Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4172

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
15/601740-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak art. 6 WVW1994; overtreding van artikel 5 van de WVW1994. Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte heeft op die bewuste dag de file waarin zij was terechtgekomen willen verlaten om terug te rijden in de richting waar zij vandaan kwam. Zij heeft daartoe op een rechts van de weg gelegen oprit haar auto gekeerd en is vervolgens zeer langzaam tussen de stilstaande auto’s door de weg weer opgereden. Zodra zij op het punt was gekomen waar zij zicht had op eventueel van rechts komend verkeer heeft zij haar auto tot stilstand gebracht en heeft naar rechts gekeken om er zeker van te zijn dat van die kant geen verkeer kwam. Op dat moment stond verdachte met de voorzijde van haar auto zo'n 70 centimeter over de middenas van de [A-weg]. Een van links komende motorrijder, die het aldaar geldende inhaalverbod negeerde en links langs de file reed, is tegen de stilstaande auto van verdachte aangereden. Tengevolge van deze aanrijding is de motorrijder overleden. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder de geschetste omstandigheden niet worden gezegd dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het verkeersongeval aan haar schuld te wijten is. Verdachte moet derhalve van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/601740-05

Uitspraakdatum: 27 oktober 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

PRIMAIR:

zij op of omstreeks 21 april 2005 in de gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto van het merk Ford, type Fiësta), daarmede rijdende over (de

voor het openbaar verkeer openstaande weg) de [A-weg], zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft zij toen daar rijdende over die weg,

welke weg ter plaatse was gelegen buiten de bebouwde kom en op welke weg een maximumsnelheid van 80 kilometer was toegestaan,

terwijl er op die weg een stilstaande file stond in de richting van de [B-weg],

roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onnadenkend en/of ondeskundig gereden, door

niet het overige verkeer voor te laten gaan bij het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, maar via een uitrit die [A-weg] -ter hoogte waarvan die stilstaande file stond en verdachtes zicht ernstig belemmerde- is opgereden teneinde linksaf te slaan in de richting van de [C-weg],

en/of

niet haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was dan wel behoorlijk uit te wijken voor het haar van de linkerzijde naderende verkeer, maar met de voorzijde van haar motorrijtuig tussendoor de file, op het weggedeelte bestemd voor het verkeer in de richting van de [C-weg] is gekomen,

terwijl toen een over die [A-weg] rijdend motorrijtuig (motorfiets) haar verdachte reeds zo dicht genaderd was, dat er een botsing/aanrijding is ontstaan tussen dat door haar bestuurde motorrijtuig en dat andere

motorrijtuig,

waardoor de bestuurder van dat andere motorrijtuig, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk, te weten een acuut ernstig hersenletsel en/of een traumatische hersenbloeding rechts, in elk geval enig zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, waaraan hij is overleden;

SUBSIDIAIR:

zij op of omstreeks 21 april 2005 te Hoofddorp in de gemeente Haarlemmermeer, als bestuurster van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [A-weg],

welke weg ter plaatse was gelegen buiten de bebouwde kom en op welke weg een maximumsnelheid van 80 kilometer was toegestaan,

terwijl er op die weg een stilstaande file stond in de richting van de [B-weg],

niet het overige verkeer heeft voor laten gaan bij het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, maar via een uitrit die [A-weg] -ter hoogte waarvan die stilstaande file stond en verdachtes zicht ernstig belemmerde- is opgereden teneinde linksaf te slaan in de richting van de [C-weg],

en/of

niet haar voertuig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was dan wel behoorlijk is uitgeweken voor het haar van de linkerzijde naderende verkeer, maar met de voorzijde van haar motorrijtuig tussendoor de file, op het weggedeelte bestemd voor het verkeer in de richting van de [C-weg] is geraakt,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

MEER SUBSIDIAIR:

zij op of omstreeks 21 april 2005 te Hoofddorp in de gemeente Haarlemmermeer, als bestuurster van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [A-weg], is weggereden zonder een voor haar -gezien haar rijrichting- van links komende motorfiets(ser) voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte heeft op die bewuste dag de file waarin zij was terechtgekomen willen verlaten om terug te rijden in de richting waar zij vandaan kwam. Zij heeft daartoe op een rechts van de weg gelegen oprit haar auto gekeerd en is vervolgens zeer langzaam tussen de stilstaande auto’s door de weg weer opgereden. Zodra zij op het punt was gekomen waar zij zicht had op eventueel van rechts komend verkeer heeft zij haar auto tot stilstand gebracht en heeft naar rechts gekeken om er zeker van te zijn dat van die kant geen verkeer kwam. Op dat moment stond verdachte met de voorzijde van haar auto zo'n 70 centimeter over de middenas van de [A-weg]. Een van links komende motorrijder, die het aldaar geldende inhaalverbod negeerde en links langs de file reed, is tegen de stilstaande auto van verdachte aangereden. Tengevolge van deze aanrijding is de motorrijder overleden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder de geschetste omstandigheden niet worden gezegd dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het verkeersongeval aan haar schuld te wijten is. Verdachte moet derhalve van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan in dier voege dat

SUBSIDIAIR:

zij op 21 april 2005 te Hoofddorp in de gemeente Haarlemmermeer, als bestuurster van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [A-weg],

welke weg ter plaatse was gelegen buiten de bebouwde kom en op welke weg een maximumsnelheid van 80 kilometer was toegestaan,

terwijl er op die weg een stilstaande file stond in de richting van de [B-weg],

niet het overige verkeer heeft voor laten gaan bij het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, maar via een uitrit die [A-weg] – ter hoogte waarvan die stilstaande file stond en verdachtes zicht ernstig belemmerde – is opgereden teneinde linksaf te slaan in de richting van de [C-weg],

en

niet haar voertuig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was, maar met de voorzijde van haar motorrijtuig tussen door de file, op het weggedeelte bestemd voor het verkeer in de richting van de [C-weg] is geraakt,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

De officier van justitie heeft het primair ten laste gelegde feit bewezen geacht en gevorderd dat de rechtbank een werkstraf zal opleggen van 60 uren, bij het niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts heeft zij gevorderd een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaar.

Bij de beslissing over de vraag of en zo ja welke straf aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte reed op 21 april 2005 op de [A-weg] te Hoofddorp en kwam in een file terecht. Zij wilde deze file uit en keerde op een uitrit om daarna, tussen de file door, linksaf te kunnen slaan. Verdachte is bij het uitvoeren van deze bijzondere manoeuvre langzaam tussen de stilstaande auto’s doorgereden en stopte toen zij met de voorzijde van haar auto zo'n 70 centimeter over de middenas van de weg stond. Doordat zij 70 centimeter met haar auto op de andere weghelft uitstak, heeft zij gevaar veroorzaakt voor het overige (tegemoetkomende) verkeer.

Vervolgens is een motorrijder, die de file links inhaalde, tegen de auto van verdachte gebotst. Tengevolge van deze aanrijding is de motorrijder overleden.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf in aanmerking dat verdachte zwaar gebukt gaat onder de extreme gevolgen van het ongeval. Verdachte is na anderhalf jaar nog dagelijks bezig met de verwerking van het ongeval, waarvan de gevolgen ook voor haar voelbaar en zwaar te dragen zijn. Verdachte heeft in dit verband ter terechtzitting aangegeven onder behandeling te staan van een psycholoog. Mede gelet op het geringe verwijt dat verdachte in deze kan worden gemaakt, acht de rechtbank in verband met voornoemde omstandigheden termen aanwezig verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994;

9a Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het haar onder primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Pott Hofstede en Malsch, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2006.

Mr. Malsch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.