Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4255

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
06/2365
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor het opleggen van de aanslag forensenbelasting heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het appartement niet op meer dan 90 dagen voor eiser ter beschikking wordt gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/221
FutD 2006-2322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2365

Uitspraakdatum: 5 december 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zandvoort, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer 000000) Forensenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 825,00.

1.2. Na door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 29 december 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 2 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 7 februari 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006 te Haarlem, eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door Y (tante). Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A, bijgestaan door B.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is eigenaar van de aan de a-straat 1 te Zandvoort gelegen woning (het appartement). De onderwerpelijke aanslag heeft betrekking op dat appartement en is gebaseerd op de Verordening Forensenbelasting 2002 (de Verordening) van de gemeente Zandvoort.

2.2. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een volmacht. In deze volmacht staat onder andere vermeld:

“Volmachtgever

X

Inz. flat Zandvoort

b-straat 1

Q 00-00-0000

hierna te noemen: volmachtgever,

verklaart/verklaren hierbij volmacht te geven aan

Y

b-straat 1

Q

00-00-0000

hierna te noemen: gevolmachtigde,

om bij de C-bank

(....)

voor en namens volmachtgever:

a. door in ontvangstneming of op andere wijze, zoals door het afgeven van cheques, betalingsopdrachten of anderszins te beschikken over de tegoeden op de (mede) ten name van volmachtgever geopende rekening(en), nummer(s) 0000.00.000

(...)

Ondertekening

Plaats: R Datum 26-07-1997”

2.4. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een tweede volmacht gedateerd 26 januari 2004 ten behoeve van de C-bank, gevestigd te Q betrekking hebbend op hetzelfde bankrekeningnummer als in 2.3.

2.5. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een brief van 11 april 2005. In deze brief staat onder andere vermeld:

“In reactie op het onlangs van u ontvangen verzoek om meer informatie over de verhuur in 2004 stuur ik u bijgevoegd schema. (...)

Van Tot Naam

2/1 4/1 AA

16/1 18/1 AB

29/2 3/3 AC

4/3 6/3 AD

12/3 15/3 AE

9/4 12/4 AF

23/4 25/4 AG

25/4 29/4 AH

29/4 2/5 AI

3/5 8/5 AJ

12/5 14/5 AK

14/5 16/5 AL

16/5 20/5 AM

20/5 23/5 AB

23/5 27/5 AN

29/5 5/6 AO

5/6 12/6 AP

12/6 19/6 AQ

19/6 25/6 AR

25/6 27/6 AS

28/6 30/6 AD

1/7 3/7 AT

3/7 10/7 AU

10/7 11/7 AV

17/7 7/8 AW

7/8 14/8 AX

14/8 21/8 AY

21/8 28/8 AZ

28/8 4/9 BA

4/9 11/9 BB

11/9 13/9 BC

17/9 22/9 BD

24/9 26/9 BE

26/9 1/10 BF

1/10 3/10 BG

15/10 17/10 BH

17/10 23/10 BC

23/10 27/10 BI

29/10 31/10 BJ

3/11 30/11 BK

30/12 31/12 BJ”

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag forensenbelasting terecht is opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 223, eerste lid van de Gemeentewet luidt als volgt:

“Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.”

5.2. De aanslag is opgelegd overeenkomstig de Verordening forensenbelasting 2002 van de gemeente Zandvoort, vastgesteld in openbare raadsvergadering van 18 december 2001. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de bekendmaking heeft plaatsgevonden in de Zandvoorter of de Zandvoortse Courant. Een kopie van de bekendmaking heeft verweerder bij de stukken overgelegd.

5.3. Artikel 2, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:

“Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.”

5.4. Eiser is van mening dat de aanslag Forensenbelasting ten onrechte is opgelegd. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser ter zitting verklaard dat de verhuur van het appartement exclusief door zijn tante wordt geregeld, maar dat de huurbemiddeling niet in een schriftelijke overeenkomst is vastgelegd. Eiser woont in Z en werkt in S. Hij komt zelf af en toe in het appartement voor het verrichten van onderhoud. De intentie is toeristische verhuur. Het appartement is in 2004 verhuurd op verschillende data en aan verschillende personen zoals aangegeven op het onder 2.5 genoemde overzicht. De overeenkomsten komen steeds mondeling tot stand. Ter zitting heeft tante verklaard dat bij verhuur aan haar eigen kinderen en aan kennissen ook huur in rekening gebracht wordt omdat anders de servicekosten niet betaald kunnen worden.

5.5. Verweerder heeft ter zitting verklaard te twijfelen aan de juistheid van het onder 2.5 vermelde overzicht. Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat eiser onvoldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd om de huurovereenkomsten te onderbouwen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Op basis van het verhandelde ter zitting staat vast dat er steeds sprake is van mondelinge overeenkomsten. Een schriftelijke vastlegging is niet noodzakelijk voor de geldigheid van de huurovereenkomst. Eiser heeft gesteld dat verweerder onredelijke eisen stelt aan ander nader bewijsmateriaal om de verhuur aan te tonen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de verhuren onder andere zouden kunnen blijken uit de aangifte inkomstenbelasting van eiser. Ter zitting is uiteengezet dat inkomsten uit verhuur zoals bij onderhavige kwestie sinds 2001 niet uit een aangifte inkomstenbelasting blijken. Deze eis van verweerder is dan ook niet relevant. Aanvullend bewijs kan bestaan uit bankafschriften of andere betalingsbewijzen waaruit de ontvangen huur blijkt. Eiser heeft verweerder aangeboden om bankafschriften te overleggen. Verweerder heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt dat door eiser voldoende materiaal aangeboden is en dat het aan verweerder is om daarvan gebruik te maken.

5.6. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat door eiser aannemelijk is gemaakt dat het appartement niet op meer dan 90 dagen voor eiser ter beschikking wordt gehouden. Daarmee heeft eiser niet voldaan aan artikel 2, eerste lid, van de Verordening. De aanslag is derhalve onterecht opgelegd. Het beroep is gegrond.

5.7. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op:

Ter voorkoming van geschillen in de toekomst wordt eiser aangeraden naast een overzicht van de perioden waarin het appartement wordt verhuurd uit eigen beweging over te leggen betaalbewijzen waaruit blijkt dat over die perioden is betaald. Daarnaast kan eiser aan verweerder meer duidelijkheid verschaffen door een verklaring over te leggen over de dagen dat hijzelf, dan wel derden zonder betaling, in het appartement hebben doorgebracht.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van de onderhavige procedure gesteld op de reiskosten van eiser om de zitting van 21 augustus 2006 bij te wonen. De rechtbank stelt de kosten per openbaar vervoer 2e klasse afgerond op € 30 (tweemaal retour Z - Haarlem met 6 strippen). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot nihil en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 30, onder aanwijzing van de gemeente Zandvoort die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de gemeente Zandvoort het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 december 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.