Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ3461

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-11-2006
Datum publicatie
01-12-2006
Zaaknummer
15/694015-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 2 A, B en C, 10 en 10A Opiumwet, 47, 57 en 140 Sr. Bewijsverweer ten aanzien van medeplegen.

Verdachte heeft ruim anderhalf jaar lang deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met onder meer (internationaal) transport, handel en opslag van (aanzienlijke) hoeveelheden harddrugs, voornamelijk heroïne, alsmede witwassen. Verdachte had in de organisatie een grote ondersteunende rol.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: [nummer]

Uitspraakdatum: 27 november 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 juli 2006, 18 september 2006, 26 oktober 2006 en 13 november 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven (bijlage Ia, b, c).

Op de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvorde-ring is de omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting aangepast. Aldus wordt aan verdachte tenlaste-gelegd dat:

1.

[Zaaksdossier 01a: Transport [medeverdachte]

hij op of omstreeks 17 december 2004 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Groot-Brittannië) heeft gebracht ongeveer 5,79 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

[Zaaksdossier 05: Meermalen uitvoer van heroïne naar Groot-Brittannie]

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 22 november 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (naar Groot-Brittannië) (een) hoeveelhe(i)den van (een) materia(a)l(en) bevattende heroïne in elk geval (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

[Zaaksdossier 13: Transport [medeverdachte] naar Zwitserland]

hij op of omstreeks 10 oktober 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Zwitserland heeft gebracht

- ongeveer 949 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of

- ongeveer 154 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 1.774 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

(elk) (een) middelen) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

PRIMAIR:

[Zaaksdossier 12: transport door [medeverdachte] in Duitsland]

hij op of omstreeks 20 oktober 2005 in Duitsland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,73 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een ma-teriaal bevattende heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

SUBSIDIAIR:

[medeverdachte] en/of [medeverdachte] op of omstreeks 20 oktober 2005 in Duitsland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een (grijze) Citroen C 5 (kenteken: HD-RT-8000) ongeveer 14,73 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevatten-de heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 september 2005 tot en met 20 oktober 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 september 2005 tot en met 20 oktober 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door opzettelijk

- aan voornoemde [medeverdachte] voor te stellen een hoeveelheid heroïne te vervoeren en/of

- voornoemde [medeverdachte] te voorzien van een telefoonnummer (van ene "[betrokkene] uit Roemenie") en/of

- door voornoemde grijze Citroen C 5 te voorzien van een (verborgen) ruimte (waarin een (aanzienlijke) hoeveelheid heroine vervoerd kon worden) en/of (daarna) (weer) aan voornoemde [medeverdachte] ter beschikking te stellen en/of

- door voornoemde [medeverdachte] (tijdens het transport) meerdere malen, althans eenmaal te voorzien van geld (te weten: 650 euro in de Oekraïne en/of 1.600 euro in Duitsland);

5.

[Zaaksdossier 43: 5 kilo heroïne in het garagebedrijf]

hij op of omstreeks 19 november 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,86 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

[zaaksdossier 10: levering 1 kilogram aan NN Sjonnie]

hij op of omstreeks 26 september 2005 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of ver-strekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

7.

[Zaaksdossiers 49: voorbereiding van transporten van Turkije naar Nederland met een Citroen C5]

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2005 tot en met 07 oktober 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Turkije en/of elders in Europa tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), opzettelijk

- ontmoetingen bijgewoond en/of gehad aangaande en/of (telefoon)gesprekken gevoerd over het vervoeren van voornoemde hoeveelhe(i)d(en) heroine (van Turkije naar Nederland) en/of de tenaamstelling van een auto (Citroen C5) en/of

- deze auto (Citroen C5) voorzien van een of meer (verborgen) ruimten en/of (daarna) ter beschikking gesteld van een of meer van zijn mededader(s);

8.

[Zaaksdossier 30: de criminele organisatie]

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 november 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Turkije en/of te Groot-Brittannië en/of te Zwitserland en/of elders in Europa, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne, althans (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of,

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of,

- het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- witwassen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van feit 5 betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit betoog het volgende aangevoerd. De politie wist als gevolg van het direct afluisteren van gesprekken waaraan verdachte deelnam, met name een gesprek op 10 augustus 2005, dat verdachte verdovende middelen aanwezig had in zijn garage. Op grond van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering was de politie verplicht direct tot inbeslagneming hiervan over te gaan. Nu dit niet is gebeurd, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De strekking van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering betreft de bescherming van burgers tegen gevaarlijke voorwerpen, waaronder stoffen. Nu geen rechtens te beschermen belang van verdachte in het geding is, kan hij zich niet op niet-naleving van het in artikel 126ff gegeven verbod beroepen.

Het openbaar ministerie is ook overigens ontvankelijk in zijn vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3a. Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 4 primair omdat er geen sprake is van medeplegen, maar van medeplichtigheid. Naar de mening van de raadsman is van medeplegen geen sprake omdat [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) het transport zelf met [betrokkene] heeft geregeld, [medeverdachte] zelf van Oekraïne naar Duitsland is gereden, verdachte geen financieel belang had bij dit transport en daarop ook geen invloed had.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 4 primair tenlastegelegde medeplegen van aanwezig hebben van heroïne wel degelijk bewezen kan worden verklaard. Immers, op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het verhandelde ter terechtzitting, staat het navolgende vast.

Verdachte heeft aan [medeverdachte] voorgesteld een hoeveelheid heroïne te vervoeren. Verdachte heeft, met het oog daarop, aan [medeverdachte] het telefoonnummer gegeven van ene “[betrokkene]" uit Roemenië. Verdachte heeft een grijze Citroën C5, voorzien van een verborgen ruimte waarin een aanzienlijke hoeveelheid heroïne vervoerd kon worden, aan [medeverdachte] ter beschikking gesteld. Verdachte heeft [medeverdachte] meerdere malen geld gezonden tijdens diens reis en meerdere malen telefonisch contact gehad met hem. Voorts heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij er een mazzeltje mee zou kunnen verdienen, als het transport zou zijn geslaagd, waaruit blijkt dat verdachte wel degelijk financieel belang had bij dit transport. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachtes betrokkenheid bij het transport getuigt van nauwe en bewuste samenwerking, waardoor er sprake is van medeplegen.

3b. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op 17 december 2004 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Groot-Brittannië) heeft gebracht ongeveer 5,79 kilogram, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 01 januari 2005 tot en met 22 november 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (naar Groot-Brittannië) een hoeveelheid van een materiaalbevattende heroïne, een middel als be-doeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op of omstreeks 10 oktober 2005 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Zwitserland) heeft gebracht

- ongeveer 949 gram, van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en

-ongeveer 154 gram, van een materiaal bevattende cocaïne en

-ongeveer 1.774 gram, van een materiaal bevattende MDMA, elk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 20 oktober 2005 in Duitsland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,73 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij op 19 november 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,86 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij op 26 september 2005 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht en verstrekt, ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

7.

hij in de periode van 01 juli 2005 tot en met 07 oktober 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en te Amster-dam tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren van heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,voor te bereiden en/of te bevorderen,

een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft verschaft

immers heeft verdachte opzettelijk

(telefoon)gesprekken gevoerd over het vervoeren van hoeveelheden heroïne en de tenaamstelling van een auto (Citroen C5) en

- deze auto (Citroen C5) voorzien van meer verborgen ruimten en daarna ter beschikking gesteld van zijn mededader;

8.

hij in de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 november 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Amsterdam , heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of,

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of,

- het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- witwassen.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 tot en met 8 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4 PRIMAIR:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 6:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 7:

een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen;

feit 8:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter zitting ten aanzien van feit 8 een beroep gedaan op psychische overmacht. Immers, verdachte zou niet verwijtbaar hebben deelgenomen aan een criminele organisatie omdat hij op een gegeven moment in zo’n slechte financiële situatie verkeerde dat hij geen andere uitweg meer zag dan het plegen van strafbare feiten. Eenmaal in de greep van de organisatie kon verdachte er niet meer mee stoppen omdat er vanuit de organisatie grote druk op verdachte werd uitgeoefend en anders de veiligheid van zijn gezin in gevaar zou komen, aldus nog steeds de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Op grond van de verklaringen van verdachte acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte ernstige financiële problemen had en voorts dat door de organisatie druk op verdachte is uitgeoefend. Het verweer faalt echter omdat niet aannemelijk is gemaakt dat verdachte in zodanig benarde omstandigheden is komen te verkeren dat hij niet een andere oplossing had kunnen vinden om zijn financiële problemen het hoofd te bieden, dan het plegen van strafbare feiten. Voorts volgt uit de verklaringen van verdachte dat hij zichzelf welbewust heeft ingelaten met personen die – naar hij wist – betrokken waren bij de handel in heroïne.

Er is voorts geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De vordering van de officier van justitie en motivering van de sanctie(s) en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de onder 1, 2, 3, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde feiten bewezen geacht en gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft verbleven.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland, Regio Amsterdam uitgebrachte rapport van 17 mei 2006 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim anderhalf jaar lang deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met onder meer (internationaal) transport, handel en opslag van (aanzienlijke) hoeveelheden harddrugs, voornamelijk heroïne, alsmede witwassen. Heroïne is schadelijk voor de gezondheid van personen, terwijl witwassen de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast.

Aldus heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit in Europa, in het bijzonder in Nederland. Voorts heeft hij eraan bijgedragen dat opbrengsten van misdrijven voor justitie verborgen bleven.

In deze criminele organisatie vervulde iedere deelnemer zijn eigen rol. Verdachte had in de organisatie een grote ondersteunende rol. Met name prepareerde hij in opdracht van leden van de organisatie auto’s ten behoeve van het transporteren van harddrugs. Verdachte voorzag de auto’s van een verborgen ruimte waarin heroïne werd verstopt, dan wel maakte hij in de accu of benzinetank ruimte vrij waarin verdovende middelen werden verstopt. Vervolgens reed een koerier met deze auto naar het buitenland. Daarnaast heeft verdachte ook leden van de organisatie uitleg gegeven hoe met een heroïnepers om te gaan.

De rechtbank merkt op dat er binnen de criminele organisatie sprake was van een sfeer van intimidatie en angst. Dit blijkt onder meer uit het feit dat er bij een aantal leden van de organisatie vuurwapens zijn aangetroffen en uit het feit dat een aantal leden van de organisatie, waaronder verdachte, heeft verklaard bang te zijn dat henzelf of hun gezin iets zou worden aangedaan, nu zij over de criminele organisatie en diens leden een verklaring hebben afgelegd. Overigens is niet gebleken dat er daadwerkelijk fysiek geweld is gebruikt. Voorts was sprake van een professionele werkwijze, mede gelet op de wijze waarop men met elkaar communiceerde (vanuit telefooncellen, met versluierd taalgebruik) en de frequentie waarmee men zaken deed.

De rechtbank neemt in aanmerking dat een organisatie als de onderhavige – gelet op haar criminele oogmerk en de daarmee samenhangende handelingen - de rechtsorde ondermijnt. Kenmerkend voor zo’n organisatie is dat het –door het bestaan van een samenwerkingsverband - criminaliteitsbevorderend werkt. Hierbij dient te worden betrokken dat door de ontplooide activiteiten grote illegale geldstromen plegen te worden gegenereerd. Verdachte heeft een aandeel gehad in de verspreiding van verdovende middelen waarbij hij, naar de rechtbank concludeert, zijn eigen belang, geldelijk gewin, heeft voorop gesteld en daarmee geen oog heeft gehad voor de schade voor de samenleving die uit het gebruik van dergelijke drugs en uit witwaspraktijken die daarmee samengaan kunnen voortvloeien.

Buiten de organisatie handelde verdachte ook zelf in heroïne, door onder meer samen met anderen grote hoeveelheden heroïne uit te voeren naar verschillende buitenlanden. Daarnaast verkocht verdachte heroïne vanuit zijn eigen bedrijf.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte, in weerwil van de sfeer van intimidatie waarvan binnen de organisatie sprake was, openheid van zaken heeft gegeven over de feiten die hij en zijn mededaders hebben gepleegd, en verdachte aldus verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur moet worden opgelegd. De rechtbank spreekt daarmee als haar oordeel uit dat de door de officier van justitie gevorderde sanctie in overeenstemming is met de ernst van de zaak en de persoon van verdachte.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3b. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Andel, voorzitter,

mrs. Grosheide en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van der Zalm en De Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 november 2006.