Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ1775

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-10-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
06-5734
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De Spaanse autoriteiten hebben de Nederlandse Belastingdienst verzocht om nadere inlichtingen over Theban B.V. Theban B.V. heeft een voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat deze informatie wordt verstrekt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de Belastingdienst met de informatieverstrekking bleef binnen het verzoek van Spanje. Voorts mocht de Belastingdienst er vanuit gaan dat Spanje de gebruikelijke mogelijkheden heeft aangewend om in de eigen Staat de gevraagde inlichtingen te verkrijgen en is het ingevolge de WIB niet zo dat verweerder eerst had moeten nagaan of Spanje op grond van Spaans recht wel was gerechtigd om de gevraagde informatie op te vragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 5734

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2006

in de zaak van:

Theban B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.A. Franken, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Financiën,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.E. Schipper, rijksadvocaat,

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft verweerder verzoekster in kennis gesteld van verweerders besluit gevraagde gegevens te verstrekken aan de bevoegde fiscale autoriteiten van Spanje.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 4 juli 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van 5 juli 2006, ontvangen op 6 juli 2006, is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 oktober 2006, alwaar voor verzoekster, na bericht, niemand is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.E. Schipper, Rijksadvocaat en de heer Tan, werkzaam bij de FIOD-ECD.

2. Overwegingen

2.1 Op 30 november 2005 hebben de bevoegde autoriteiten van Spanje een verzoek gedaan aan de FIOD-ECD van de Belastingdienst in haar hoedanigheid als bevoegde autoriteit, inhoudende een verzoek tot verstrekking van gegevens met betrekking tot de historie, aandeelhouders, bestuurders en jaarrekeningen van Theban B.V., alsmede de relatie met Reformas Alca 90 SL. Verweerder heeft aan verzoekster meegedeeld dat de volgende documenten in kopie zullen worden verstrekt:

1. Management agreement van 2 april 2001;

2. Aandeelhoudersregister van Theban B.V.;

3. Proxy Falki van 18 oktober 2005;

4. Company fact sheet van 30 juni 2005;

5. Silent partnership agreement Reformas Alcala 90 SL;

6. Silent partnership agreement Reformas Costa Sur S.A.;

7. Overeenkomst tussen Theban en Reformas groep van juli 2002;

8. Jaarrekeningen 2000 tot en met 2004.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en meer specifiek tegen het overleggen van de documenten genoemd onder punt 3 en 4.

2.2 Verweerder heeft ten aanzien van één stuk, te weten het verzoek van de bevoegde autoriteiten van Spanje d.d. 30 november 2005, verzocht op basis van het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de kennisneming te beperken tot kennisneming door de rechtbank. Bij tussenbeslissing van 15 augustus 2006 heeft de rechtbank deze beperkte kennisneming gerechtvaardigd geacht. Verzoekster heeft vervolgens op 3 oktober 2006 de rechtbank toestemming verleend mede op grond van dit betreffende stuk uitspraak te doen.

2.3 Verzoekster verzoekt tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin dat de informatieverstrekking op verzoek van de Spaanse fiscale autoriteiten gebaseerd op artikel 5 Wet op de internationale bijstandsverlening bij het heffen van belastingen (WIB) wordt opgeschort en opgeschort gehouden totdat in hoogste instantie op het bezwaar van verzoekster is beslist. Dienaangaande heeft verzoekster zich - zakelijk weergegeven - op het volgende standpunt gesteld. De documenten genoemd onder punt 3 en 4 vallen geheel buiten het doel en de strekking van het verzoek van de Spaanse autoriteiten, althans dienen te vallen. De Spaanse fiscus wenst nadere informatie met betrekking tot de aandeelhouders te ontvangen. Daarentegen worden de gegevens van de uiteindelijk gerechtigde niet opgevraagd. Het verzoek tot het verstrekken van de documenten genummerd 3 en 4 gaat het informatieverzoek te buiten, althans de Spaanse fiscus heeft de bewijslast dat zij naar Spaans recht deze stukken kan en mag opvragen. Immers, er zijn andere documenten beschikbaar waaruit blijkt wie in de periode 2001 tot en met 2004 aandeelhouder is van Theban B.V.. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het uiterst twijfelachtig is of deze gegevens onder Spaans recht opgevraagd kunnen worden, nu de uiteindelijk gerechtigde geen inwoner is van Spanje. Indien de Spaanse fiscus niet kan aangeven op basis van welke wettelijke bepalingen zij meent de verzochte informatie te mogen opeisen, heeft verweerder de bestreden beslissing onzorgvuldig genomen. Daarnaast wordt aangevoerd dat de Spaanse autoriteiten de nationale middelen niet heeft uitgeput in de zin van artikel 13, eerste lid, sub d WIB. Tenslotte is nog aangevoerd dat uit de tussenbeslissing van de rechtbank van 15 augustus 2006 volgt dat Theban B.V. uitsluitend derde is waar de inlichtingen vandaan komen. Gelet hierop wordt verzocht uitdrukkelijk in te gaan op de verhouding van dit standpunt ten opzichte van het bepaalde in artikel 47, tweede lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.5 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belastingen (hierna: de Richtlijn) verstrekken de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten elkaar alle inlichtingen die hen van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belastingschuld op het gebied van de belastingen naar het inkomen en vermogen.

2.6 Ten behoeve van de nakoming van de Richtlijn strekken de bepalingen van de WIB. Op grond van artikel 5, eerste lid, WIB kan Onze Minister op verzoek van een bevoegde autoriteit haar de inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang kunnen zijn bij de heffing van één van de in artikel 1 bedoelde belastingen. Het tweede lid bepaalt dat Onze Minister degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Nederland woont of is gevestigd in kennis stelt van zijn besluit tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen. Bij de kennisgeving geeft Onze Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit van wie het verzoek afkomstig is.

2.7 Ingevolge artikel 28 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna: de Overeenkomst) wisselen de bevoegde autoriteiten van de Staten zodanige inlichtingen uit (zijnde inlichtingen die deze autoriteiten geordend voorhanden hebben) als nodig zijn om uitvoering te geven aan deze Overeenkomst.

2.8 Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a WIB versterkt onze Minister geen inlichtingen indien de verstrekking daarvan niet voortvloeit uit verplichtingen van de Richtlijn of uit andere verplichtingen van internationaal en interregionaal recht. In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d WIB is bepaald dat Onze Minister geen inlichtingen verstrekt indien aannemelijk is dat de bevoegde autoriteit in de eigen staat niet eerst de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van de door haar gevraagde inlichtingen heeft aangewend.

2.9 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verweerder met het verstrekken van de gegevens genoemd onder punt 3 en 4 het Spaanse inlichtingenverzoek niet te buiten gaat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de te verstrekken informatie blijft binnen de grenzen van de door de Spaanse autoriteiten gestelde vragen, in onderlinge samenhang bezien.

2.10 Voorts is de voorzieningenrechter, anders dan verzoekster, van oordeel dat

artikel 13, eerste lid, onder d, WIB niet is geschonden. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 juni 1993 (LJN: AQ0776) en 7 juli 1995 (LJN: AP9108) heeft de Afdeling in dit verband gesteld dat op degene die betwist dat de om inlichtingen verzoekende autoriteiten de gebruikelijke mogelijkheden hebben aangewend om in de eigen Staat de gevraagde inlichtingen te verkrijgen, de bewijslast rust om haar stelling aannemelijk te maken. De om inlichtingen verzochte Staat mag zolang dat bewijs niet geleverd is, afgaan op de mededeling van de om inlichtingen verzoekende Staat dat de gewenste informatie in eigen land niet verkrijgbaar is. De Spaanse autoriteiten hebben verweerder bericht alle gebruikelijke mogelijkheden te hebben aangewend, terwijl verzoekster niet door middel van bewijs aannemelijk heeft gemaakt dat deze mededeling niet juist zou zijn.

2.11 Evenmin kan verzoeksters stelling, dat de Spaanse autoriteiten op grond van Spaans recht niet gerechtigd zouden zijn de gegevens onder punt 3 en 4 op te vragen, worden gevolgd. Het geheel aan toepasselijke artikelen en dan met name ook de preambule behorende bij de Richtlijn, wijzen in de richting van een plicht van verweerder om, indien aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, WIB is voldaan, over te gaan tot verstrekking van de door de bevoegde autoriteiten van Spanje gevraagde stukken. Er is dan ook geen sprake van een bevoegdheid tot het verstrekken van gegevens, maar van een plicht, terwijl in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie als genoemd in artikel 13 WIB, op grond waarvan informatieverstrekking niet zou zijn toegestaan. Daarbij komt dat verweerder ter zitting nog heeft meegedeeld dat de Spaanse autoriteiten op grond van de eigen belastingregels wel degelijk bevoegd zijn, de gevraagde informatie op te vragen.

2.12 Ten aanzien van verzoeksters stelling dat gelet op bovengenoemde tussenbeslissing van 15 augustus 2006 de voorzieningenrechter uitdrukkelijk dient op de vraag hoe het standpunt van de rechtbank in de tussenbeslissing zich verhoudt met artikel 47, tweede lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen, overweegt de voorzieningenrechter dat deze stelling van verzoekster is gebaseerd op een verkeerde lezing van de genoemde tussenbeslissing. De voorzieningenrechter zal hier dan ook verder niet op ingaan.

2.13 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.14 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, voorzieningenrechter, en op 30 oktober 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.