot een bedrag van circa € 614.000 ten laste van I B.V. is gekomen en niet ten laste van CV, heeft CV een onjuist beeld gegeven in de zin van artikel C9 van de winstvaststellingsovereenkomst, zoals weergegeven in 2.3. Daar komt bij dat CV zich niet gehouden heeft aan de in 2.3 weergegeven bepaling van de winstvaststellingsovereenkomst dat de film voor rekening en risico van CV vervaardigd zal worden, aldus verweerder.

4.2. Met betrekking tot de stelling van verweerder dat CV een onjuist beeld in de zin van artikel C9 van de winstvaststellingsovereenkomst heeft gegeven, oordeelt de rechtbank als volgt. Artikel 4.2 van de productieovereenkomst bepaalt - kort weergegeven - dat alle kosten die boven het budget uitgaan ten laste van CV komen en alle kosten die lager zijn dan het budget ten bate van CV komen. Artikel 3.6 van de productieovereenkomst bepaalt dat I B.V. slechts aanspraak zal kunnen maken op vergoeding van gemaakte kosten voorzover deze in het Budget zijn opgenomen, danwel daarvoor separaat schriftelijke toestemming is verkregen van CV. In zoverre komt overschrijding van het budget derhalve voor rekening van I B.V. Nu deze situatie is voorzien in de productieovereenkomst en verweerder bij de goedkeuring van de winstvaststellingsovereenkomst eveneens de productieovereenkomst heeft beoordeeld en ter zake geen voorbehoud heeft gemaakt, kan geen sprake zijn van een onjuist of onvolledig gegeven beeld van de feiten.

4.3. Met betrekking tot de stelling van verweerder dat CV zich niet aan de winstvaststellingsovereenkomst heeft gehouden, namelijk dat de film niet voor rekening en risico van CV is vervaardigd, oordeelt de rechtbank als volgt. In de winstvaststellingsovereenkomst is het volgende opgenomen: “Ten einde te komen tot verwezenlijking van de film zal de CV aan I BV i.o. te Amsterdam, opdracht geven de film voor rekening en risico van de CV te vervaardigen”. In de productieovereenkomst is nader uitgewerkt op welke wijze de film voor rekening en risico van CV vervaardigd zal worden. In de productieovereenkomst is onder andere geregeld dat budgetoverschrijding onder bepaalde omstandigheden voor rekening van I B.V. komt. De enkele omstandigheid dat deze laatste situatie zich heeft voorgedaan en de overschrijding van het budget voor rekening van I BV is gekomen, brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat de film niet voor rekening en risico van CV is vervaardigd. Derhalve kan niet worden gezegd dat CV zich niet aan de winstvaststellingsovereenkomst heeft gehouden. Bovendien heeft verweerder - deze bepalingen in de productieovereenkomst kennende - de winstvaststellingsovereenkomst gesloten zonder op dit punt een voorbehoud te maken.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan-lei-ding verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiser in verband met de behande-ling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1,5). Voor het uitspreken van een integrale proceskostenvergoeding, zoals door eiser is verzocht, zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.913 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 966, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Jochem, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.A. Fase in tegenwoordigheid van mr. F.M. van Waalwijk van Doorn - Goedhart, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.