Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4133

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
11-12-2006
Zaaknummer
123834/06-1384
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man heeft ter zitting verzocht om het hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij de vrouw te beperken tot Nederland. Nog daargelaten of een dergelijke beperking kan worden opgenomen, is er thans onvoldoende concrete grond om te veronderstellen dat de vrouw met de minderjarige naar Turkije zal vertrekken zonder de daartoe geƫigende weg van artikel 1:253a BW te volgen en vader feitelijk aan de uitoefening van zijn gezag te onttrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

echtscheiding

zaak-/rekestnr.: 123834/06-1384

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 5 december 2006

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [woonplaats]

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. M.J.F.A. Mutsaers,

-- tegen --

[naam vrouw]

wonende op een geheim adres,

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. W.D. van Doorn.

1 Verloop van de procedure

1.1 Bij verzoekschrift is een verzoek tot echtscheiding ingediend, alsmede een verzoek ten aanzien van primair de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind van partijen en subsidiair de omgangsregeling.

1.2 De vrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding. Zij heeft verweer gevoerd tegen het verzoek met betrekking tot het hoofdverblijf van het minderjarige kind en heeft dienaangaande een andersluidend verzoek ingediend. Tevens heeft zij zelfstandige verzoeken ingediend tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen en met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

1.3 De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek tot vaststelling van een bijdrage ten behoeve van de minderjarige.

1.4 Hierna is de zitting bepaald; deze heeft 25 oktober 2006 plaatsgevonden.

1.5 Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek aangevuld in die zin dat zij heeft verzocht om een uitkering tot haar levensonderhoud. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

2 Beoordeling

Ten aanzien van de rechtsmacht

2.1 Door de omstandigheid dat de man zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit bezit en de vrouw de Turkse nationaliteit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

2.2 Deze vraag wordt ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding in bevestigende zin beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

2.3 Met betrekking tot de nevenvoorzieningen komt de rechtbank rechtsmacht toe daar de rechtbank bevoegd is ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding.

Ten aanzien van het toepasselijke recht

2.4 Vervolgens komt aan de orde welk rechtsstelsel op het verzoek tot echtscheiding en de nevenvoorzieningen van toepassing is.

2.5 Op het verzoek tot echtscheiding is Nederlands recht van toepassing, aangezien de man, daargelaten de vraag welke zijn effectieve nationaliteit is, in elk geval met de vrouw in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft.

2.6 Op de nevenvoorziening tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man is Nederlands recht van toepassing, aangezien het Nederlandse recht van toepassing is op de echtscheiding.

2.7 De nevenvoorziening tot verdeling wordt beheerst door het Nederlandse rechtsstelsel, aangezien partijen hun eerste huwelijksdomicilie (naar de rechtbank als vaststaand aanneemt) in Nederland vestigden.

2.8 Op de nevenvoorzieningen met betrekking tot de minderjarige is het Nederlandse recht van toe-pas-sing, nu aannemelijk is geworden dat zij haar gewone verblijfplaats in Neder-land heeft.

Verdere beoordeling

2.9 De verzoeken tot echtscheiding en met betrekking tot de verdeling kunnen als onweersproken worden toegewezen.

2.10 De man en de vrouw hebben ieder afzonderlijk een verzoek ingediend met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Zij stellen ieder afzonderlijk dat het in het belang van [naam minderjarige] is dat zij haar hoofdverblijf bij hem casu quo haar heeft.

De man stelt dat de vrouw niet in staat is om goed voor [naam minderjarige] te zorgen, nu zij geen eigen woonruimte en geen vaste verblijfplaats heeft en in een Blijf-van-mijn-lijf huis verblijft. De vrouw heeft geen eigen inkomen en spreekt geen Nederlands. De man heeft een eigen inkomen en bij hem thuis is altijd opvang voor [naam minderjarige] aanwezig als de man aan het werk is. De vrouw betwist dat zij niet in staat is om voor [naam minderjarige] te zorgen. De omstandigheden welke voor de rechtbank aanleiding waren om [naam minderjarige] bij voorlopige voorziening toe te vertrouwen aan de vrouw zijn volgens de vrouw niet gewijzigd. Uit hetgeen door de man is gesteld kan niet worden afgeleid dat het inmiddels in het belang van [naam minderjarige] zou zijn om te bepalen dat het hoofdverblijf bij de man zal zijn.

De rechtbank heeft bij beschikking voorlopige voorziening van 11 april 2006 bepaald dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd. Niet gebleken is sedertdien dat de vrouw niet in staat is de volledige zorg voor haar dochter op zich te nemen. Het contact tussen de man en de vrouw is verbeterd en er is inmiddels een omgangsregeling opgestart. Weliswaar is de huisvesting van de vrouw niet optimaal, maar na verlening van een verblijfsvergunning zal de vrouw op korte termijn over zelfstandige woonruimte kunnen beschikken. Nu bovendien de wijziging van de hoofdverblijfplaats voor een kind met de leeftijd van [naam minderjarige] zeer ingrijpend is, acht de rechtbank continuering van de huidige situatie het meest in het belang van [naam minderjarige]. De rechtbank zal derhalve bepalen dat [naam minderjarige] haar verblijfplaats bij de vrouw zal hebben.

De man heeft ter zitting verzocht om het hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij de vrouw te beperken tot Nederland. Nog daargelaten of een dergelijke beperking kan worden opgenomen, is er thans onvoldoende concrete grond om te veronderstellen dat de vrouw met de minderjarige naar Turkije zal vertrekken zonder de daartoe geƫigende weg van artikel 1:253a BW te volgen en vader feitelijk aan de uitoefening van zijn gezag te onttrekken.

2.11 Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige in die zin dat eenmaal per week van vrijdag 14.00 uur tot maandagochtend omgang zal plaatsvinden. Het tijdstip op vrijdag zal veranderen vanaf het moment dat [naam minderjarige] naar de basisschool gaat. De man zal vanaf dat moment [naam minderjarige] op vrijdag uit school ophalen. Daarnaast zijn de man en de minderjarige gerechtigd om gedurende de helft van de vakanties, welke dagen partijen in onderling overleg met elkaar zullen afspreken, omgang met elkaar te hebben. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat [naam minderjarige] het slachtfeest afwisselend het ene jaar bij de man zal doorbrengen en het andere jaar bij de vrouw. Voorts zijn partijen overeengekomen dat [naam minderjarige] in 2007 het slachtfeest bij de man doorbrengt en is de vrouw akkoord gegaan met het verzoek van de man om [naam minderjarige] aansluitend aan het slachtfeest de eerste week van januari 2007 bij de man te laten verblijven. Na te noemen regeling acht de rechtbank niet strijdig met het belang van de minderjari-ge.

2.12 Met betrekking tot de door de vrouw verzochte bijdrage in de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind en de ter zitting verzochte bijdrage in haar levensonderhoud is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de man over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van de minderjarige te voldoen. Dit verzoek wordt derhalve afgewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, in 2002, Turkije met elkaar gehuwd.

3.2 Beveelt partijen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen.

Benoemt, tenzij partijen binnen veertien dagen na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand anders overeenkomen, notaris

mr. J.F. Hofman te Zaandam of diens waarnemer of opvolger om de verdeling op een door hem te bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen.

3.3 Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [achternaam]:

- [naam minderjarige] , geboren in 2003 in de gemeente [],

is bij de vrouw.

3.4 Stelt de volgende regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht:

De man en minderjarige:

- [naam minderjarige] , geboren in 2003 in de gemeente [];

zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben:

- eenmaal per week van vrijdag 14.00 uur tot maandagochtend;

- de helft van de vakanties, waarbij de minderjarige jaarlijks afwisselend het slachtfeest bij de man dan wel bij de vrouw doorbrengt. De minderjarige zal het eerstvolgende slachtfeest in januari 2007 bij de man doorbrengen vanaf 1 januari 2007 tot en met maandagochtend 8 januari 2007.

3.5 Verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding, uit-voerbaar bij voorraad.

3.6 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Udo de Haes en in het openbaar uit-gesproken ter terechtzitting van 5 december 2006, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee als griffier.