Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2926

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-11-2006
Datum publicatie
23-11-2006
Zaaknummer
15/601758-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW1994. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het primair ten laste gelegde feit niet bewezen verklaard kan worden omdat naar zijn mening - kort weergegeven - verdachte geen verwijt valt te maken ten aanzien van de afstelling van de doblispiegel (dodehoekspiegel), verdachte niet te hard heeft gereden, en het ongeval een noodlottige samenloop van omstandigheden betreft waarbij niet verdachte, maar veeleer het slachtoffer onzorgvuldig heeft gehandeld.

De rechtbank deelt deze zienswijze niet en is van oordeel dat het verkeersongeval waarbij verdachte betrokken is geweest aan zijn schuld is te wijten. Verdachte was bezig met het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre toen hij rechts afsloeg de Zandvoorter Allee in. Gedurende deze manoeuvre had verdachte heel alert moeten zijn op de mogelijke aanwezigheid van andere weggebruikers en met name op rechtdoorgaande fietsers op het langs de Zandvoortselaan liggende fietspad. Verdachte had gedurende de gehele manoeuvre in alle spiegels moeten (blijven) kijken, zodanig dat hij er zeker van was dat zich geen fietsers op het fietspad bevonden die hij zou kunnen aanrijden als hij de ingezette bocht zou vervolgen. Zonodig had verdachte daartoe zijn vrachtauto tot stilstand moeten brengen. Dat geldt temeer nu het zichtveld van de dodehoekspiegel beperkt was doordat deze werd afgedekt door de kap van een andere spiegel. Dat verdachte een en ander niet heeft gedaan blijkt uit de VerkeersOngevalsAnalyse, het procesverbaal tachograafschijf- onderzoek en de verklaring van getuige Hessels. In de VerkeersOngevalsAnalyse is vermeld: “Uit dit ingestelde onderzoek naar de spiegelzichtvelden is verder duidelijk geworden dat de bestuurder van de betrokken bedrijfsauto, te allen tijde, middels de rechterbuitenspiegel of via de breedte- of volgspiegel, danwel via de dodehoekspiegel, of een combinatie van deze spiegels, nagenoeg volledig zicht gehad moet hebben op het zich rechts naast en achter hem gelegen fietspad van de Zandvoortselaan”.

In het procesverbaal tachograafschijf-onderzoek is vermeld: “Het meest aannemelijke ongevalsverloop is dat de vrachtauto optrok naar 20 km/u, na een stilstand of bijna stilstand van ongeveer 4 seconden vanaf de voetgangersoversteekplaats op de Zandvoortselaan en daarna rechtsaf sloeg, de Zandvoorter Allee in. De vrachtauto stopte in dit geval niet bij het kruisen van het fietspad, maar kwam na het ongeval tot stilstand op zijn aangetroffen eindpositie”. Blijkens de verklaring van getuige Hessels fietste het slachtoffer op het fietspad, kwamen het slachtoffer op de fiets en de vrachtauto nagenoeg gelijk ter plaatse op de kruising en heeft verdachte niet stilgestaan voordat hij naar rechts afsloeg.

Daargelaten de afstelling van de doblispiegel, had verdachte het slachtoffer, wat haar snelheid ook is geweest, derhalve kunnen en moeten zien en had verdachte haar voorrang moeten verlenen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2007/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/ 601758-05

Uitspraakdatum: 14 november 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 28 juni 2005 in de gemeente Heemstede, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over (de voor het openbaar verkeer openstaande weg) de Zandvoortselaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij toen daar in westelijke richting rijdende over die weg, gekomen nabij en/of ter hoogte van de in deze weg gelegen kruising of splitsing met de weg, de Zandvoorter Allee, welke weg(en) ter plaatse was/waren gelegen binnen de bebouwde kom,

terwijl het zichtveld -op grondniveau- van de dodehoekspiegel voor een aanzienlijk deel werd afgedekt door de kap van de rechterbuitenspiegel, in elk geval niet voldeed aan het gestelde in artikel 3.3.32.8 van het Voertuigreglement en/of juncto artikel 5.3.45a van het Voertuigreglement en/of juncto artikel 8.30.b van de Regeling permanente eisen in verband met het opnemen van voorschriften voor bepaalde gezichtsveldverbeterende voorzieningen voor bedrijfsauto's,

roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onnadenkend en/of ondeskundig gereden, door

een in westelijke richting over het fietspad van voornoemde Zandvoortselaan rijdende bestuurster van een fiets, terwijl die fietsster zich rechts naast of rechts dicht achter hem bevond, niet voor te laten gaan, maar af te slaan naar die Zandvoorter Allee

en/of

niet zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was dan wel behoorlijk uit te wijken voor het hem over het ter rechterzijde -gezien verdachte's rijrichting- gelegen fietspad bevindende/naderende bestuurster van een fiets, maar af te slaan naar die Zandvoorter Allee

terwijl toen die over die Zandvoortselaan rijdende bestuurster van een fiets hem, verdachte, reeds zo dicht genaderd was of zich reeds naast hem, verdachte, bevond, dat er een botsing/aanrijding is ontstaan tussen dat door hem bestuurde motorrijtuig en die fietsster,

waardoor die fietsster, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gecompliceerde) heupfractuur, in elk geval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 28 juni 2005 te Heemstede als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende in westelijke richting op/over de weg, de Zandvoortselaan,

- gekomen nabij en/of ter hoogte van de in deze weg gelegen kruising of splitsing met de weg, de Zandvoorter Allee,

- welke weg(en) ter plaatse was/waren gelegen binnen de bebouwde kom,

- terwijl het zichtveld -op grondniveau- van de dodehoekspiegel voor een aanzienlijk deel werd afgedekt door de kap van de rechterbuitenspiegel, in elk geval niet voldeed aan het gestelde in artikel 3.3.32.8 van het Voertuigreglement en/of juncto artikel 5.3.45a van het Voertuigreglement en/of juncto artikel 8.30.b van de Regeling permanente eisen in verband met het opnemen van voorschriften voor bepaalde gezichtsveldverbeterende voorzieningen voor bedrijfsauto's,

een in westelijke richting over het fietspad van voornoemde Zandvoortselaan rijdende bestuurster van een fiets, terwijl die fietsster zich rechts naast of rechts dicht achter hem bevond, niet heeft voor laten gaan, maar is afgeslagen naar die Zandvoorter Allee

en/of

niet zijn motorrijtuig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was dan wel behoorlijk uit is geweken voor het hem over het ter rechterzijde -gezien verdachte's rijrichting- gelegen fietspad bevindende/naderende bestuurster van een fiets, maar is afgeslagen naar die Zandvoorter Allee,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

en/of

hij op of omstreeks 28 juni 2005 te Heemstede als bestuurder van een vrachtauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zandvoortselaan, bij het naar rechts afslaan, teneinde de Zandvoorter Allee

in/op te rijden, een bestuurster van een voertuig (fiets), die op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

en/of

hij op of omstreeks 28 juni 2005 te Heemstede als bestuurder van een voertuig (vrachtauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zandvoortselaan en gekomen nabij en/of ter hoogte van de in deze weg gelegen kruising of splitsing met de weg, de Zandvoorter Allee, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, toen en daar bij het naar rechts afslaan

tegen een fiets(ster) aangereden of gebotst.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het primair ten laste gelegde feit niet bewezen verklaard kan worden omdat naar zijn mening - kort weergegeven - verdachte geen verwijt valt te maken ten aanzien van de afstelling van de doblispiegel (dodehoekspiegel), verdachte niet te hard heeft gereden, en het ongeval een noodlottige samenloop van omstandigheden betreft waarbij niet verdachte, maar veeleer het slachtoffer onzorgvuldig heeft gehandeld.

De rechtbank deelt deze zienswijze niet en is van oordeel dat het verkeersongeval waarbij verdachte betrokken is geweest aan zijn schuld is te wijten. Verdachte was bezig met het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre toen hij rechts afsloeg de Zandvoorter Allee in. Gedurende deze manoeuvre had verdachte heel alert moeten zijn op de mogelijke aanwezigheid van andere weggebruikers en met name op rechtdoorgaande fietsers op het langs de Zandvoortselaan liggende fietspad. Verdachte had gedurende de gehele manoeuvre in alle spiegels moeten (blijven) kijken, zodanig dat hij er zeker van was dat zich geen fietsers op het fietspad bevonden die hij zou kunnen aanrijden als hij de ingezette bocht zou vervolgen. Zonodig had verdachte daartoe zijn vrachtauto tot stilstand moeten brengen. Dat geldt temeer nu het zichtveld van de dodehoekspiegel beperkt was doordat deze werd afgedekt door de kap van een andere spiegel. Dat verdachte een en ander niet heeft gedaan blijkt uit de VerkeersOngevalsAnalyse, het procesverbaal tachograafschijf- onderzoek en de verklaring van getuige Hessels. In de VerkeersOngevalsAnalyse is vermeld: “Uit dit ingestelde onderzoek naar de spiegelzichtvelden is verder duidelijk geworden dat de bestuurder van de betrokken bedrijfsauto, te allen tijde, middels de rechterbuitenspiegel of via de breedte- of volgspiegel, danwel via de dodehoekspiegel, of een combinatie van deze spiegels, nagenoeg volledig zicht gehad moet hebben op het zich rechts naast en achter hem gelegen fietspad van de Zandvoortselaan”.

In het procesverbaal tachograafschijf-onderzoek is vermeld: “Het meest aannemelijke ongevalsverloop is dat de vrachtauto optrok naar 20 km/u, na een stilstand of bijna stilstand van ongeveer 4 seconden vanaf de voetgangersoversteekplaats op de Zandvoortselaan en daarna rechtsaf sloeg, de Zandvoorter Allee in. De vrachtauto stopte in dit geval niet bij het kruisen van het fietspad, maar kwam na het ongeval tot stilstand op zijn aangetroffen eindpositie”. Blijkens de verklaring van getuige Hessels fietste het slachtoffer op het fietspad, kwamen het slachtoffer op de fiets en de vrachtauto nagenoeg gelijk ter plaatse op de kruising en heeft verdachte niet stilgestaan voordat hij naar rechts afsloeg.

Daargelaten de afstelling van de doblispiegel, had verdachte het slachtoffer, wat haar snelheid ook is geweest, derhalve kunnen en moeten zien en had verdachte haar voorrang moeten verlenen.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

PRIMAIR:

hij op 28 juni 2005 in de gemeente Heemstede, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, vrachtauto, daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zandvoortselaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij toen daar in westelijke richting rijdende over die weg,

gekomen ter hoogte van de in deze weg gelegen kruising of splitsing met de weg, de Zandvoorter Allee,

welke wegen ter plaatse waren gelegen binnen de bebouwde kom,

terwijl het zichtveld -op grondniveau- van de dodehoekspiegel voor een aanzienlijk deel werd afgedekt door de kap van de rechterbuitenspiegel,

in aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend gereden, door

een in westelijke richting over het fietspad van voornoemde Zandvoortselaan rijdende bestuurster van een fiets, terwijl die fietsster zich rechts naast of rechts dicht achter hem bevond, niet voor te laten gaan, maar af te slaan naar die Zandvoorter Allee,

en

niet zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was, maar af te slaan naar die Zandvoorter Allee,

terwijl toen die over die Zandvoortselaan rijdende bestuurster van een fiets hem, verdachte, reeds zo dicht genaderd was of zich reeds naast hem, verdachte, bevond, dat er een aanrijding is ontstaan tussen dat door hem bestuurde motorrijtuig en die fietsster,

waardoor die fietsster, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gecompliceerde) heupfractuur, heeft opgelopen.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het primair ten laste gelegde bewezen geacht en gevorderd dat de rechtbank de verdachte veroordeelt tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar alsmede tot een werkstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, in de uitoefening van zijn beroep als chauffeur, een vrachtwagen bestuurd op de Zandvoortselaan te Heemstede. Ter hoogte van de Zandvoorter Allee is verdachte rechtsaf geslagen zonder te zien dat op het rechts naast de weg gelegen fietspad een vrouw rechtdoor fietste. Verdachte heeft de fietsster, [slachtoffer], aangereden terwijl zij nog uit alle macht probeerde een aanrijding te voorkomen door haar stuur naar rechts te bewegen. Ten gevolge van de aanrijding heeft [slachtoffer] zwaar heupletsel opgelopen. Verdachte heeft in aanzienlijke mate onoplettend gereden door onvoldoende maatregelen te nemen om zich ervan te vergewissen dat hij de bocht kon inzetten en vervolgen zonder daarbij andere verkeersdeelnemers aan te rijden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van professionele chauffeurs van vrachtauto’s, zoals verdachte, extra oplettendheid mag worden verwacht, omdat van algemene bekendheid is dat het zicht op de weg vanuit een vrachtauto beperkt is. Verdachte heeft aldus schuld aan het ongeval en heeft hiermee onherstelbaar leed berokkend aan het slachtoffer en haar gezin.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf ten gunste van verdachte in aanmerking dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte kostwinner is en voor verwerven van zijn inkomen afhankelijk is van het bezit van zijn rijbewijs.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van na te noemen duur passend en geboden. Deze ontzegging zal voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke feiten te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht, artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d;

Wegenverkeerswet 1994, artikelen: 6, 175, 179.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 80 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Hol, voorzitter,

mrs. Van Dam en Kalden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Antonos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2006.

Mr. Hol is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.