Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2975

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
24-11-2006
Zaaknummer
15/630462-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veelpleger; oplegging ISD-maatregel. Verdachte is geprioriteerd als veelpleger (categorie ISD). In de vijf jaar voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten is verdachte ten minste acht keer wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De feiten waarvoor verdachte bij dit vonnis wordt veroordeeld, zijn begaan na de tenuitvoerlegging van voornoemde straffen. Gezien het strafrechtelijk verleden van verdachte bestaat er ernstig gevaar voor recidive en daarmee is de veiligheid van goederen in het geding. De bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Geconcludeerd kan worden dat verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630462-06

Uitspraakdatum: 6 oktober 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 september 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 juni 2006 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning gelegen aan de [A-laan]) heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia, type 6310), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 22 mei 2006 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [B-weg]) heeft weggenomen (onder meer) een mobiele telefoon, merk Motorola,type V3 Razor, en/of een mobiele telefoon, merk Samsung, type SGH A800, en/of een portemonnee met inhoud en/of een (heren)horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 22 mei 2006 te Haarlem en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, een mobiele telefoon, merk Motorola,type V3 Razor, en/of een mobiele telefoon, merk Samsung, type SGH A800, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon(s) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 14 maart 2006 te Overveen, gemeente Bloemendaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning gelegen aan de Willem de [C-laan]) heeft weggenomen geld en/of tien, althans een of meer zilveren munten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 03 april 2006 te Haarlem, in elk geval in Nederland, een of meer zilveren munten heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die munt(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op 10 juni 2006 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [A-laan] heeft weggenomen een mobiele telefoon, merk Nokia, type 6310, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2.

PRIMAIR:

hij op 22 mei 2006 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [B-weg], heeft weggenomen een mobiele telefoon, merk Motorola, type V3 Razor, en een mobiele telefoon, merk Samsung, type SGH A800, en een portemonnee met inhoud en een herenhorloge, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel;

3.

SUBSIDIAIR:

hij op 03 april 2006 te Haarlem zilveren munten voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die munten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 primair en 3 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

diefstal

feit 2 primair:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel

feit 3 subsidiair:

opzetheling

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

De officier van justitie heeft de onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten bewezen geacht en gevorderd dat verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren. Ten aanzien van het beslag is de officier van justitie van oordeel dat de voorwerpen onder de nummers 1 en 4 tot en met 13 op de beslaglijst teruggegeven moeten worden aan verdachte en dat die onder de nummers 2 en 3 moeten worden teruggegeven aan de rechthebbenden. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie gevorderd [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering en de vordering van [slachtoffer 3] toe te wijzen tot een bedrag van € 6,80.

Maatregel ISD

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en met name uit de bespreking aldaar van het vanwege de Brijder Verslavingszorg uitgebrachte rapport van 15 augustus 2006 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft twee keer uit een woning goederen gestolen en voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Daarnaast blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie dat verdachte in het verleden veelvuldig en regelmatig in aanraking is geweest met politie en justitie, met name in verband met diefstallen. Het gaat hier om een serie ergerlijke feiten, die naast schade veelal hinder veroorzaken voor de gedupeerde personen.

Verdachte is geprioriteerd als veelpleger (categorie ISD). In de vijf jaar voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten is verdachte ten minste acht keer wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De feiten waarvoor verdachte bij dit vonnis wordt veroordeeld, zijn begaan na de tenuitvoerlegging van voornoemde straffen. Gezien het strafrechtelijk verleden van verdachte bestaat er ernstig gevaar voor recidive en daarmee is de veiligheid van goederen in het geding. De bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Geconcludeerd kan worden dat verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.

Het bovengenoemde rapport van de Brijder Verslavingszorg houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Op grond van de totaalscore van de RISc valt [verdachte] in de hoge categorie ten aanzien van recidiverisico. Er is inmiddels sprake van een zeer actieve veelpleger. [verdachte] vermijdt tot op heden enige vorm van zorg en het blijkt onmogelijk om een inhoudelijk plan van aanpak uit te voeren. Door de ervaringen met [verdachte] in het verleden, zijn zorgmijdende gedrag en zijn veelvuldig contact met politie en justitie zijn wij voorzichtig in het maken van nieuwe plannen. Ons inziens zou een interventie pas resultaat geven als betrokkene zich niet kan onttrekken aan begeleiding en meer gemotiveerd raakt. Als hij geplaatst zou worden in de ISD kan hij de door de Brijder geïndiceerde leefstijltraining gaan volgen. In overleg met de begeleiders van de ISD kan na een half jaar een evaluatie plaatsvinden om te bepalen of betrokkene vanuit de inrichting kan gaan werken of een ambulante behandeling kan volgen.

De Brijder Verslavingszorg concludeert in haar rapport dat het opleggen van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, acht de rechtbank het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen met dien verstande dat zij tussentijds - en wel acht maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging - de noodzaak wil beoordelen van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

De rechtbank acht het aangewezen dat in het kader van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voor deze verdachte zoveel mogelijk de aanbevelingen uit het Brijderrapport zullen worden gevolgd.

Vorderingen benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 174,95 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 74,95 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezen verklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van fl. 10,20 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, namelijk de heling van de zilveren munten die verdachte bij zich had tijdens zijn aanhouding. Deze munten zijn reeds teruggegeven aan de aangeefster. De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve niet in haar vordering ontvangen.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is toegewezen, te weten € 74,95.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

38m, 38n, 38s, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van TWEE JAREN en bepaalt dat acht maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden en tevens dat het openbaar ministerie haar omtrent de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging uiterlijk zeven maanden na de aanvang daarvan zal berichten.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 74,95 en veroor-deelt verdach-te tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 74,95, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Gelast de teruggave aan rechthebbende, te weten [rechthebbende], van:

- 1.00 stk Fiets ATB, kleur rood, Universal Agressor; mountainbike achtergelaten na insluiping.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [slachtoffer 1], van:

- 1.00 stk gsm-toestel kleur goud; Nokia 6310, Imei: 350842/20/068838/1

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 stk rugzak, kleur zwart, Eastpack; gevuld met kleding, achtergebleven na insluiping

- 1.00 stk gsm-toestel Sagem MY X-1; Imei: 353331005404100

- 1.00 stk gsm-toestel kleur zilver, Samsung SGH-D500; Imei: 35505800371761/7

- 1.00 stk horloge, kleur zilver; Seiko SQ100, groen lederen band

- 1.00 stk diverse, kleur blauw/zwart; MPIO MP3-speler

- 1.00 stk diverse kleur zilver; Bronetti, wijzerplaat wit

- 1.00 stk ring kleur goud, inscriptie aan bovenzijde: K K

- 1.00 stk fototoestel kleur zilver; Canon Ixus 30, digitale camera

- Geld Nederlands, € 650,--; 13 briefjes van 50 euro verstopt in schoenzool

- 1.00 stk document, meerkleurig; aanvraag persoonlijke lening op naam verdachte

- 4.00 stk kleding Vroom & Dreesmann; broeken en shirts

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Kronenberg en Van Eijck, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2006.

Mr. Van Eijck is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.