Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2175

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-10-2006
Datum publicatie
18-01-2007
Zaaknummer
05/5966
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Successiewet. Nu sprake is van een een minderheidspakket in de BV is waardering van de aandelen op de intrinsieke waarde daarvan niet juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0139
Belastingadvies 2007/7.13

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5966

Uitspraakdatum: 30 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser

en

Y te Q, eiseres,

tezamen eisers, gemachtigde: mr. A

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eisers met dagtekening 8 september 2004 een aanslag in het recht van successie opgelegd, elk naar een belaste verkrijging van € 274.857.

Eiser heeft bij schrijven van 19 oktober 2004 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is door verweerder op 20 oktober 2004 ontvangen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2005 het bezwaar afgewezen.

Eisers hebben beiden daartegen bij brief van 2 november 2005 beroep ingesteld. Bij brief van 6 december 2005 hebben eisers de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006 te Haarlem.

Namens eisers zijn verschenen X en B, bijgestaan door mr. A voornoemd en C. Namens verweerder zijn verschenen D en E.

Namens eisers is ter zitting een pleitnota voorgedragen en met een bijlage overgelegd. Verweerder heeft ter zitting een herziene berekening overgelegd. Over en weer hebben partijen van de overgelegde stukken kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De rechtbank rekent de pleitnota en de stukken tot de gedingstukken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 16 februari 2002 is mevrouw F overleden. Erflaatster heeft bij testament, verleden op 21 juni 1976, haar twee kinderen tot haar erfgenamen benoemd, zijnde X en Y, ieder voor een gelijk gedeelte. Tot de nalatenschap behoren onder meer 30 van de 75 aandelen BV G (hierna: de BV).

2.2. Eiser heeft op 30 oktober 2002 aangifte gedaan voor het recht van successie (hierna: de aangifte). In deze aangifte zijn de verkrijgingen vermeld van de twee erfgenamen en vier legatarissen. In de aangifte is als waarde van de 30 aandelen in de BV een bedrag van € 72.000 opgenomen.

2.3. Verweerder is bij het vaststellen van de aanslag afgeweken van de aangifte en heeft daarbij de waarde van de 30 aandelen in de BV op € 359.685 gesteld. Bij de bepaling van de waarde van de aandelen is verweerder voor de latent verschuldigde vennootschapsbelasting (hierna: Vpb-latentie) uitgegaan van 20%.

2.4. Door eiser is op 19 oktober 2004 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag met aanslagnummer a. Hierin is onder meer vermeld: ‘Bij het vaststellen van bovengenoemde aanslag (onderdelen 001 t/m 006) is de Belastingdienst afgeweken van de aangifte. Tot behoud van rechten maak ik bezwaar tegen de aanslag.’

2.5. De verdeling van de aandelen in de BV is in de aangifte vennootschapsbelasting 2004 van de BV als volgt weergegeven:

Erven X Y 30 40%

I, USA 17 23%

X 2 3%

J 12 16%

K 1 1%

L 1 1%

M 4 5%

N 4 5%

Y 1 1%

O 1 1%

P 1 1%

B 1 1%

Geplaatst aantal aandelen 75 100%

3. Geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is de hoogte van de belaste verkrijging. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de waardering van de aandelen in de BV.

3.2. Eisers stellen dat het hier gaat om incourante aandelen in een minderheidspakket en dat deze derhalve dienen te worden gewaardeerd op de gecorrigeerde rendementswaarde. Zij staan de volgende formule voor: 1* intrinsieke waarde +1* rentabiliteitswaarde + 8* rendementswaarde: 10. Op basis van een intrinsieke waarde van

€ 11.989 per aandeel, een rentabiliteitswaarde van € 2.400 per aandeel en een rendementswaarde van € 2.250 per aandeel berekenen eisers de waarde van een aandeel in de BV op 1* € 11.989 + 1* € 2.400 + 8* € 2.250: 10 = € 3.239, zodat de waarde van de 30 aandelen € 97.170 bedraagt.

Subsidiair stellen eisers dat, indien de waarde van de aandelen uitsluitend zou moeten worden bepaald op de intrinsieke waarde, de Vpb-latentie op 34,5%, zijnde het vennootschapsbelastingtarief 2002, moet worden gesteld. Aldus dient de waarde van de aandelen op € 299.174 te worden vastgesteld.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de waardering van de aandelen dient te worden uitgegaan van de intrinsieke waarde, nu potentiële kopers zich zullen laten leiden door de omstandigheid dat in de BV voornamelijk courante onroerende zaken, liquide middelen en effecten aanwezig zijn. De intrinsieke waarde berekent verweerder aldus:

Aandelenkapitaal volgens balans € 34.033

Algemene reserve volgens balans € 30.160

Waarde 75 aandelen volgens balans € 64.193

De waarde van de panden is getaxeerd op € 1.060.000

Boekwaarde van de panden € 16.223

Stille reserve € 1.043.777

Latente Vpb 20% € 208.756

€ 835.021

Vastgestelde waarde van de 75 aandelen € 899.214

Hiervan wordt 30/75 of € 359.685 aan de nalatenschap toegerekend.

Bij de in aanmerking te nemen Vpb-latentie is terecht uitgegaan van een percentage van 20, aldus verweerder.

Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de waarde van de aandelen in de BV moet worden verhoogd met

€ 164.793, zijnde de stille reserve die deel uitmaakt van de effecten met inachtneming van een Vpb-latentie van 20%. Hiervan wordt 30/75, dat is € 65.918 aan de nalatenschap toegerekend.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het beroep van eiseres

4.1.1. Ingevolge artikel 6:13 Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. De rechtbank dient daarom in de eerste plaats te onderzoeken of door eiseres bezwaar is gemaakt tegen de aan haar opgelegde aanslag.

4.1.2. Eiser heeft de aangifte recht van successie ingediend namens hemzelf en de overige verkrijgers. Door verweerder is aan eiser een aanslag opgelegd betreffende zijn aandeel in de verkrijging, waarbij een aan hem gerichte brief met opschrift "Geleidebrief bij aanslag(en)" was gevoegd. Deze geleidebrief, die een specificatie bevat van de belaste verkrijging en het te betalen recht van successie daarover van alle verkrijgers, vermeldt bovenaan "Aanslagnummer(s) 2.04.147.00101.001 t/m 006". Eiser heeft door zijn hiervoor onder 2.4. genoemde bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen de aanslag successierecht met nummer 2.04.147.00101 (onderdelen 001 tot en met 006). Onder deze omstandigheden, acht de rechtbank aannemelijk dat het bezwaarschrift door eiser mede is ingediend namens eiseres en is gericht tegen de aan ieder van hen opgelegde aanslagen.

4.1.3. De rechtbank begrijpt de bestreden uitspraak van 27 september 2005 aldus dat verweerder daarin bij twee, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar de bezwaren van eisers tegen de aan ieder van hen oplegde aanslag heeft afgewezen.

4.1.4. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep van eiseres hiertegen ontvankelijk.

Waardering van de aandelen

4.2. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 wordt het verkregene in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend. Bij de vaststelling van de waarde van de in het geding zijnde aandelen moet dan ook worden uitgegaan van de prijs, die bij aanbieding van de aandelen ter verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de aandelen zou worden betaald.

4.3. Ter zitting hebben eisers verklaard dat de directie van de BV, die wordt gevormd door eiser en B, een beleid voert waarbij er naar wordt gestreefd de panden van de BV niet te verkopen, deze goed te onderhouden en er voor te zorgen dat jaarlijks een min of meer gelijk bedrag aan dividend wordt uitgekeerd. Voorts hebben eisers verklaard dat, ingeval van verkoop van aandelen, deze eerst aan de andere aandeelhouders moeten worden aangeboden. In de afgelopen jaren zijn regelmatig gesprekken gevoerd tussen de aandeelhouders om tot verkoop van aandelen te komen, maar er kon geen overeenstemming worden bereikt over de transactieprijs van de aandelen. Tot nu toe werd geen hogere prijs geboden dan 25% van de intrinsieke waarde. Nu verweerder deze verklaringen van eisers niet heeft weersproken en de rechtbank deze verklaringen geloofwaardig acht, zal van de juistheid hiervan worden uitgegaan.

4.4. Verweerder heeft zich met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 1995, nr. 30688, BNB 1999/189, op het standpunt gesteld dat gegadigden voor de aandelen in de BV, nu het in de BV aanwezige vermogen goeddeels bestaat uit verhuurde courante onroerende zaken en/of ter beurze genoteerde effecten, bereid zullen zijn daarvoor de intrinsieke waarde te betalen, waarbij volgens verweerder niet van belang is of sprake is van een minderheids- of een meerderheidspakket aandelen. Zo het onderscheid tussen minderheids- en meerderheidsaandeelhouders wel van belang zou zijn, dan is volgens verweerder sprake van een samenwerkende groep van aandeelhouders. Ook in dat geval acht verweerder waardering van de aandelen op de intrinsieke waarde daarvan aangewezen.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er met deze stellingname ten onrechte aan voorbij gaat dat in het hiervoor genoemde arrest sprake was van een 100% belang in de vennootschap. In het onderhavige geval kregen eisers als gevolg van het overlijden van F ieder 20% van de aandelen. Eiser bezat reeds 3% van de aandelen zodat hij door het overlijden een belang kreeg van in totaal 23%. Eiseres bezat reeds 1% zodat zij door het overlijden een belang kreeg van in totaal 21%. Beide erfgenamen hadden derhalve, zowel ieder voor zich als tezamen bezien, ook na het overlijden een minderheidsbelang in de BV. Dat sprake zou zijn van een samenwerkende groep aandeelhouders, heeft verweerder niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de directie een beleid voert waarbij winsten niet of beperkt worden uitgekeerd, is onvoldoende om te concluderen dat eisers moeten worden gelijkgesteld met meerderheidsaandeelhouders. Voor zover verweerder, met zijn stelling dat door artikel 2:216 BW het belang van het onderscheid in minderheids- en meerderheidsaandeelhouders steeds meer vervaagt, bedoelt te stellen dat de aandeelhouders kunnen verlangen dat dividend wordt uitgekeerd, overweegt de rechtbank dat in dit geval gesteld, noch gebleken is dat de aandeelhouders een hoger dividend, dan het thans jaarlijks uitgekeerde dividend, zouden willen ontvangen.

Ten slotte is verweerders enkele stelling dat, gelet op de omvang van de pakketten aandelen van eisers, sprake is van een (doorslaggevende) machtspositie, onvoldoende om eisers gelijk te stellen met meerderheidsaandeelhouders.

4.6. Nu sprake is van een minderheidspakket aandelen in de BV, is waardering van de aandelen op de intrinsieke waarde daarvan niet juist. Verweerders berekening van de waarde van de aandelen wordt door de rechtbank dan ook niet gevolgd.

4.7. De berekening van de waarde met behulp van de formule die eisers bepleiten kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is de rentabiliteitswaarde in aanmerking te nemen nu de activiteiten van de BV in hoofdzaak bestaan uit beleggen. Voorts oordeelt de rechtbank dat in het onderhavige geval een zwaarder gewicht dient toe te komen aan de intrinsieke waarde dan door eisers is gesteld. De rechtbank acht voor dit oordeel van belang dat eisers ten opzichte van de overige aandeelhouders een relatief groot aandelenpakket hebben verkregen. Tevens voert eiser, door zijn plek in de directie, mede het beleid ten aanzien van de BV. De waarde van de panden en de effecten die ten tijde van het overlijden deel uitmaakten van het vermogen van de BV dienen daarom mede bij de waardering van de aandelen die door eisers zijn verkregen, tot uitdrukking te komen. De rechtbank stelt de waarde van de aandelen in de BV in goede justitie op het gemiddelde van de rendementswaarde en de intrinsieke waarde daarvan.

4.8. Ten aanzien van de hoogte van de intrinsieke waarde van de aandelen heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de in de effectenportefeuille van de BV aanwezige stille reserve van € 164.793, waarvan € 65.918 moet worden toegerekend aan de aandelen die eisers hebben verkregen. Eisers hebben de aanwezigheid van deze stille reserve en de hoogte daarvan niet weersproken.

Tussen partijen is niet in geschil dat de intrinsieke waarde van de 75 aandelen in de BV, zonder rekening te houden met de stille reserve in de effectenportefeuille en met inachtneming van een Vpb-latentie van 20%, € 899.214 bedraagt. De rechtbank stelt de intrinsieke waarde met inachtneming van deze stille reserve per aandeel dan ook op € 14.187 (€ 899.214/75 + € 164.793/75). Eisers hebben voorts gesteld, en verweerder heeft dit niet weersproken, dat de rendementswaarde € 2.250 per aandeel bedraagt.

4.9. Overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 4.7. is overwogen, stelt de rechtbank de waarde van de aandelen op het gemiddelde van de rendementswaarde (€ 2.250) en de intrinsieke waarde (€ 14.187). De verkrijging van eisers, voor zover het de aandelen in de BV betreft, bedraagt daardoor voor elk € 123.278 ((€14.187 + € 2.250): 2 x 15).

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal de belaste verkrijging voor elke eiser verminderen tot € 218.292.

5. Proceskosten

Nu de beroepen van eisers gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van eisers vastgesteld op € 655, zijnde de reiskosten per tweede klasse van het openbaar vervoer ad

€ 11 en de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslagen van zowel eiser als eiseres tot een berekend naar een belaste verkrijging voor elk van € 218.292;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 655, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eisers dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eisers betaalde griffierecht van € 37 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter, en mrs. E. Jochem en M.J. Leijdekker, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.