Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4392

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-05-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
15/500478-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2 onder A Opiumwet, vrijspraak van de opzet op de invoer van de cocaine.

Ofschoon de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte de zojuist genoemde hoeveelheid opzettelijk heeft ingevoerd, is zij van oordeel dat het verdachte - gelet op de omstandigheden waaronder zijn vakantiereis werd georganiseerd - heeft ontbroken aan de vereiste waakzaamheid en eigen verantwoordelijkheid in een mate dat hem daarvan een stevig verwijt valt te maken. Zij zal dan ook de voor overtreding van het desbetreffende voorschrift maximaal bedreigde straf opleggen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot hechtenis voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: [nummer]

Uitspraakdatum: 11 mei 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 april 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 maart 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 20.036,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de

zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Overweging aangaande het bewijs

Anders dan de officier van justitie die opzettelijke invoer van 20 kilo cocaïne bewezen heeft geacht, is de rechtbank van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende stukken noch uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gegevens zijn te putten die kunnen leiden tot het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte opzettelijk het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij is tevens van opvatting dat toevoeging dan wel verduidelijking van onderzoeksgegevens, als - in voorwaardelijke zin - gevorderd respectievelijk verzocht van de zijde van de officier van justitie en de raadsman van verdachte, geen doorslaggevende wijziging zal kunnen aanbrengen in dat oordeel. Verdachte moet derhalve worden vrijgesproken voor zover het betreft het ten laste gelegde opzet.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan

in dier voege dat:

hij op 26 maart 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 20.036,30 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezen geacht dat verdachte het tenlastegelegde feit opzettelijk heeft gepleegd en gevorderd dat de rechtbank de verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfenveertig (45) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, te weten een koffer, een sporttas, rugtas, vliegticket, instapkaart, bagagelabel, noties en geldbedrag, verbeurd dienen te worden verklaard. Het paspoort kan aan de verdachte worden teruggegeven.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 20 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Ofschoon de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte de zojuist genoemde hoeveelheid opzettelijk heeft ingevoerd, is zij van oordeel dat het verdachte - gelet op de omstandigheden waaronder zijn vakantiereis werd georganiseerd - heeft ontbroken aan de vereiste waakzaamheid en eigen verantwoordelijkheid in een mate dat hem daarvan een stevig verwijt valt te maken. Zij zal dan ook de voor overtreding van het desbetreffende voorschrift maximaal bedreigde straf opleggen.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een koffer, een sporttas, twee rugzakken, een vliegticket, twee instapkaarten, een bagagelabel en notities, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren dan wel aan een ander die met het gebruik of de bestemming daarvan bekend was en het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen is begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot de straf van hechtenis voor de duur van ZES (6) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

3 1.00 STK Koffer Kl:meerkleurig, SAMSONITE

4 1.00 STK Tas Kl:meerkleurig, LOTTO sport

5 2.00 STK Rugzak Kl:meerkleurig, WILSON

7 1.00 STK Vliegticket, NORTH WEST 0125132176739

8 2.00 STK Instapkaart, NORTH WEST

9 2.00 STK Notitie en memo, 1 notitie met namen en 1 notitie met nummers

10 1.00 STK Label, bagage 0074kl744478

Gelast de teruggave aan verdachte van:

6 1.00 STK Paspoort, MEXICO [nummer]

11 Geld Nederlands, 2 x 500, 3 x 200, 5 x 50, 4 x 20

15 Geld buitenlands, 1 x 100 en 1 x 20 dollar

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Greuter en Kronenberg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Antonos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 mei 2006.

Mr Kronenberg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen