Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2213

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-11-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
128811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen.

Er is niet gebleken dat verzoekers ongelijk zijn behandeld ten opzichte van de wederpartij doordat de rechter voorlezing van hun pleitnota heeft geweigerd. Voorts kan uit het feit dat de rechter bezwaar heeft gemaakt tegen de door verzoekers in de hoofdzaak over te leggen producties vanwege de omvang daarvan en het feit dat deze niet voorafgaand aan de zitting aan de rechter en de wederpartij waren toegezonden, niet worden afgeleid dat de rechter jegens verzoekers vooringenomen is. Bepaalde opmerkingen van de rechter ter zitting geven evenmin blijk van partijdigheid. In het onderhavige geval is niet gebleken dat door het optreden van de rechter vrees voor onpartijdigheid subjectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 598
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 128811 /HA RK 06-100

datum beslissing: 10 november 2006

Op het verzoek van:

1. [ verzoeker sub 1],

kantoorhoudende en mede woonplaats hebbende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. [verzoeker sub 2],

kantoorhoudende en mede woonplaats hebbende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. de stichting

Stichting Kwaliteitsrekening de Raadslijn,

gevestigd en kantoorhoudende te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,

verzoekers.

1. Procesverloop

1.1. Bij schriftelijk verzoek van 13 oktober 2006 hebben verzoekers de wraking verzocht van[ mr. S], hierna te noemen: de rechter, in het bij deze rechtbank, sector civiel, aanhangige kort geding met zaak-/ rolnummer 128133 / KG ZA 06-453, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2. De rechter heeft medegedeeld niet in het verzoek te berusten.

1.3. De wederpartij in de hoofdzaak heeft schriftelijk gereageerd.

1.4. Verzoekers, de wederpartij en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 3 november 2006. Verzoekers en de rechter zijn verschenen. De wederpartij heeft van de geboden gelegenheid, met bericht daarvan, geen gebruik gemaakt.

2. Het standpunt van verzoekers

2.1. Verzoekers hebben ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de rechter jegens hen vooringenomen is. Dat blijkt volgens verzoekers uit het feit dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld hun volledige pleitnota voor te dragen en al hun producties over te leggen. Door deze handelwijze van de rechter, hebben verzoekers hun verweer niet ten volle kunnen voeren, waardoor zij in vergelijk met de wederpartij geen gelijke behandeling hebben gekregen. Uit het feit dat de rechter verzoekers niet heeft toegestaan al hun producties over te leggen, blijkt dat de rechter ermee heeft ingestemd dat hij zich op basis van een onvolledig dossier, te weten voornamelijk de van de kant van de wederpartij geproduceerde stukken, een oordeel zou vormen over de zaak. Het was verzoekers niet bekend dat producties voorafgaand aan de zitting hadden moeten worden toegezonden. Dergelijke procesregels hadden in de dagvaarding moeten worden opgenomen dan wel in de oproeping voor de zitting door de griffier, aldus verzoekers. De vooringenomenheid van de rechter blijkt naar de stellingen van verzoekers eveneens uit de opmerking van de rechter richting verzoekers dat er tussen hen en de wederpartij bij de rechtbank wel erg veel procedures lopen. Alleen zij werden daarop aangesproken, aldus nog steeds verzoekers.

3. Beoordeling

3.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert, hierna ook te noemen de subjectieve toets.

3.2. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor onpartijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn, hierna ook te noemen de objectieve toets. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend

3.3. Gelet op hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht ter onderbouwing van hun stelling dat de rechter blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, ziet de wrakingskamer zich gesteld voor de vraag of de subjectieve toets grond voor wraking oplevert.

3.4. De wrakingskamer beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

3.5. De hoofdzaak betreft een vordering in kort geding. Verzoekers zijn daarin gedaagden. Vast staat dat verzoekers zich ter zitting in de hoofdzaak in eerste instantie wilden bedienen van een pleitnota van 48 pagina’s en dat de rechter het overleggen en voordragen van deze pleitnota geweigerd heeft omwille van de beschikbare tijd. Een rechter heeft tot taak om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure en bepaalt daartoe de procesorde. In dat kader kan het dan ook voorkomen dat, zoals in het onderhavige geval, een rechter in de beschikbare tijd reden ziet om voorlezing van een pleitnota van een bepaalde omvang geheel of gedeeltelijk te weigeren. Indien een pleitnota geweigerd wordt, dient de desbetreffende partij wel in dezelfde mate in de gelegenheid te worden gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen als zijn wederpartij. In dit geval is niet gebleken dat verzoekers in die zin ongelijk zijn behandeld ten opzichte van de wederpartij. Toen de rechter besloot om het overleggen en voordragen van vorenbedoelde pleitnota niet toe te staan, bleken verzoekers te beschikken over een samengevatte pleitnota, door hen genaamd ‘résumé pleitnota’, die zij hebben voorgedragen en aan de rechter en de wederpartij hebben overgelegd. Blijkbaar waren verzoekers er reeds op voorbereid dat de rechter hun oorspronkelijke pleitnota wellicht te uitvoerig zou vinden. Na het voordragen van hun beperktere pleitnota hebben verzoekers nog de gelegenheid gekregen om mondeling een nadere toelichting te geven voor zover zij daar behoefte aan hadden en tot slot is aan verzoekers nog een tweede termijn gegund. Aldus moet er van worden uitgegaan dat de standpunten van verzoekers voldoende duidelijk zijn geworden.

3.6. De rechter heeft bezwaar gemaakt tegen de door verzoekers in de hoofdzaak over te leggen producties vanwege de omvang daarvan en het feit dat deze niet voorafgaand aan de zitting aan de rechter en de wederpartij waren toegezonden. Uit deze gang van zaken kan niet worden afgeleid dat de rechter jegens verzoekers vooringenomen is. Vast staat dat de hoeveelheid producties die verzoekers wensten over te leggen niet gering was. Verzoekers hadden moeten begrijpen dat het in strijd is met de goede procesorde om de rechter en de wederpartij ter zitting te overvallen met een grote hoeveelheid producties. Op die manier kan een rechter zich immers niet terdege voorbereiden op de zitting en wordt de wederpartij in zijn belangen geschaad doordat hij onvoldoende gelegenheid heeft om de inhoud van de producties tot zich te nemen en daar adequaat op te kunnen reageren. Dit geldt temeer in kort geding procedures als de onderhavige, waar tijd een beperkende factor is.

3.7. Het betoog van verzoekers dat zij niet op de hoogte waren van de procedures in kort geding baat hen niet. Aangezien verzoekers geen gewone procespartijen zijn maar professionele rechtshelpers, mag van hen verwacht worden dat ze op de hoogte zijn van de gang van zaken bij een kortgedingprocedure, waarbij producties voor zover mogelijk (ruimschoots) voorafgaand aan de zitting moeten worden toegestuurd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Bovendien hadden verzoekers kennis kunnen nemen van de in de rechtbank Haarlem geldende huisregels ten aanzien van kort geding procedures, welke regels voor iedereen toegankelijk zijn via de website www.rechtspraak.nl. Er bestaat overigens geen wettelijke verplichting om in de dagvaarding dan wel in een oproepingsbrief van de rechtbank aan partijen - die bij niet aangehouden zaken ook niet wordt verstuurd - melding te maken van deze huisregels, zoals verzoekers hebben betoogd.

3.8. Verzoekers menen dat de rechter met zijn opmerking jegens hen over de hoeveelheid procedures die tussen verzoekers en de wederpartij spelen ten onrechte heeft gesuggereerd dat verzoekers te dien aanzien een verwijt kan worden gemaakt. Aldus is de rechter volgens verzoekers partijdig. Deze stelling kan niet worden gevolgd. Niet in geschil is dat tussen verzoekers en de wederpartij verscheidene procedures aanhangig zijn die allemaal dan wel grotendeels voortvloeien uit de tussen verzoekers en de wederpartij verbroken samenwerking. De rechter heeft ter zitting toegelicht dat hij met zijn opmerking voor verzoekers en de wederpartij de mogelijkheid heeft willen scheppen om te komen tot een efficiënte afwikkeling van al hun lopende geschillen. De wrakingskamer is van oordeel dat het een rechter vrij moet staan om partijen ervan in kennis te stellen wat hij tot dan toe heeft afgeleid uit de gedingstukken en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en om op grond daarvan partijen eventueel een handreiking te doen om het geschil zelf op te lossen. In zoverre kan het rechterlijk optreden zeer vruchtbaar zijn, maar het bergt ook het risico in zich dat constateringen niet of niet geheel juist blijken te zijn. Gesteld noch gebleken is dat, nadat de gewraakte opmerking was gemaakt, geen gelegenheid of ruimte werd geboden de rechter van weerwoord te voorzien. Ook deze handelwijze van de rechter geeft geen blijk van partijdigheid.

3.9. Een en ander laat onverlet dat de rechter zich moet realiseren dat hij in de hem voorgelegde zaak het laatste woord heeft, zodat van een echte gelijkwaardigheid ter zitting geen sprake is. De rechter dient te voorkomen dat bij een partij het beeld gaat postvatten dat haar argumenten geen invloed meer hebben op het vonnis. Gedrag en woordkeuze ter zitting kunnen bijdragen aan deze beeldvorming. Dit dient dan ook zoveel mogelijk te worden vermeden. In het onderhavige geval is echter niet gebleken dat door het optreden van de rechter vrees voor onpartijdigheid subjectief gerechtvaardigd is.

3.10. Nu de aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond vormen voor wraking, zal de rechtbank het verzoek daartoe afwijzen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. wijst het verzoek om wraking af,

4.2. beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de rechter en de wederpartij een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3. beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. van der Meer, voorzitter, en mrs. A.E. Patijn en A.A.T. van Rens, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2006 in tegenwoordigheid van mr. M.M. Kruithof als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.