Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4246

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
312581 CV EXPL 06-5438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is vanaf 1 januari 2006 de werkzaamheden gaan verrichten, die in 2005 in opdracht van gedaagde werden uitgevoerd door een eenmanszaak . Eiseres vordert (in conventie) betaling van de in 2005 door de eenmanszaak verrichte werkzaamheden. Gedaagde heeft een tegenvordering uit hoofde van onverschuldigde betaling ingesteld. Aangezien niet is voldaan aan het vereiste van art.6:159 lid 1 BW, is geen sprake van een rechtsgeldige contractsoverneming, zodat de aan de eenmanszaak toekomende vorderingen niet op de BW zijn overgegaan en gedaagde een aan de eenmanszaak toekomend bedrag onverschuldigd aan de BV heeft betaald. De vordering in conventie wordt afgewezen en de vordering in reconventie wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 312581/ CV EXPL 06-5438

datum uitspraak: 6 december 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap EVERARDUS CORNELIS & WILLEM B.V.

te Elburg

handelende onder de naam RT & S Express Logistics

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

hierna te noemen ECW

gemachtigde Rietman & Partners

tegen

de besloten vennootschap SPEEDLINK WORLDWIDE EXPRESS B.V.

te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

hierna te noemen Speedlink

gemachtigde mr. S.H.D.B. van der Veer

IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

De procedure

ECW heeft Speedlink op 24 mei 2006 gedagvaard en gevorderd (in conventie) conform de dagvaarding. Speedlink heeft geantwoord en een tegenvordering (in reconventie) ingesteld.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, hebben partijen over en weer schriftelijk gereageerd, ECW als laatste.

De feiten

1. In november en december 2005 heeft de eenmanszaak RT & S Express Logistics (hierna: RT & S) in opdracht en voor rekening van Speedlink transportwerkzaamheden verricht.

2. RT & S wordt blijkens een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel Amsterdam gedreven voor rekening van [XXX] (hierna: [XXX]).

1. RT & S heeft Speedlink bij facturen van 2, 9, 16, 23 en 31 december 2005 achtereenvolgens € 227,05, € 472,57, € 364,57, € 572,24 en € 255,59 in rekening gebracht. Op de facturen staan (onder meer) naam, adres, telefoon- en faxnummer, e-mail adres en bankrekeningnummer van RT & S vermeld.

4. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel Amsterdam is op 30 december 2005 aan ECW de handelsnaam RT & S Express Logistics toegevoegd.

1. Bij facturen van 6, 13, 20 en 27 januari 2006 en van 3 en 9 maart 2006, gesteld op hetzelfde briefpapier en voorzien van dezelfde naam, hetzelfde (e-mail)adres en dezelfde bank-, telefoon- en faxnummers als de facturen van december 2005, zijn aan Speedlink bedragen van achtereenvolgens € 345,55, € 182,27, € 370,85, € 302,74, € 158,63 en € 213,18 in rekening gebracht.

6. Speedlink heeft geen van de in december 2005 en januari 2006 ontvangen facturen binnen de daarop vermelde termijn van 8 dagen voldaan.

7. Op 27 januari 2006 heeft Speedlink aan [XXX] opdracht gegeven om op die dag een transport naar Duitsland te verzorgen. Het transport is niet uitgevoerd, omdat de chauffeur vergeten heeft de zending op te halen.

1. Bij factuur van 31 januari 2006 heeft Speedlink een factuur van € 942,27 aan RT & S gezonden.

9. Bij brief van 1 maart 2006 heeft RT & S de factuur van 31 januari 2006 aan Speedlink teruggezonden, waarbij zij heeft opgemerkt Speedlink “geen opdracht of toestemming” te hebben gegeven tot het verrichten van werkzaamheden.

10. Na door de gemachtigde van ECW tot betaling te zijn aangemaand, heeft Speedlink op 16 maart 2006 een bedrag van € 2.522,97 voldaan.

11. Bij brief van 16 maart 2006 heeft de gemachtigde van ECW Speedlink gesommeerd tot betaling van het restant van de hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.

12. Bij brief van 21 maart 2006 heeft Speedlink aan de gemachtigde van ECW laten weten dat er sprake is van een verrekening met een bedrag van € 942,27.

IN CONVENTIE

De vordering van ECW

ECW vordert (samengevat) veroordeling van Speedlink tot betaling van € 1.419,34. ECW stelt daartoe het volgende.

ECW heeft Speedlink in totaal een bedrag van € 3.465,24 in rekening gebracht in verband met door ECW in opdracht van Speedlink verrichte transportwerkzaamheden. Omdat Speedlink de facturen niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan, is zij ingevolge de op de overeenkomsten toepasselijke voorwaarden, de wettelijke rente verschuldigd. Deze bedraagt, berekend tot 24 mei 2006, € 27,07.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft Speedlink ECW genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. ECW heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 450,00. Deze kosten komen ingevolge de toepasselijke voorwaarden dan wel krachtens de wet voor rekening van Speedlink.

Op het totaal verschuldigde van € 3.942,31, kan het door Speedlink op 16 maart 2006 betaalde bedrag in mindering strekken.

Het verweer

Speedlink betwist de vordering. Zij voert daartoe het volgende aan.

Speedlink heeft altijd zaken gedaan met [XXX]. Alle contacten liepen via hem. Speedlink heeft nimmer vernomen dat ECW in plaats van RT & S de transporten zou uitvoeren. Speedlink heeft dat ook niet uit de facturen kunnen opmaken, aangezien die alle op identiek briefpapier met dezelfde gegevens zijn gesteld. Speedlink heeft steeds in de veronderstelling verkeerd dat zij het bedrag van € 2.522,97 aan RT & S heeft betaald. Het is Speedlink eerst nu gebleken dat ECW vanaf januari 2006 de transporten is gaan uitvoeren.

Speedlink is voor de door ECW verrichte transporten het totaal van de facturen van 2006, te weten een bedrag van € 1.573,22, verschuldigd. ECW heeft niets meer van Speedlink te vorderen, nu zij reeds een bedrag van € 2.522,97, derhalve € 949,75 teveel, van Speedlink heeft ontvangen.

Voorts betwist Speedlink de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten, nu zij terstond na de eerste aanmaning heeft betaald en de incassowerkzaamheden derhalve niet meer inhouden dan een enkele sommatiebrief.

De beoordeling van het geschil

Het door Speedlink gevoerde verweer komt er in de kern op neer, dat zij slechts vanaf het moment dat ECW de transportwerkzaamheden overnam van RT & S, jegens ECW tot betaling gehouden is en dat ECW, nu Speedlink het volledige aan ECW toekomende bedrag heeft voldaan, niets meer van Speedlink te vorderen heeft.

Uit hetgeen ECW als reactie op het verweer van Speedlink heeft betoogd, maakt de kantonrechter op dat volgens ECW ten gevolge van de overgang van RT & S alle rechten van RT & S op haar zijn overgegaan, zodat zij met betrekking tot het totale factuurbedrag een vorderingsrecht op Speedlink heeft. ECW beroept zich, met andere woorden, op contractsoverneming.

Gesteld noch gebleken is dat RT & S op de wijze als genoemd in artikel 6:159 lid 1 BW, dat wil zeggen door middel van een akte, haar rechtsverhouding tot Speedlink op ECW heeft overgedragen. De enkele inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van RT & S als handelsnaam van ECW is voor een rechtsgeldige contractsoverneming niet voldoende. Dit leidt tot de conclusie dat de aan RT & S toekomende vorderingen niet op ECW zijn overgegaan. Aan ECW komt derhalve geen vorderingsrecht toe met betrekking tot de door RT & S in haar hoedanigheid van eenmanszaak in opdracht van Speedlink in 2005 verrichte werkzaamheden.

Aan het gedeelte van de vordering dat ziet op betaling van het restant factuurbedrag, ontbreekt derhalve de rechtsgrond, zodat het zal worden afgewezen.

Wel is toewijsbaar het gedeelte van de vordering strekkende tot betaling van rente, althans voor zover betrekking hebbende op de facturen ter zake van de door ECW uitgevoerde transportwerkzaamheden, nu Speedlink met tijdige betaling van die facturen in verzuim is gekomen. De wettelijke rente is toewijsbaar telkens vanaf de dag van opeisbaarheid van de onderscheiden facturen.

Voor toewijzing van de buitengerechtelijke kosten is geen aanleiding, nu van meer omvattende werkzaamheden dan het versturen van de enkele sommatiebrief van 10 maart 2006 niet is gebleken.

ECW zal als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

IN RECONVENTIE

De vordering van Speedlink

Speedlink vordert (samengevat) veroordeling van ECW tot betaling van € 949,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2006 en van € 942,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2006. Speedlink stelt daartoe het volgende.

ECW heeft ter zake van de door haar uitgevoerde transportwerkzaamheden slechts een bedrag van € 1.573,22 van Speedlink te vorderen. De facturen uit 2005 ten bedrage van in totaal € 1.892,20 zijn verschuldigd aan de eenmanszaak RT & S. Speedlink kan laatst genoemde facturen slechts bevrijdend aan de eenmanszaak RT & S betalen, nu zij nimmer een mededeling heeft ontvangen dat RT & S haar vorderingen op ECW heeft overgedragen.

ECW beschouwt de betaling van het bedrag van € 2.522,97 klaarblijkelijk als een betaling aan haarzelf. In dat geval heeft Speedlink een bedrag van (€ 2.522,97 - € 1.573,22 =) € 949,75 onverschuldigd aan ECW betaald. Speedlink vordert dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop Speedlink het bedrag van € 2.599,97 heeft betaald.

ECW is als feitelijk vervoerder toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door het transport naar Duitsland te vergeten. Speedlink was daardoor genoodzaakt een spoedtransport te organiseren ten einde de goederen tijdig af te leveren. Speedlink heeft ten gevolge van de tekortkoming van ECW schade geleden, bestaande uit de kosten van het spoedtransport, te weten € 942,27. ECW dient deze schade te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2006.

Het verweer

ECW betwist de vordering. Zij voert daartoe het volgende aan.

Speedlink maakt de zaak nodeloos ingewikkeld. De eenmanszaak RT & S is in 2005 overgegaan naar ECW, zodat vanaf dat moment de werkzaamheden die aanvankelijk door RT & S werden verricht, door ECW zijn overgenomen. ECW heeft aan de overgang geen ruchtbaarheid gegeven. Speedlink doet het voorkomen alsof ECW daarmee kwade bedoelingen zou hebben gehad. ECW betwist dit uitdrukkelijk. Speedlink heeft steeds facturen ontvangen van RT & S, als eenmanszaak dan wel als handelsnaam van ECW. Van onverschuldigde betaling aan ECW is derhalve geen sprake.

De werkzaamheden zijn, met uitzondering van het transport naar Duitsland, steeds naar tevredenheid van Speedlink verricht. Speedlink heeft geen recht op de door haar gevorderde schadevergoeding, nu zij ECW niet in de gelegenheid heeft gesteld om het transport naar Duistland alsnog zelf uit te voeren, maar in plaats daarvan een derde heeft ingeschakeld.

De beoordeling van het geschil

Hetgeen hiervoor in conventie is overwogen en beslist leidt ertoe, dat door Speedlink aan ECW een bedrag van (€ 2.522,97 - € 1.573,22 =) € 949,75 onverschuldigd is betaald, nu niet is komen vast te staan dat ECW uit hoofde van haar rechtsverhouding met Speedlink recht had op betaling door Speedlink van meer dan het door haar in rekening gebrachte bedrag van € 1.573,23.

Dit gedeelte van de vordering is derhalve toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente, nu ECW daartegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd.

Met betrekking tot het door Speedlink gevorderde bedrag uit hoofde van schadevergoeding, slaagt het verweer van ECW. Voor vergoeding van schade op grond van toerekenbaar niet-nakomen van een verbintenis is nodig, dat de wederpartij in verzuim is. Dat is eerst het geval na ingebrekestelling, tenzij er sprake is van een fatale termijn of duidelijk is dat de debiteur niet na zal komen. In confesso is dat Speedlink ECW nimmer in gebreke heeft gesteld, terwijl Speedlink tegenover het gemotiveerde verweer van ECW, niet aannemelijk heeft gemaakt, dat ECW er niet meer in zou zijn geslaagd om het transport alsnog tijdig uit te voeren, zodat er sprake is van een fatale termijn. Dat ECW zou hebben geweigerd om na te komen is evenmin gesteld of gebleken. Voor vergoeding door ECW van de door Speedlink gestelde schade, is dan ook geen grond, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie

- veroordeelt Speedlink tot betaling aan ECW van de wettelijke rente over € 1.573,22 telkens vanaf de dag van opeisbaarheid van de onderscheiden facturen tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt ECW tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Speedlink tot en met vandaag worden begroot op € 300,00;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders mocht zijn gevorderd.

In reconventie

- veroordeelt ECW tot betaling aan Speedlink van € 949,75 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 maart 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- verstaat dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af hetgeen meer of anders mocht zijn gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.