Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4200

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
129097 - KG ZA 06-518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Wanneer een AWBZ-verzekerde schade lijdt waarvoor een ander aansprakelijk is en de schade onder meer bestaat uit behoefte aan huishoudelijke hulp waarvoor de verzekerde een indicatie voor een persoonsgebonden budget (PGB) ontvangt, is deze verzekerde in het kader van zijn schadebeperkingsplicht in beginsel gehouden om van dat PGB gebruik te maken. In beginsel is de aansprakelijke persoon derhalve niet gehouden tot vergoeding van verstrekkingen die een zorgbehoevende schuldeiser zelf kan inkopen met het aan hem toegekende PGB. Van de schuldeiser kan in dergelijke omstandigheden verwacht worden dat hij zich in redelijke mate inspant om de benodigde zorg te betrekken uit de markt of uit zijn vriendenkring en deze te betalen met het PGB. Indien uiteindelijk geen zorg wordt ingekocht met het PGB, zal het zorgkantoor dat terugvorderen. Wanneer de zorgbehoevende aannemelijk maakt dat hij er buiten zijn schuld niet in is geslaagd om zorg in te kopen, is de schadebeperkingsplicht in zoverre uitgewerkt. De verplichting van een schuldeiser om zijn schade te beperken gaat niet zo ver dat hij, wanneer aannemelijk zou zijn dat hij het PGB buiten zijn schuld niet kan aanwenden, in plaats daarvan onbeperkt en zonder vergoeding gebruik moet maken van de huishoudelijke diensten van zijn partner.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 65a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 129097 / KG ZA 06-518

Vonnis in kort geding van 5 december 2006

in de zaak van

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. B. Wernik,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H.K. Garvelink,

advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 9 september 2003 is [eiseres] in haar rechterhand gebeten door de hond van [gedaagde]. Als gevolg daarvan heeft [eiseres] schade geleden die er onder meer uit bestaat dat het gebruik van haar rechterhand beperkt is.

2.2. Namens [gedaagde] heeft diens aansprakelijkheidsverzekeraar Fortis ASR (hierna: Fortis) de aansprakelijkheid voor de door [eiseres] geleden schade erkend.

2.3. [eiseres] heeft bij het Indicatie Adviesbureau Nederland een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) om daarmee te kunnen voorzien in de voor haar noodzakelijke huishoudelijke zorg. Op basis van de aanvraag is op 20 oktober 2004 aan [eiseres] een indicatiestelling afgegeven waarbij is uitgegaan van een hulpbehoefte van 7 tot 9,9 uren per week aan huishoudelijke hulp.

2.4. Bij beschikking van het Zorgkantoor Rotterdam/Kennemerland d.d. 3 november 2005 is aan [eiseres] met terugwerkende kracht een PGB toegekend over de periode 18 juni 2004 tot en met 31 december 2004.

2.5. Bij beschikking van het Zorgkantoor Rotterdam/Kennemerland d.d. 3 november 2005 is aan [eiseres] met terugwerkende kracht een PGB toegekend over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005.

2.6. Bij beschikking van het Zorgkantoor Rotterdam/Kennemerland d.d. 20 december 2005 is aan [eiseres] een PGB toegekend over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006.

2.7. Bij brief d.d. 11 augustus 2006 heeft het Zorgkantoor Rotterdam/Kennemerland (hierna: het Zorgkantoor) aan [eiseres] geschreven dat [eiseres] de Regeling persoonsgebonden budget nieuwe stijl 2005 niet heeft nageleefd, omdat zij heeft nagelaten de verantwoordingsformulieren over het jaar 2005 aan het Zorgkantoor terug te sturen en dat het over 2005 en 2006 toegekende PGB daarom zal worden teruggevorderd.

2.8. Bij brief d.d. 15 september 2006 heeft het Zorgkantoor aan [eiseres] meegedeeld dat haar PGB beëindigd is per ingangsdatum 18 juni 2004 en dat de eerder door [eiseres] ontvangen voorschotten ten bedrage van in totaal € 15.000,17 door het Zorgkantoor worden teruggevorderd.

2.9. In de periode dat het PGB aan [eiseres] was toegekend heeft de partner van [eiseres] de huishoudelijke taken verricht.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 15.000,17 bij wijze van voorschot op de schadepost ter zake huishoudelijke hulp, vermeerderd met rente en kosten.

1.2. [eiseres] heeft ter toelichting aangevoerd dat zij heeft getracht om in het kader van het aan haar verleende PGB huishoudelijke hulp te betrekken via de officiële thuiszorg en via vrienden en bekenden, maar dat zij daarin niet is geslaagd. Uiteindelijk is de door [eiseres] benodigde zorg verleend door haar partner. Hij wenst echter niet te worden aangemerkt als zorgverlener in het kader van het PGB uit angst om zijn WAO-uitkering te verliezen en heeft derhalve de verantwoordingsformulieren ten behoeve van het zorgkantoor niet ondertekend. Niet in geschil is dat als gevolg daarvan, wat daar verder ook van zij, het zorgkantoor het aan [eiseres] verleende PGB heeft teruggevorderd.

1.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen staat vast dat de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van het beperkte gebruik van haar hand er onder meer uit bestaat dat [eiseres] hulp nodig heeft bij het huishouden. Tevens staat vast dat [gedaagde] aansprakelijk is voor deze schade.

4.2. [gedaagde] heeft betoogd dat het mogelijk is dat de hulpbehoefte van [eiseres] vergroot is doordat [eiseres] in juni 2005 bij een val van de trap voetletsel heeft opgelopen. Voor zover [eiseres] als gevolg van het letsel aan haar voet beperkingen ondervindt die tot een zelfde of een grotere hulpbehoefte leiden als de beperkingen als gevolg van de hondenbeet, is volgens [gedaagde] sprake van doorbreking van het causaal verband.

4.3. Vast staat dat de behoefte van [eiseres] aan huishoudelijke zorg in het indicatiebesluit d.d. 20 oktober 2004, derhalve vóór het ontstaan van het voetletsel, is vastgesteld op 7 tot 9,9 uren per week. Gesteld noch gebleken is dat deze behoefte intussen is gewijzigd. [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat de problemen als gevolg van het voetletsel thans min of meer over zijn. Op grond van deze vaststellingen wordt aangenomen dat de inschatting in het indicatiebesluit ook thans nog een redelijke benadering is van de aan de hondenbeet toe te rekenen toename van de behoefte aan huishoudelijke zorg. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd doet daaraan niet af dat bij de indicatiestelling mede wordt afgegegaan op mededelingen van de betrokkene.

4.4. Namens [gedaagde] is verder aangevoerd dat [eiseres] in deze zorg kan voorzien door een beroep te doen op de AWBZ, zodat zij daarvoor niet [gedaagde] of diens WA-verzekeraar kan aanspreken. Omtrent dit verweer wordt als volgt overwogen.

4.5. Ingevolge artikel 5 lid 1 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (hierna: AWBZ) is iedere ingezetene van Nederland verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de AWBZ. Iedere AWBZ-verzekerde voor wie zulks geïndiceerd is door het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: CIZ) kan ingevolge de AWBZ, het Besluit zorgaanspraken AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ aanspraak maken op een PGB om te voorzien in de noodzakelijke huishoudelijke hulp. De verzekerde kan een PGB gebruiken om bij een (commerciële) instelling zorg in te kopen dan wel om bekenden te betalen om de benodigde zorg te verlenen.

4.6. In een geval als het onderhavige geldt in het algemeen dat bij het vaststellen van de schadevergoeding van belang is of aan de verzekerde een PGB is dan wel wordt toegekend. Wanneer een AWBZ-verzekerde schade lijdt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is en de schade onder meer bestaat uit behoefte aan huishoudelijke hulp waarvoor de verzekerde een indicatie voor een PGB ontvangt van het CIZ, is deze verzekerde in het kader van zijn schadebeperkingsplicht in beginsel gehouden om van dat PGB gebruik te maken. In het kader van de voordeelstoerekening is in artikel 65a van de AWBZ bovendien bepaald dat de rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop een verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken, rekening houdt met de aanspraken die de verzekerde krachtens de AWBZ heeft.

4.7. Gezien het voorgaande is de aansprakelijke persoon in beginsel niet gehouden tot vergoeding van verstrekkingen die een zorgbehoevende schuldeiser zelf kan inkopen met behulp van het aan hem toegekende PGB. Van de schuldeiser kan in dergelijke omstandigheden verwacht worden dat hij zich in redelijke mate inspant om de benodigde zorg te betrekken uit de markt of uit zijn kring van vrienden en bekenden en deze te betalen met het PGB.

Indien een schuldeiser geen zorg inkoopt met het PGB, zal het zorgkantoor het PGB terugvorderen. De schade van de schuldeiser wordt dan niet langer gedekt door het PGB. Indien de zorgbehoevende in dat geval aannemelijk maakt dat hij zich voldoende heeft ingespannen om zorg in te kopen, maar daarin buiten zijn schuld niet is geslaagd, is de schadebeperkingsplicht in zoverre uitgewerkt.

4.8. [eiseres] heeft gesteld dat zij min of meer noodgedwongen een beroep op haar partner heeft moeten doen, omdat zij zorg heeft kunnen inkopen. Zij heeft dit betoog tegenover betwisting door [gedaagde] echter niet aannemelijk gemaakt. Met name is niet inzichtelijk geworden dat [eiseres] zich voldoende heeft ingespannen om huishoudelijke hulp te verkrijgen die zij had kunnen betalen met het PGB. Aldus is ook onvoldoende aannemelijk dat [eiseres] gedwongen was om voor de noodzakelijke huishoudelijke hulp haar partner in te schakelen. Geoordeeld moet dan ook worden dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht.

4.9. Voor zover in het betoog van [gedaagde] bvesloten ligt dat van de partner van [eiseres] hoe dan ook de klaarblijkelijk feitelijk al geleverde bijdrage in de huishoudelijke zorgtaken mag worden verwacht, en dat derhalve geen sprake is van schade, wordt het volgende opgemerkt.

4.10. Indien iemand tengevolge van een gebeurtenis waarvoor een derde persoon aansprakelijk is huishoudelijke taken niet meer zelf kan verrichten c.q. behoefte krijgt aan huishoudelijke zorg die voor die gebeurtenis niet nodig was, is de aansprakelijke van de aanvang af verplicht de gekwetste in staat te stellen zich van die noodzakelijke zorg te voorzien. Indien op redelijke gronden -bijvoorbeeld omdat er geen alternatief voorhanden is- wordt gekozen voor voorziening in die zorg door de partner, staat het de rechter vrij om bij de begroting van de schade te abstraheren van de omstandigheid dat de betrokken zorgtaken in feite niet door betaalde hulpverleners worden verricht. (HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564). Dit brengt mee dat de verplichting van [eiseres] om haar schade te beperken niet zo ver gaat dat zij, wanneer aannemelijk zou zijn dat zij het PGB buiten haar schuld niet kan aanwenden, in plaats daarvan onbeperkt en zonder vergoeding gebruik moet maken van de diensten van haar partner.

4.11. Ter zitting heeft [eiseres] meegedeeld dat zij het PGB grotendeels nog onder zich heeft, omdat zij dit niet heeft uitgegeven aan de door haar gewenste zorg. [eiseres] kan de vordering van het Zorgkantoor als beschreven in 2.8 derhalve grotendeels voldoen en heeft ook aldus bezien in zoverre feitelijk geen schade geleden. Van het gedeelte van het PGB dat [eiseres] wel heeft uitgegeven kan in het bestek van dit kort geding niet worden vastgesteld of dit is besteed aan inkoop van de door [eiseres] benodigde zorg, zoals [eiseres] heeft gesteld. Indien dat het geval is, zal zij dat aan het Zorgkantoor moeten kunnen verantwoorden en behoeft zij de betrokken gelden niet terug te betalen. Indien dat niet het geval is, zal het door [eiseres] aan het gezinsbudget zijn toegevoegd en zal het moeten worden terugbetaald. Voor zover [eiseres] dit bedrag ziet als vergoeding voor zorg die door de partner is verleend, stuit een vordering tot vergoeding af op hetgeen in 4.8 is overwogen.

4.12. Gezien het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

4.13. Nu het erop lijkt dat de hulpbehoefte van [eiseres] als gevolg van de hondenbeet niet binnen afzienbare tijd zal zijn verminderd, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging om afspraken te maken over een onderzoek naar de mogelijkheden om in het kader van een nieuw aan te vragen PGB door inkoop van huishoudelijke hulp op de markt duurzaam in de zorgbehoefte van [eiseres] te voorzien.

Die afspraken zouden in het bijzonder betrekking moeten hebben op de vraag welke pogingen ondernomen moeten zijn, alvorens de conclusie gerechtvaardigd is dat het inkopen van zorg op de markt niet mogelijk is.

Indien en zodra mocht blijken dat het inkopen van zorg op de markt voor [eiseres] niet mogelijk is, zouden partijen een eindregeling kunnen treffen op basis van het uitgangspunt dat aannemelijk lijkt dat in de zorgbehoefte van [eiseres] zal worden voorzien op basis van mantelzorg door haar partner. Gezien hetgeen hiervoor sub 4.10 is overwogen, is toekenning van een vergoeding dan op zijn plaats. Bij de vaststelling van die vergoeding komt het redelijk voor uit te gaan van het aantal zorguren zoals vastgesteld in het indicatiebesluit en af te rekenen op basis van het tussen partijen al besproken mantelzorgtarief van € 8,-- per uur.

1.14. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

1.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op EUR 248,00 aan verschotten en EUR 816,00 aan procureurssalaris.

1.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2006.?