Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2891

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-10-2006
Datum publicatie
22-11-2006
Zaaknummer
15/630533-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en een poging tot diefstal met geweld op de openbare weg van een willekeurige voorbijganger, waarbij jegens het slachtoffer fysiek geweld is gebruikt. Straatberovingen zijn ernstige feiten, waardoor niet alleen materiele schade wordt toegebracht aan het slachtoffer, maar die bij het slachtoffer en in de samenleving als geheel gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630533-06 en 15/630776-05 (tul)

Uitspraakdatum: 26 oktober 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van feit 2 ter terechtzitting gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage I bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit. Aldus is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 juli 2006 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een mobiele telefoon en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte met bovenstaand oogmerk

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: "als je nou je spullen niet geeft, steek ik je neer" en/of "geef mij je mobiele telefoon", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] in zijn hand heeft gebeten en/of

- met zijn handen in de broekzakken van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld en/of heeft getracht goederen en/of geld uit die broekzakken te pakken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 02 juli 2006 te Heemskerk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung E700, kleur blauw), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

- tegen die [slachtoffer 2] aan is gaan staan en/of (vervolgens)

- met zijn, verdachtes, hand die mobiele telefoon uit de broekzak van die [slachtoffer 2] heeft gehaald en/of

- zijn hand, die door die [slachtoffer 2] was vastgepakt, heeft losgetrokken en (vervolgens) die [slachtoffer 2] geduwd en/of

- terwijl die [slachtoffer 2] de fiets van de verdachte probeerde vast te houden, die [slachtoffer 2] met een (tot vuist gebalde) hand tegen het (achter)hoofd heeft gestompt/geslagen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

1.

hij op 2 juli 2006 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1], en die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte met bovenstaand oogmerk

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: "geef mij je mobiele telefoon" en

- die [slachtoffer 1] in zijn hand heeft gebeten en

- met zijn hand in de broekzak van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld en heeft getracht goederen uit die broekzak te pakken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 2 juli 2006 te Heemskerk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon merk Samsung E700, kleur blauw, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- met zijn, verdachtes, hand die mobiele telefoon uit de broekzak van die [slachtoffer 2] heeft gehaald en

- terwijl die [slachtoffer 2] verdachte probeerde vast te houden, die [slachtoffer 2] met een hand tegen het hoofd heeft geslagen.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenlastegelegde feiten bewezen geacht en gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de niet tenuitvoergelegde straf opgelegd bij het vonnis met parketnummer 15/630776-05 alsnog zal worden tenuitvoergelegd. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie geconcludeerd tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 366, - (€ 75 voor de mobiele telefoon en € 291 voor de immateriële schade) onder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel tot de hoogte van het in totaal toe te kennen bedrag met de daarbij behorende vervangende hechtenis.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem uitgebrachte rapport van 3 oktober 2006.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en een poging tot diefstal met geweld op de openbare weg van een willekeurige voorbijganger, waarbij jegens het slachtoffer fysiek geweld is gebruikt. Straatberovingen zijn ernstige feiten, waardoor niet alleen materiele schade wordt toegebracht aan het slachtoffer, maar die bij het slachtoffer en in de samenleving als geheel gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering Nederland gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Deze straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien de rechtbank - mede gelet op de te nemen beslissing ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf - in de persoon van verdachte aanleiding ziet hem door een minder lange vrijheidsstraf en door een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen met een bijzondere voorwaarde perspectief voor de toekomst te geven, zodat verdachte nog eenmaal een kans krijgt te bewijzen dat het hem ernst is te breken met zijn strafrechtelijk verleden.

6.3 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 299,40 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

Tevens heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] voornoemd een vordering tot schadevergoeding van € 291,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat voor de materiele schade een bedrag van € 75,- redelijk is gezien de ouderdom en de plaats van aanschaf van de telefoon en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

De rechtbank zal hetgeen meer of anders is gevorderd, afwijzen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat ook deze schade rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit en – gelet op de onderbouwing daarvan en het verhandelde ter terechtzitting – tot een bedrag van € 75,- redelijk en billijk voorkomt. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal hetgeen meer of anders is gevorderd, afwijzen.

6.4 Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 150,-.

6.5 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Bij vonnis van 31 januari 2006 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Haarlem betrokkene ondermeer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Ten aanzien van dat voorwaardelijk gedeelte is de proeftijd op twee jaren bepaald onder meer onder de algemene voorwaarde dat betrokkene zich binnen die periode niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Deze proeftijd is nog niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat genoemde, niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van Justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Gelast zal mitsdien worden, gelet op artikel 14g van het wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 310, 312.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vier (4) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem, thans in de persoon van de heer [reclasseringsmedewerker], zolang die instelling dit nodig acht, ook als zulks inhoudt dat het verplichte contact wordt uitgevoerd door de Brijderstichting en verdachtes alcohol-en drugsgebruik centraal staat.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden materiele en immateriële schade tot een bedrag van in totaal € 150,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 2], voornoemd, rekeningnummer 75.71.555, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het door [slachtoffer 2] meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 150,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1.00 STK GSM-toestel Kl:grijs SAMSUNG E720, imeinr.355288008844120

1.00 STK Vest Kl:rood met Capuchon

4.00 STK Pet Kl:rood 3 met klep en 1 wollen muts

2.00 STK Kaart, Simkaarten

Wijst toe de vordering van de officier van justitie opgelegd in de zaak met parketnummer 15/630776-05 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet tenuitvoer gelegde gevangenisstraf, groot zes (6) maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Haarlem d.d. 31 januari 2006.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Dam, voorzitter,

mrs. Evers-Ederveen en Baauw-de Bruijn, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Antonos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2006.

Mr. Baauw-de Bruijn is buitenstaat dit vonnis te ondertekenen.