Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ1225

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
31-10-2006
Zaaknummer
15/501030-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Koerier cocaïne; voorwaardelijk opzet. De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde feit, nu verdachte geen opzet, ook niet in de voorwaardelijke zin, heeft gehad op de invoer van cocaïne.

De ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat zij niet wist dat de in haar bagage aangetroffen chocoladerepen cocaïne bevatten, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het is niet aannemelijk dat verdachte, zoals zij heeft verklaard, door ene [betrokkene] is benaderd om voor zijn in Limburg woonachtige broer repen chocolade van een bepaald merk ter waarde van circa 40 US Dollar te kopen op Schiphol, welke repen vervolgens door deze broer vanuit Limburg op Schiphol zouden worden afgehaald, terwijl diezelfde repen in supermarkten in het hele land, ook in Limburg, verkrijgbaar zijn. Verdachte zou deze repen volgens haar verklaring moeten kopen in een bepaalde winkel op luchthaven Schiphol, voordat zij de douane zou passeren. In deze winkel werd verdachte door een haar onbekende man benaderd die zei dat hij de repen chocolade al gekocht had. Hoewel verdachte zelf geld van [betrokkene] voor de aanschaf van de repen zou hebben gekregen, heeft ze de haar aangeboden repen meegenomen. Verdachte zegt deze repen vervolgens te hebben opgeborgen in haar ruimbagage. De rechtbank acht dit verhaal volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte opzettelijk de in de chocola verborgen cocaïne heeft ingevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/501030-06

Uitspraakdatum: 5 oktober 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 september 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, P.I.V. HvB Nieuwersluis te Nieuwersluis.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij op of omstreeks 27 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2139,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Opzet

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde feit, nu verdachte geen opzet, ook niet in de voorwaardelijke zin, heeft gehad op de invoer van cocaïne.

De ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat zij niet wist dat de in haar bagage aangetroffen chocoladerepen cocaïne bevatten, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het is niet aannemelijk dat verdachte, zoals zij heeft verklaard, door ene [betrokkene] is benaderd om voor zijn in Limburg woonachtige broer repen chocolade van een bepaald merk ter waarde van circa 40 US Dollar te kopen op Schiphol, welke repen vervolgens door deze broer vanuit Limburg op Schiphol zouden worden afgehaald, terwijl diezelfde repen in supermarkten in het hele land, ook in Limburg, verkrijgbaar zijn. Verdachte zou deze repen volgens haar verklaring moeten kopen in een bepaalde winkel op luchthaven Schiphol, voordat zij de douane zou passeren. In deze winkel werd verdachte door een haar onbekende man benaderd die zei dat hij de repen chocolade al gekocht had. Hoewel verdachte zelf geld van [betrokkene] voor de aanschaf van de repen zou hebben gekregen, heeft ze de haar aangeboden repen meegenomen. Verdachte zegt deze repen vervolgens te hebben opgeborgen in haar ruimbagage. De rechtbank acht dit verhaal volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte opzettelijk de in de chocola verborgen cocaïne heeft ingevoerd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan

in dier voege dat zij op 27 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 2139, 7 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van overige beslissingen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting terzake van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van meer dan twee kilogram cocaïne gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van alle op de beslaglijst genoemde goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze verbeurd zullen worden verklaard, met uitzondering van de telefoons, waarvan de officier van justitie heeft gevorderd dan deze aan verdachte geretourneerd zullen worden.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van meer dan twee kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank zal bepalen dat na te noemen gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd opdat verdachte er in de toekomst van wordt weerhouden strafbare feiten, met name ook soortgelijke, te begaan.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de claimtags, de instapkaart, het label, de receipts of flights reservations en het vliegticket, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die aan verdachte toebehorende voorwerpen, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf (5) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, waarbij zij een proeftijd van twee jaar vaststelt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

– 2.00 STK Claimtag, KLM, kl 579008;

– 1.00 STK Instapkaart, KLM, aruba – adam;

– 1.00 STK Label, KLM bagage kl 579008;

– 2.00 STK Diverse, receipt of payment flight reservation;

– 1.00 STK Vliegticket, KLM 0742442387333.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

– 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart, SAMSUNG t600;

– 1.00 STK Telefoontoestel, NOKIA.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Mierlo, voorzitter,

mrs. Toeter en Mateman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van der Ploeg,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2006.