Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ5024

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
319668 CV EXPL 06-8089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever wijzigt pensioenregeling en stelt werknemers daarvan per brief in kennis. Twee jaar later is de definitieve tekst van het nieuwe reglement aan de werknemers verstrekt. Eiser beroept zich op in de brief onvoorwaardelijk toegezegde indexering van zijn pensioen. In de definitieve versie van het nieuwe pensioenreglement is de indexering voorwaardelijk, namelijk gekoppeld aan de uitkering van extra rente door de verzekeraar. Kantonrechter wijst vordering af, omdat eiser pas na zijn pensioen en nimmer eerder heeft gereageerd op de definitieve tekst en hij zich in verband met andere voorzieningen wel op dat nieuwe reglement baseert. Werkgever mocht er daarom op vertrouwen dat eiser met de definitieve tekst akkoord was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 319668/CV EXPL 06-8089

datum uitspraak: 20 december 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. A.C. Siemons

tegen

de besloten vennootschap Halliburton B.V.

te IJmuiden

Halliburton partij

hierna te noemen Halliburton

gemachtigde mr. W.C.M. Broersma

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk-ken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 2 augustus 2006, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de rolbeschikking van de kantonrechter van 27 september 2006,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro-ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij-en het volgende vast:

a. [eiser] is met ingang van 1 oktober 1985 in dienst getreden bij Halliburton Company Germany GmbH Holland Branch.

b. Met ingang van 23 januari 1989 is [eiser] in dienst getreden bij Halliburton (Reservoir) Services B.V., een rechtsvoorgangster van Halliburton.

c. Bij Halliburton is sinds 1 januari 1974 een collectieve pensioenregeling van kracht, welke regeling is neergelegd in een pensioenregeling, gewijzigd per 1 januari 1988 en 1 januari 1994.

d. [eiser] neemt vanaf 1 oktober 1985 deel aan de pensioenregeling bij Halliburton.

e. Halliburton heeft besloten haar pensioenregeling te wijzigen omdat deze -voor zover hier relevant- geen indexatiebepaling bevatte.

f. Bij brief van 9 juni 1994 heeft Halliburton het volgende aan [eiser] bericht:

“Zoals wellicht bekend is, is er een voorstel tot wijziging van onze collectieve pensioenregeling.

(…)

In het kort komen de wijzigingen op het volgende neer:

(…)

b. Zoals in de inleiding al aangegeven worden in onze huidige pensioenregeling pensioenrechten alleen aangepast aan de salarisontwikkeling. Na de dienstverlating of pensionering vindt geen aanpassing meer plaats. In de nieuwe regeling gaat dat wel gebeuren. De rechten van de dienstverlaters en de ingegane rechten worden jaarlijks aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. De financiering hiervan vindt plaats uit de extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan ons uitkeert.

(…)

De wijziging onder a. is de enige verslechtering, in die zin dat de rechten lager worden. Dit wordt evenwel gecompenseerd door:

- de invoering van indexatie (b.)

- het beter aanpassen aan het laatstverdiende salaris (c.)

(…)

Op bijgaand formulier kan worden aangegeven indien niet akkoord wordt gegaan met de wijziging. Gaarne ontvangen wij het formulier uiterlijk binnen 14 dagen terug.

(…)”

g. De bijlage bij de brief van 9 juni 1994 vermeldt dat per 1 januari 1994 sprake is van geïndexeerde rechten, zonder dat daar een voorwaarde bij is vermeld.

h. [eiser] heeft het genoemde formulier niet retour gezonden en is derhalve akkoord gegaan met deze wijziging.

i. Op de werknemers die met de brief van 9 juni 1994 akkoord zijn gegaan, is het nieuwe pensioenreglement met ingang van 1 januari 1994 van toepassing.

j. In januari 1995 heeft Halliburton al haar werknemers, waaronder [eiser], een Arbeidsvoorwaardenregeling verstuurd. Artikel 15 van deze regeling verwijst naar het pensioenreglement van Halliburton.

k. In juli 1995 heeft Halliburton al haar werknemers die deelnamen aan de nieuwe pensioenregeling een pensioenbrochure uitgereikt.

l. Onder het kopje “5. Diversen/overgangsbepaling” van die brochure is onder meer het volgende vermeld:

“Indexatie van ingegane pensioenen

Halliburton streeft ernaar om ieder ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen na ingang waardevast te houden. Die aanpassing vindt overigens uitsluitend plaats voor zover de overrente die door de verzekeraar beschikbaar wordt gesteld, voldoende is ter financiering hiervan.

(…)

Indexatie van ontslagrechten

Vanaf 1 januari 1992 is wettelijk geregeld dat pensioenrechten van ex-werknemers jaarlijks worden geïndexeerd op dezelfde wijze als ingegane pensioenen. Ook in dit geval geldt dat de beschikbare overrente voldoende is ter financiering hiervan. Deze indexatie van ontslagrechten geldt uitsluitend voor ex-werknemers die hebben deelgenomen aan de pensioenregeling zoals deze per 1 januari 1994 is aangepast en na die datum met ontslag zijn gegaan.

(…)”

m. De definitieve tekst van het nieuwe pensioenreglement is in augustus 1996 aan de werknemers, waaronder [eiser], uitgereikt.

n. Artikel 16 van het nieuwe pensioenreglement van Halliburton luidt voor zover hier van belang als volgt:

“De maximale beschikbare middelen voor de hele groep rechthebbende is de overrente over het afgelopen kalenderjaar die over de reserve van deze groep is gegenereerd.

Mochten de beschikbare middelen in één jaar niet voldoende zijn, dan worden de toeslagen naar evenredigheid verlaagd.”

o. Het dienstverband tussen partijen is op 1 mei 2000 geëindigd.

De vordering

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Halliburton zal veroordelen om:

a. het pensioen van [eiser] te (doen) indexeren vanaf de datum dat hij bij Halliburton uit dienst ging tot aan [eiser]’s pensioendatum, c.q. tot aan de datum waarop het pensioenreglement zodanig wordt gewijzigd dat [eiser] niet langer aanspraak op indexering zal hebben;

b. af te dragen aan het pensioenfonds de op grond van het gevorderde onder a. verschuldigde pensioengelden, zodanig dat het pensioen van [eiser] geïndexeerd wordt en blijft, en [eiser] geen nadeel ondervindt van de vertraging in de betaling door Halliburton.

een en ander met kosten rechtens.

Het verweer

Halliburton heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

Halliburton heeft allereerst aangevoerd dat de vordering reeds moet worden afgewezen omdat deze onvoldoende gespecificeerd is, aangezien slechts wordt verwezen naar indexatie met de ‘jaarlijkse kosten van het levensonderhoud’ en afdracht aan een pensioenfonds wordt gevorderd, terwijl Halliburton de pensioenvoorziening heeft ondergebracht bij een verzekeraar.

De kantonrechter verwerpt dit betoog van Halliburton. Uit de dagvaarding blijkt zondermeer dat de grondslag van de vordering van [eiser] gelegen is in de volgens [eiser] in de bovengenoemde brief van 9 juni 1994 vervatte pensioentoezegging met betrekking tot de indexering.

Uit de verdere omstandigheden van het geval moet het voor Halliburton duidelijk zijn geweest dat [eiser] aanspraak maakt op die indexering die bij Halliburton wordt gehanteerd. Dat [eiser] vervolgens afdracht aan het pensioenfonds heeft gevorderd, hoeft ook niet tot verwarring te leiden, omdat zijn vordering begrepen moet worden als een afdracht aan de instelling waar de pensioenvoorziening is getroffen.

Dat Halliburton de vordering ook zonder de volgens haar gewenste specificatie heeft begrepen, blijkt uit de wijze waarop zij haar verweer heeft gevoerd.

In deze zaak gaat het om de vraag of aan [eiser] een onvoorwaardelijke pensioentoezegging tot indexering is gedaan of dat die toezegging is gedaan onder de voorwaarde dat er voldoende overrente moet zijn om die indexering te financieren.

Of inderdaad sprake is van een onvoorwaardelijke toezegging, zoals door [eiser] is gesteld, wordt niet slechts bepaald door de tekst van de reeds genoemde stukken, maar ook door hetgeen partijen bij het tot stand komen van de gewijzigde pensioenvoorziening jegens elkaar hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid.

De brief van 1 juni 1994 is duidelijk: er staat niet in dat sprake is van een indexering die afhankelijk wordt gesteld van voldoende financiering uit de extra rente.

Dat in die brief ook staat: “De financiering hiervan vindt plaats uit de extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan ons uitkeert.”, duidt niet zonder meer op een voorwaardelijk recht. Deze geciteerde zinsnede uit de brief is zonder voorbehoud gemaakt en is niet zodanig geformuleerd dat [eiser] had moeten begrijpen dat de indexering slechts geldt als die extra rente ook daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Zoals het er nu staat, is deze zinsnede op te vatten als een feitelijke mededeling dat de verzekeraar extra rente betaalt en dat die rente vervolgens voor de financiering van de indexering wordt gebruikt.

In het kader van de verklaringen en gedragingen van partijen heeft Halliburton het volgende aangevoerd:

Door geen bezwaar te maken tegen de inhoud van de brief van 9 juni 1994, de in 1995 toegestuurde pensioenbrochure en/of het in augustus 1996 toegestuurde nieuwe pensioenreglement heeft [eiser] het nieuwe pensioenreglement (inclusief het voorwaardelijke recht op indexatie) stilzwijgend geaccepteerd.

Overigens blijkt dit ook uit de gedragingen van [eiser], zoals het feit dat voor [eiser] sinds 1994 een arbeidsongeschiktheidspensioen is verzekerd. Op grond van de voor 1 januari 1994 van toepassing zijnde pensioenregeling was er namelijk geen arbeidsongeschiktheidspensioen verzekerd voor de werknemers van Halliburton. Tegen het bestaan van deze verzekering heeft [eiser] nimmer geageerd, zodat moet worden aangenomen dat [eiser] stilzwijgend akkoord is gegaan met het nieuwe pensioenreglement dan wel dat bij Halliburton het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] het nieuwe pensioenreglement heeft geaccepteerd. Immers, een deelnemer kan redelijkerwijs alleen akkoord gaan met het gehele gewijzigde pensioenreglement en niet slechts naar eigen goeddunken met een aantal wijzigingen van het gewijzigde pensioenreglement. Tenslotte beaamt [eiser] in zijn dagvaarding dat het nieuwe pensioenreglement op hem van toepassing is. Immers, hij stelt dat zijn pensioenaanspraken vanaf 2001 geïndexeerd dienen te worden, terwijl zijn arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2000 is beëindigd. Nu de brief van 9 juni 1994 niet vermeldt wanneer de pensioenaanspraken van gewezen deelnemers worden geïndexeerd, haakt [eiser] voor de datum van indexatie aan bij het nieuwe pensioenreglement.

De kantonrechter is van oordeel dat dit verweer doel treft en dat Halliburton erop mocht vertrouwen dat [eiser] akkoord was gegaan met een voorwaardelijke indexering van zijn pensioen. [eiser] heeft immers niet bestreden dat hij het nieuwe pensioenreglement heeft ontvangen. Het had daarom op zijn weg gelegen om, indien hij van mening was dat dit nieuwe pensioenreglement ten onrechte een voorwaardelijk recht op de indexering inhield, bij Halliburton aan de orde te stellen dat volgens hem de brief van 9 juni 1994 en een onvoorwaardelijk recht op indexatie inhield. Gesteld noch gebleken is voorts dat [eiser] naar aanleiding van de brief van een juni 1994 gebruik heeft gemaakt van de in die brief geboden mogelijkheid om nadere informatie te vragen bij Halliburton. Uit de stukken blijkt dat [eiser] voor het eerst in 2005 de kwestie van de indexering aan de orde heeft gesteld. Gelet op het grote tijdsverloop tussen de invoering van het nieuwe pensioenreglement en de eerste actie daaromtrent in 2005 van [eiser], mocht Halliburton er daarom op vertrouwen dat voor [eiser] de voorwaardelijke indexering gold zoals deze in het nieuwe pensioenreglement was neergelegd.

Reeds op grond van het vorenstaande moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst in de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van Halliburton begroot op €1.200,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.