Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4602

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
18-12-2006
Zaaknummer
15035622-04 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering; ontnemingsbeslissing; aaandeel veroordeelde; draagkrachtverweer. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier vast staat dat veroordeelde ook op een aantal zondagen heeft gewerkt en volgt op dat punt de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals verantwoord in bovengenoemd proces-verbaal, welke berekening uitgaat van een gemiddelde van 28 dagen verkoop van drugs per maand. De stukken houden onder meer in dat veroordeelde op zondag 3 oktober 2006 34 afspraken met afnemers heeft gemaakt en voorts heeft veroordeelde zelf verklaard dat hij elke dag van 13.00 tot 23.00 uur op zijn telefoon reageert en zondags soms niet. Verder is de rechtbank met partijen van oordeel dat het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gematigd dient te worden gelet op het respectieve aandeel van veroordeelde en zijn beide mededaders bij het bewezen verklaarde feit. Gelet op het onderliggende strafdossier en hetgeen daaruit blijkt omtrent ieders aandeel is de rechtbank van oordeel dat een aandeel van 50 % van het met de drugshandel wederrechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde moet worden toegerekend. Ten aanzien van het beroep op het ontbreken van draagkracht overweegt de rechtbank het volgende. Nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet is gebleken dat veroordeelde thans en in de toekomst onvoldoende draagkracht dan wel vermogen zal hebben om aan zijn betalingsverplichting te voldoen, kan dit verweer naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot matiging van het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tot slot overweegt de rechtbank dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is aangevangen op 11 januari 2005 toen de officier van justitie ter terechtzitting een ontnemingsvordering heeft aangekondigd. Nu de beslissing van de rechtbank op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op 15 december 2006 wordt genomen, is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer : 15/035622-04 (ontneming)

Uitspraakdatum : 15 december 2006

Tegenspraak

BESLISSING (ex artikel 36e Sr)

1. De vordering

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 3 mei 2006 ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht tot een maximum van € 151.200,-, zoals deze - in verband met de uiteindelijke bewezenverklaring - ter terechtzitting van 23 juni 2006 is teruggebracht tot een vordering van ten hoogste € 50.400,-, in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats].

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsvrouwe van veroordeelde gewisselde conclusies.

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 1 december 2006.

2. De overwegingen

Bij vonnis van deze rechtbank van 13 april 2005 is voornoemde [veroordeelde] (verder te noemen: de veroordeelde) veroordeeld ter zake van, voor zover van belang:

- Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ter terechtzitting van 23 juni 2006 heeft de officier van justitie de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gematigd tot een bedrag van € 50.400,- en aanhouding van de behandeling van de zaak gevorderd. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat een schriftelijke voorbereiding van de zaak zou plaatsvinden en heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst.

De raadsvrouwe van veroordeelde, [raadsvrouwe], heeft bij conclusie van antwoord van 23 juni 2006 het standpunt ingenomen dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat verminderd dient te worden om de volgende redenen.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is er vanuit gegaan dat veroordeelde 28 dagen per maand werkte. Nu veroordeelde op geen enkele zondag heeft gewerkt moet worden uitgegaan van 26 dagen per maand.

Nu er geen precieze informatie is over de rol van de twee mededaders van veroordeelde en het door hen genoten voordeel, dient het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat te worden bepaald op 1/3 van het totale voordeel dat met de drugshandel is behaald. Verder is sprake van schending van de redelijke termijn, nu de officier van justitie ter terechtzitting van 11 januari 2005 al heeft aangekondigd een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te zullen indienen.

Tenslotte heeft veroordeelde geen geld en ook weinig verdiencapaciteit.

De officier van justitie heeft in de conclusie van repliek, bij brief verstuurd op 8 augustus 2006, naar voren gebracht dat uit de verklaringen van de veroordeelde en uit de telefoontaps blijkt dat veroordeelde wel op zondagen heeft gewerkt. Gelet op de rolverdeling tussen veroordeelde en zijn mededaders acht hij het reëel veroordeelde aan te slaan voor 75% van het wederrechtelijk verkregen voordeel, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 37.800,-. De procedure tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft wat langer geduurd dan strikt wenselijk en/of noodzakelijk was, maar in ieder geval niet zodanig lang dat dit tot een vorm van matiging zou moeten leiden. Het verzoek om matiging op grond van het ontbreken van draagkracht bij veroordeelde is onvoldoende onderbouwd. Het is niet snel aannemelijk dat een veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting in de toekomst ook niet zal hebben. De rechtbank kan wel overwegen dat de mogelijkheid bestaat om in termijnen te betalen.

De raadsvrouwe van veroordeelde heeft zich bij conclusie van dupliek van 21 augustus 2006 op het standpunt gesteld dat het voorstel van de officier van justitie veroordeelde aan te slaan voor 75% van het wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende wordt onderbouwd. Verder persisteert zij bij haar conclusie van antwoord.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegde straf- en ontnemingsdossier alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor hij is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank ontleent de schatting van dat voordeel aan de inhoud van het navolgende bewijsmiddel:

- Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] en afgesloten op 24 februari 2005, dossiernummer [dossiernummer], kenmerk [kenmerk], pagina 1 tot en met 19 en de daarbij behorende bijlagen, genummerd 1 tot en met 33, zoals genoemd op pagina 19 van dit proces-verbaal. Dit proces-verbaal houdt in de bevindingen van het onderzoek betreffende het door strafbare feiten verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte [veroordeelde] en komt uit op een door veroordeelde over een periode van 18 maanden wederrechtelijk verkregen voordeel van ten minste € 151.200,-.

De rechtbank neemt dit rapport tot uitgangspunt, met dien verstande dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld, te weten het gedurende zes maanden medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet, op 1/3 deel van voornoemd bedrag, conform het standpunt van de officier van justitie op € 50.400,-, wordt geschat.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier vast staat dat veroordeelde ook op een aantal zondagen heeft gewerkt en volgt op dat punt de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals verantwoord in bovengenoemd proces-verbaal, welke berekening uitgaat van een gemiddelde van 28 dagen verkoop van drugs per maand. De stukken houden onder meer in dat veroordeelde op zondag 3 oktober 2006 34 afspraken met afnemers heeft gemaakt en voorts heeft veroordeelde zelf verklaard dat hij elke dag van 13.00 tot 23.00 uur op zijn telefoon reageert en zondags soms niet.

Verder is de rechtbank met partijen van oordeel dat het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gematigd dient te worden gelet op het respectieve aandeel van veroordeelde en zijn beide mededaders bij het bewezen verklaarde feit.

Gelet op het onderliggende strafdossier en hetgeen daaruit blijkt omtrent ieders aandeel is de rechtbank van oordeel dat een aandeel van 50 % van het met de drugshandel wederrechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde moet worden toegerekend.

Ten aanzien van het beroep op het ontbreken van draagkracht overweegt de rechtbank het volgende. Nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet is gebleken dat veroordeelde thans en in de toekomst onvoldoende draagkracht dan wel vermogen zal hebben om aan zijn betalingsverplichting te voldoen, kan dit verweer naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot matiging van het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Tot slot overweegt de rechtbank dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is aangevangen op 11 januari 2005 toen de officier van justitie ter terechtzitting een ontnemingsvordering heeft aangekondigd. Nu de beslissing van de rechtbank op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op 15 december 2006 wordt genomen, is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.

Alles overwegende schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 25.200,-. Verder is het niet aan de rechtbank om te bepalen dat de veroordeelde in de gelegenheid moet worden gesteld voornoemd bedrag in termijnen te betalen. Zij volstaat in dit verband met een verwijzing naar de desbetreffende aan de officier van justitie in artikel 561, derde lid Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheid, voor de tenuitvoerlegging van de maatregel ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van overeenkomstige toepassing verklaard door artikel 577b, eerste lid Wetboek van Strafvordering.

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die naar het oordeel van de rechtbank aanleiding geven voormeld bedrag te matigen.

De rechtbank zal op grond van het hiervoor overwogene en gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van eerder vermeld feit het hierna te noemen bedrag aan de Staat dient te betalen.

3.De beslissing

De rechtbank legt aan de veroordeelde de verplichting op om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van € 25.200,- (zegge vijfentwintigduizendtweehonderd euro).

4. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door

mr. Bijvoet,

mrs. Verpalen en Van Santen,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Lenssen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 december 2006.