Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4216

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
05-5792
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser kan geen aanspraak maken op het begunstigend beleid van de Belastingdienst/Limburg omdat er geen sprake van een landelijk gevoerd begunstingend beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/20.7 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5792

Uitspraakdatum: 12 december 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

mr. X, wonende te Z,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 28 mei 2005 aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.733.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2005 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 27 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op 28 oktober 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2006. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen Y.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overlegd aan de rechtbank en aan verweerder. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

2.1. Eiser, is geboren op 26 september 1947. Hij is van beroep advocaat, werkzaam bij een maatschap te P.

2.2. Eiser heeft een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.733.

2.3. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag eisers aangifte gevolgd.

3. Geschil

In geschil is of de hoogte van het door verweerder gehanteerde heffingspercentage van de inkomstenbelasting op grond van het gelijkheidsbeginsel moet worden verminderd naar 3%.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil de hoogte van het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2002 ten bedragen van € 110.733. Voorts is niet in geschil dat over het jaar 2002 verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen overeenkomstig de voor dat jaar geldende tarieven is vastgesteld.

4.1. Eiser stelt dat de Belastingdienst/Limburg het onder de naam “Vinkenslagbeleid” bekend geworden beleid voerde dat bepaalde belastingplichtigen per jaar € 3.000 belasting moesten betalen, dat dit een begunstigende beleid is en dat op grond van het gelijkheidsbeginsel ook te zijnen aanzien moet worden toegepast.

4.2. Verweerder stelt daartegenover dat noch hij, noch de Belastingdienst/Limburg het door eiser omschreven beleid voerde. Wel hebben individuele belastingambtenaren (naar de rechtbank begrijpt: namens verweerder van de Belastingdienst/Limburg) met betrekking tot bepaalde belastingplichtigen, die zich hebben gevestigd in een woonwagenkamp, overeengekomen dat een percentage van de omzet van de handel in tweedehands auto’s en auto-onderdelen als winst uit onderneming zou worden belast, zonder dat hieraan een volledige, sluitende en betrouwbare administratie ten grondslag lag. Verweerder stelt dat eiser zich niet op deze afspraken kan beroepen, omdat hij niet tot de doelgroep behoort. Bovendien werden deze afspraken gemaakt door de Belastingdienst/Limburg en niet door verweerder.

4.3. De rechtbank acht niet aannemelijk dat er sprake is van begunstigend beleid dat landelijk gevoerd is. Niet gesteld of gebleken is dat hier sprake is van een beleid dat wordt gecoördineerd op een hoger niveau dan dat van alleen de betrokken eenheid van de Belastingdienst of dat een behoorlijke taakvervulling van de verschillende eenheden van de Belastingdienst meebrengt dat op het desbetreffende punt onderlinge afstemming van beleid plaatsvindt. Indien al sprake is van een beleid van verweerder van de Belastingdienst/Limburg, is verweerder onder deze omstandigheden daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet gebonden, nu het beleid niet door hem werd gevoerd, maar door een ander bestuursorgaan.

4.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 december 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. M. Put, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.