Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4442

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
319432 CV EXPL 06-7972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding. Tussen partijen heeft overleg plaatsgevonden over de medewerking van eiser als geluidsman aan een door gedaagde te produceren en door de RVU uit te zenden documentaire. Eiser stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de eenzijdige beëindiging door gedaagde van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst dan wel ten gevolge van het afbreken door gedaagde van de pre-contractuele onderhandelingen. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen, nu van de totstandkoming van de overeenkomst niet is gebleken en de beëindiging van de onderhandelingen gedaagde niet kan worden tegengeworpen, nu eiser zelf het bereiken van wilsovereenstemming tussen partijen heeft belet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr. 319432 CV EXPL 06-7972

datum uitspraak 13 december 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

Inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr L.Ch. Kranendonk

tegen

de besloten vennootschap FILMMIJ B.V.

te Driehuis

gedaagde

hierna te noemen Filmmij

gemachtigde mr Ch.E. Koster

De procedure

Voor de inhoud van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 26 juli 2006, met producties,

- de conclusie van antwoord van Filmmij, met producties,

- het tussenvonnis van de kantonrechter van 18 oktober 2006 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

- de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 14 november 2006 gehouden comparitie van partijen.

De feiten

In of omstreeks januari 2004 zijn partijen met elkaar in overleg getreden over de eventuele medewerking van [eiser] als geluidsman aan de door de RVU uit te zenden en door Filmmij te produceren documentaire “Hoezo Moeilijk?!”

De e-mail van Filmmij aan [eiser] van 1 juli 2004 luidt:

(…) Zou je je dagprijs en huidige apparatuur prijs nog even willen mailen? (…)

[eiser] antwoordt eveneens op 1 juli 2004 als volgt:

(…) mijn voorstel is om het gesprek even uit te stellen omdat ik nog niet met concrete cijfers kan komen; (…)

Oh, by the way: mijn dagprijs is normaal 280 euro; met mijn huidige standaardset bereken ik 68 euro pd. En een zender 57 euro. (…)

Bij e-mail van 16 juli 2004 schrijft Filmmij aan (onder andere) [eiser]:

(…) Voordat jullie met de noorderzon vertrekken richting het zuiden nog even het volgende. Wij zijn voornemens met filmen te starten in de week van 23 augustus (week 35) (…)

PS [eiser]: Zou je a.s. zondag ons de apparatuurprijs kunnen geven?

Bij (ongedateerde) brief van omstreeks eind juli 2004 schrijft [eiser] aan Filmmij:

Hallo M&M

(…)

Wat betreft de dagprijs; ik denk eerlijk gezegd dat ik die moet handhaven gezien de 100 dagen over zo’n 11 maanden zijn verdeeld. Dat zijn dan mijn inkomsten voor dat jaar; dwz: ik kan er mogelijk dagen van andere opdrachtgevers bij doen maar die kans is natuurlijk klein omdat ik in principe voor jullie productie tijd vrijmaak.

(…)

Ik zal vrijdag proberen een reëel beeld te geven van de huurprijzen.

(…)

Bij e-mail van 17 augustus 2004 schrijft Filmmij aan [eiser]:

Zoals afgesproken hierbij de overeenkomst voor het project “Hoezo moeilijk?!”. Lees het door en met eventuele vragen weet je me te bereiken. (…)

Artikel 2 van de concept overeenkomst luidt, voor zover van belang:

(…) verplicht de Producent zich aan Opdrachtnemer een vergoeding te betalen van € 280,-- per daadwerkelijk gewerkte draaidag, excl. BTW.

(…)

Voor de terbeschikkingstelling van de apparatuur voornoemd betaalt de Producent Opdrachtnemer een vergoeding van € 100,- per daadwerkelijk gewerkte draaidag, excl. BTW.

(…)

Bij het aangaan van deze overeenkomst voorzien partijen dat de werkzaamheden lopen van 23 augustus 2004 t/m 15 juli 2005, en neerkomen op ongeveer 100 draaidagen.

(…)

Opdrachtnemer dient gedurende de gehele productieperiode beschikbaar te zijn voor de overeengekomen werkzaamheden.

Bij e-mail van 19 augustus 2004 schrijft [eiser] aan Filmmij:

Hier een paar kanttekeningen bij het contract. (…)

De genoemde kanttekeningen van [eiser] luiden, voor zover relevant:

Artikel 2 vermeldt dat het honorarium inclusief overuren is; nu zullen er in de praktijk weinig overuren gedraaid worden denk ik maar zou dit toch graag veranderd zien in exclusief overuren a 150%.

(…)

De passage over voorafgaande toestemming qua andere opdrachtgevers zou ik graag aangevuld zien met dat de producent de vaste draaidagen een maand vantevoren bekend maakt: voorbeeld: op 1 september zou dan bekend moeten zijn hoe de tweede helft van de maand gepland gaat worden (…). Dit ivm de mogelijkheid om andere opdracht aan te kunnen nemen.

(…)

De e-mail van Filmmij van 22 augustus 2004 luidt, voor zover van belang:

Re: samenwerking opzeggen

Beste [eiser],

Ik vind communiceren via e-mail over onderhavige zaak niet gepast. Toch wil ik even kwijt dat de beslissing wellicht ‘ad hoc’ lijkt genomen maar mede gevoed wordt door de onderhandelingsgesprekken van voor jouw vakantie. [YYY]’s gevoel en ook die van mij, zeggen al sinds die tijd dat het zakelijk tussen ons niet ‘klikt’. Omdat het een lange en voor ons zeer belangrijke productie betreft luisteren wij juist naar ons gevoel. (…) De beslissing is dan ook weloverwogen en niet overhaast genomen. We blijven dan ook achter ons besluit staan. (…)

De verklaring van [XXX] van 27 april 2005 luidt, voor zover van belang:

(…)

op 30 juli 2004 heb ik, [XXX] -regisseur, [eiser] gebeld om te vragen of hij als geluidsman wilde werken voor een televisie productie onder de titel ‘Grenzeloos Genieten’ voor RTL 5. Het betrof opnames in Schotland van 19 tot 28 augustus 2004.

[eiser] heeft helaas bedankt aangezien hij reeds geboekt stond voor een andere productie.

(…)

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling van Filmmij tot betaling van € 4.180,-- aan schadevergoeding, € 746,13 aan in buitengerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

Primair stelt [eiser] hiertoe dat Filmmij aan hem opdracht heeft gegeven tot het doen van geluidswerkzaamheden voor de documentaire “Hoezo moeilijk?!”. De eenzijdige beëindiging van deze overeenkomst door [eiser] maakt Filmmij aansprakelijk voor de schade van € 4.180,--.

Subsidiair stelt [eiser] dat Filmmij de onderhandelingen rond 22 augustus 2004 niet mocht afbreken, nu [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een overeenkomst met Filmmij tot stand zou komen. Dit maakt Filmmij schadeplichtig.

[eiser] stelt dat de schade bestaat uit de door hem gemiste inkomsten uit de hierboven onder de feiten weergegeven opdracht van [XXX], te weten 11 dagen

á € 280,-- + € 100,-- per dag voor apparatuurgebruik, is € 4.180,--.

Het verweer

Filmmij betwist de vordering. Zij voert het formele verweer dat de dagvaarding moet worden nietig verklaard omdat het lichaam hiervan niet aansluit op de eis, zodat Filmmij moet gissen naar de grondslag van de vordering. [eiser] heeft daarnaast niet voldaan aan de wettelijke substantiëringsplicht.

Inhoudelijk voert Filmmij het volgende aan.

Op 17 augustus 2004 heeft Filmmij aan [eiser] de concept-overeenkomst van opdracht toegestuurd, waarin de inmiddels afgesproken dagprijs van € 280,-- en apparatuurprijs van € 100,-- zijn vastgelegd. Filmmij ging ervan uit dat [eiser] met de inhoud van de overeenkomst zou instemmen omdat alle voorwaarden in de periode daarvoor uitvoerig waren besproken: er is een klein budget, er worden ongeveer 100 draaidagen gemaakt, verspreid over het hele schooljaar 2004/2005, zodat [eiser] dat hele schooljaar op afroep beschikbaar zou moeten zijn. [eiser] kwam op 19 augustus 2004 op cruciale punten met tegenvoorstellen (planning draaidagen tevoren opgeven, 150% overwerkvergoeding). Het vertrouwen in [eiser] was hiermee weg.

Er is aldus geen wilsovereenstemming en dus geen overeenkomst tot stand gekomen. [eiser] vordert bovendien geen nakoming van enige overeenkomst.

Filmmij betwist verder dat Filmmij bij het afbreken van de onderhandelingen schadeplichtig heeft gehandeld. Filmmij heeft de belangen van [eiser] steeds in het oog gehouden en het is eerder Filmmij geweest die op de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen mocht vertrouwen dan [eiser]. Filmmij acht zich niet aansprakelijk voor enige schade aan de zijde van [eiser].

De beoordeling van het geschil

nietigheid van de dagvaarding

Het beroep van Filmmij op nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen. Uit het enkele feit dat Filmmij bij conclusie van antwoord uitvoerig verweer heeft gevoerd tegen de vordering van [eiser] volgt dat Filmmij door het ontbreken in de dagvaarding van de gronden van de eis en het door Filmmij gevoerde verweer kennelijk niet zodanig in haar belangen is geschaad dat deze gebreken tot nietigheid van de dagvaarding moeten leiden.

inhoudelijke beoordeling

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen, zoals [eiser] primair stelt.

De uiteindelijke wilsovereenstemming tussen Filmmij en [eiser] kan niet worden vastgesteld aan de hand van de feiten. Het op 17 augustus 2004 door Filmmij aan [eiser] toegezonden concept van de overeenkomst van opdracht heeft immers tot de hierboven onder de feiten weergegeven -voor Filmmij substantiële- wijzigingsvoorstellen van de zijde van [eiser] geleid. Daarop zijn de onderhandelingen door Filmmij afgebroken. Aldus is van de totstandkoming van een overeenkomst geen sprake.

Vervolgens staat ter beoordeling of de wijze waarop Filmmij de onderhandelingen met [eiser] heeft beëindigd haar aansprakelijk maakt voor de schade die [eiser] daardoor stelt te hebben geleden.

Op grond van de in de zomer van 2004 gewisselde e-mails en uit de toelichtingen van partijen ter gelegenheid van de comparitie kan als vaststaand worden aangenomen dat Filmmij en [eiser] zich er beiden van bewust waren dat [eiser] zich voor zijn deelname aan de productie "Hoezo moeilijk?!" een schooljaar lang permanent op afroep beschikbaar zou moeten houden, en dat daartegenover bovendien slechts een beperkt budget beschikbaar was. Verder kan worden vastgesteld dat partijen het kort voor 17 augustus 2004 uiteindelijk eens waren over de beloning van [eiser]: een dagtarief van € 280,-- en een apparatuurprijs van € 100,--. Deze bedragen zijn dan ook in de concept overeenkomst door Filmmij vastgelegd. Eveneens staat vast dat [eiser] wist dat Filmmij vanwege zijn fulltime beschikbaarheid voor een lange periode uiteindelijk heeft ingestemd met de door hem gevraagde beloning. [eiser] noemt dit punt zelf ook in zijn hierboven aangehaalde brief van eind juli 2004.

Door in reactie op het concept van de opdracht-overeenkomst een overwerkvergoeding van 150% te bedingen en een voorafgaande planning van de draaidagen te verlangen heeft [eiser] de intentie van de beoogde samenwerking miskend. Dat het vertrouwen van Filmmij in de samenwerking hierdoor zodanig is geschaad dat Filmmij de onderhandelingen heeft afgebroken, valt aan haar dan ook niet te verwijten.

[eiser] stelt in dit verband dat Filmmij bij de beslissing om de onderhandelingen stop te zetten heeft nagelaten om de belangen van [eiser] in die beslissing mee te wegen. Voor zover [eiser] hiermee bedoelt te stellen dat Filmmij er geen rekening mee heeft gehouden dat hij andere opdrachten door toedoen van Filmmij heeft gemist, kan dit standpunt niet worden gevolgd. Het staat immers vast dat [eiser] pas na de afbreking van de onderhandelingen aan Filmmij heeft meegedeeld dat hij een eventuele opdracht in Schotland heeft laten schieten. Met een voor Filmmij onbekend belang kan zij immers geen rekening houden. Voor het overige wordt deze stelling als niet onderbouwd verworpen.

[eiser] stelt verder dat het Filmmij niet vrijstond om de onderhandelingen af te breken nu [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zou komen. Hierdoor is Filmmij aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van de afgebroken contractsbesprekingen, aldus [eiser].

Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Het is immers [eiser] geweest die met

zijn wijzigingsvoorstellen het bereiken van wilsovereenstemming tussen partijen heeft belet. Het moet voor hem duidelijk zijn geweest dat hij er met zijn wijzigingsvoorstellen blijk van gaf niet akkoord te gaan met een samenwerking in de door Filmmij voorgestelde zin. Zoals hiervoor gezegd was het de bedoeling dat [eiser] zich voor een schooljaar geheel beschikbaar zou houden voor de werkzaamheden van de documentaire, tegen de tussen partijen afgesproken prijs. Met zijn commentaar op de concept-overeenkomst geeft [eiser] er blijk van dat hij zich in dat uitgangspunt (toch) niet kan vinden. Het kan onder deze omstandigheden dan niet aan Filmmij worden verweten dat zij vervolgens de onderhandelingen afbreekt. Dit brengt mee dat Filmmij ook niet aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt als gevolg hiervan heeft geleden.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vordering van [eiser] bij gebreke van een deugdelijke rechtsgrond moet worden afgewezen.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Filmmij tot en met vandaag worden begroot op € 400,-- aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Dubois en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.