Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4586

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
18-12-2006
Zaaknummer
15/600714-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

At. 6 WVW1994; art. 5 WVW1994; art. 9 lid 7 WVW1994; art. 8 WVW1994. Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan een reeks van overtredingen van voorschriften uit de Wegenverkeerswet 1994. Hij heeft in september 2005 zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden door bij nacht op een kruising door rood licht te rijden en linksaf te slaan. Daarbij is hij tegen een op de hem kruisende weg door groen licht rijdende auto gebotst. In deze auto bevonden zich twee inzittenden, waarvan er een zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Vervolgens heeft verdachte zich in oktober 2005 schuldig gemaakt aan gevaarzetting op de weg door met zeer hoge snelheid zowel buiten als binnen de bebouwde kom te rijden. Door deze gedragingen van verdachte kon de verkeersveiligheid in gevaar worden gebracht. Verdachte mag van geluk spreken dat dit gevaar zich niet daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Tenslotte heeft verdachte zich in december 2005 schuldig gemaakt aan het rijden in een personenauto op de openbare weg terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en terwijl hij te veel alcoholhoudende drank had genuttigd.

Verdachte heeft er naar het oordeel van de rechtbank ter terechtzitting onvoldoende blijk van gegeven inzicht te hebben in het onjuiste van zijn handelen en de (mogelijke) gevolgen daarvan voor andere weggebruikers. Verder verwerkt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte op geen enkele wijze heeft getracht contact te leggen met de slachtoffers van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Tenslotte neemt de rechtbank ten nadele van verdachte in aanmerking dat hij in het recente verleden reeds vele malen eerder ter zake van overtredingen uit de Wegenverkeerswetgeving met politie en justitie in aanraking is gekomen, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/600714-06

Uitspraakdatum: 15 december 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b WvSv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 december 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Aldus wordt aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op 23 september 2005 te Velsen-Noord in de gemeente Velsen, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over (de voor het openbaar verkeer openstaande weg) de [a-weg], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij toen daar rijdende over de noordoostelijke rijbaan van die weg, welke weg ter plaatse was gelegen buiten de bebouwde kom en op welke weg een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was toegestaan,

omstreeks 23.43 uur, in ieder geval op een tijdstip bij duisternis, gekomen nabij en/of ter hoogte van een in die weg gelegen kruising of splitsing met de [b-weg] en/of de [c-weg], roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onnadenkend en/of ondeskundig gereden, door niet te stoppen voor een in zijn rijrichting -te weten de voorsorteerstrook bestemd voor het linksaf slaande verkeer in de richting van de toerit naa[b-weg]- bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en vervolgens linksaf te slaan,

en/of

bij het afslaan naar links, teneinde de toerit naa[b-weg] in/op te rijden, het hem op dezelfde weg tegemoetkomend verkeer niet voor te laten gaan,

en/of

niet zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was dan wel behoorlijk uit te wijken voor het hem tegemoetkomende verkeer, maar dat kruisingsvlak op te rijden, terwijl toen een over de zuidwestelijke rijbaan van die weg rijdend motorrijtuig (personenauto) hem, verdachte, reeds zo dicht genaderd was, dat er een botsing/aanrijding is ontstaan tussen dat door hem bestuurde motorrijtuig en dat andere motorrijtuig,

waardoor de bestuurder en de inzittende van dat andere motorrijtuig, respectievelijk genaamd a) [slachtoffer 1] en b) [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel, te weten a) een snee van ongeveer 10 centimeter in de rechterknie en/of een hoeveelheid blauwe plekken en/of een hersenschudding en b) een op drie plaatsen gebroken rechterscheenbeen en/of een gebroken borstbeen, in elk geval zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben opgelopen, althans (telkens) zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is/zijn ontstaan;

subsidiair

hij op 23 september 2005 te Velsen-Noord in de gemeente Velsen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de (noordoostelijke rijbaan van de) [a-weg],

- welke weg ter plaatse was gelegen buiten de bebouwde kom en op welke weg een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was toegestaan,

- omstreeks 23.43 uur, in ieder geval op een tijdstip bij duisternis,

- gekomen nabij en/of ter hoogte van een in die weg gelegen kruising of splitsing met de [b-weg] en/of de [c-weg],

* niet is gestopt voor een in zijn rijrichting -te weten de voorsorteerstrook bestemd voor het linksaf slaande verkeer in de richting van de toerit naar de [b-weg]- bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en vervolgens linksaf is geslagen,

en/of

* bij het afslaan naar links, teneinde de toerit naar de [b-weg] in/op te rijden, het hem op dezelfde weg tegemoetkomend verkeer niet heeft laten voorgaan,

en/of

* niet zijn motorrijtuig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was dan wel behoorlijk is uitgeweken voor het hem tegemoetkomende verkeer, maar dat kruisingsvlak is opgereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

en/of

hij op of omstreeks 23 september 2005 te Velsen-Noord in de gemeente Velsen, als bestuurder van een voertuig op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [a-weg], geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleuring verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

en/of

hij op of omstreeks 23 september 2005 te Velsen-Noord in de gemeente Velsen, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [a-weg], bij het afslaan naar links, teneinde de toerit naar de [b-weg] in/op te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende personenauto niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

2.

primair

(parketnummer 600714-04)

hij op of omstreeks 26 oktober 2005 als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg(en),

- de [c-weg] te Oostzaan, met een (zeer) hoge snelheid, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 100 kilometer per uur heeft gereden en/of (vervolgens)

- de afslag in de richting van Purmerend en/of de [d-weg], komende vanaf de [c-weg] te Oostzaan en/of te Purmerend, althans in het arrondissement Haarlem, in de aldaar gelegen bocht, over een lange afstand (krachtig) heeft geremd, terwijl hij met (zeer) hoge, althans met een ter plaatse niet verantwoorde snelheid reed en/of (vervolgens)

- de [d-weg] te Purmerend, althans in het arrondissement Haarlem, met een snelheid van 177 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 120 kilometer per uur heeft gereden en/of (vervolgens)

- de [e-weg] in de gemeente Beemster en/of Purmerend, althans in het arrondissement Haarlem, met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

subsidiair

hij op of omstreeks 26 oktober 2005 te Purmerend, althans in het arrondissement Haarlem, buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [d-weg], welke weg als autosnelweg was aangeduid, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 177 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 120 kilometer per uur met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden;

3.

(parketnummer 600390-06)

hij op of omstreeks 19 december 2005 te Beverwijk als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en/of als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de [f-weg], een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;

4.

(parketnummer 600389-06)

hij op of omstreeks 19 december 2005 te Beverwijk als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 250 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan in die zin dat:

1.

primair

hij op 23 september 2005 te Velsen-Noord in de gemeente Velsen, als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [a-weg], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij toen daar rijdende over de noordoostelijke rijbaan van die weg, welke weg ter plaatse was gelegen buiten de bebouwde kom en op welke weg een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was toegestaan, omstreeks 23.43 uur, gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen kruising met de noordwestelijke afrit va[b-weg] en de noordwestelijke toerit naar de A22, in hoge mate onvoorzichtig en onoplettend gereden, door niet te stoppen voor een in zijn rijrichting - te weten de voorsorteerstrook bestemd voor het linksaf slaande verkeer in de richting van de toerit naa[b-weg] - bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en vervolgens linksaf te slaan,

en

bij het afslaan naar links, teneinde de toerit naa[b-weg] op te rijden, het hem op de [a-weg] tegemoetkomend verkeer niet voor te laten gaan,

en

niet zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was dan wel behoorlijk uit te wijken voor het hem tegemoetkomende verkeer, maar dat kruisingsvlak op te rijden, terwijl toen een over de zuidwestelijke rijbaan van die weg rijdende personenauto hem, verdachte, reeds zo dicht genaderd was, dat er een botsing is ontstaan tussen dat door hem bestuurde motorrijtuig en dat andere motorrijtuig, waardoor de inzittende van dat andere motorrijtuig, genaamd [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel, te weten een op drie plaatsen gebroken rechterscheenbeen en een gebroken borstbeen heeft opgelopen;

2.

primair

hij op 26 oktober 2005 als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op

- de [c-weg] te Oostzaan, met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 100 kilometer per uur heeft gereden en vervolgens

- op de afslag in de richting van de [d-weg], komende vanaf de [c-weg] in het arrondissement Haarlem, in de aldaar gelegen bocht, over een lange afstand heeft geremd, terwijl hij met een ter plaatse niet verantwoorde snelheid reed en vervolgens

- op de [d-weg] in het arrondissement Haarlem, met een snelheid van tenminste 177 kilometer per uur heeft gereden en vervolgens

- op de [e-weg] in de gemeente Beemster met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen kon worden veroorzaakt;

3.

hij op 19 december 2005 te Beverwijk als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de [f-weg], een motorrijtuig (personenauto) van de categorie waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;

4.

hij op 19 december 2005 te Beverwijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, 250 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair.

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

2 primair.

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

4.

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door negentig dagen hechtenis en een geldboete van tweeduizend euro bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door veertig dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie ter zake van feit 1 primair een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zestien maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, gevorderd.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van feit 2 primair wordt veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd euro bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Hoofdstraffen en bijkomende straf

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan een reeks van overtredingen van voorschriften uit de Wegenverkeerswet 1994. Hij heeft in september 2005 zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden door bij nacht op een kruising door rood licht te rijden en linksaf te slaan. Daarbij is hij tegen een op de hem kruisende weg door groen licht rijdende auto gebotst. In deze auto bevonden zich twee inzittenden, waarvan er een zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Vervolgens heeft verdachte zich in oktober 2005 schuldig gemaakt aan gevaarzetting op de weg door met zeer hoge snelheid zowel buiten als binnen de bebouwde kom te rijden. Door deze gedragingen van verdachte kon de verkeersveiligheid in gevaar worden gebracht. Verdachte mag van geluk spreken dat dit gevaar zich niet daadwerkelijk heeft gerealiseerd.

Tenslotte heeft verdachte zich in december 2005 schuldig gemaakt aan het rijden in een personenauto op de openbare weg terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en terwijl hij te veel alcoholhoudende drank had genuttigd.

Verdachte heeft er naar het oordeel van de rechtbank ter terechtzitting onvoldoende blijk van gegeven inzicht te hebben in het onjuiste van zijn handelen en de (mogelijke) gevolgen daarvan voor andere weggebruikers. Verder verwerkt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte op geen enkele wijze heeft getracht contact te leggen met de slachtoffers van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit.

Tenslotte neemt de rechtbank ten nadele van verdachte in aanmerking dat hij in het recente verleden reeds vele malen eerder ter zake van overtredingen uit de Wegenverkeerswetgeving met politie en justitie in aanraking is gekomen, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen.

Ten aanzien van de feiten 1 primair, 3 en 4

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd, zij het dat deze gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer gelegd hoeft te worden om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf van na te noemen aantal uren op zijn plaats.

De rechtbank acht naast de hoofdstraffen ook een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor na te noemen duur passend en geboden, zij het dat een deel daarvan vooralsnog niet ten uitvoer gelegd hoeft te worden om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw een soortgelijk feit te begaan. Anders dan is vervat in de vordering van de officier van justitie acht de rechtbank - gelet op het korte tijdsbestek waarin de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en de documentatie die verdachte de afgelopen jaren op het terrein van verkeersdelicten heeft opgebouwd - uit het oogpunt van verkeersveiligheid oplegging van een deels onvoorwaardelijke rijontzegging geboden. Het belang van de verkeersveiligheid weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs. Daarbij betrekt de rechtbank voorts dat het rijbewijs van verdachte vanaf 6 december 2005 voor vier maanden was ingehouden en dat dit niet tot verlies van zijn baan heeft geleid.

Ten aanzien van feit 2 primair

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat een geldboete van na te noemen hoogte moet worden opgelegd. De rechtbank acht naast deze hoofdstraf ook een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen passend en geboden, zij het dat deze vooralsnog niet ten uitvoer gelegd hoeft te worden om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw een soortgelijk feit te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 62 en 63;

Wegenverkeerswet 5, 6, 8, 9, 175 (oud), 176, 177 en 179.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Ten aanzien van de feiten 1 primair, 3 en 4

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderdtachtig uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door negentig dagen hechtenis.

Ten aanzien van feit 1 primair

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, met bevel dat vier maanden van deze straf niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van feit 2 primair

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Bijvoet, voorzitter,

mrs. Van Santen en Verpalen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Lenssen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 december 2006.