Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ1213

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-10-2006
Datum publicatie
21-11-2006
Zaaknummer
05/2182
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsstelling op basis van artikel 34 Invorderingswet, bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-2160
V-N 2007/20.27

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2182

Uitspraakdatum: 30 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiseres bij twee beschikkingen, beide met dagtekening 8 november 2004, op grond van artikel 34, subsidiair artikel 35 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld (loon- en omzetbelasting over de periode 4e kwartaal 2000 tot en met juli 2001) van A B.V. (hierna A) tot een bedrag van (in totaal) € 31.435.

Verweerder heeft bij twee in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 april 2005 de aansprakelijkstellingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 mei 2005, ontvangen bij de rechtbank op 27 mei 2005, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van 21 juni 2005 ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2006.

Namens eiseres is daar verschenen mr. B (C Belastingadviseurs). Namens verweerder zijn verschenen D en E. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres voert een onderneming die zich bezighoudt met distributie en logistieke dienstverlening. Haar activiteiten, voor zover hier van belang, bestaan er - kort gezegd - in dat goederen bij cliënten worden opgehaald, deze goederen in een loods worden gelost en gesorteerd, de goederen worden voorzien van een etiket en vervolgens in een (vracht/bestel)wagen worden geladen om naar een volgende bestemming te worden gebracht.

2.2. Eiseres beschikt over een vervoersvergunning en heeft medewerkers in dienst die genoemde werkzaamheden verrichten met (vracht/bestel)wagens van eiseres. Daarnaast maakt eiseres gebruik van de diensten van transport- en koeriersbedrijven.

2.3. F (dat naar tussen partijen niet in geschil is onderdeel uitmaakte van het concern van eiseres en als contractspartij te dezen met haar moet worden vereenzelvigd, hierna ook te noemen: eiseres) en A hebben op 1 juli 2000 een overeenkomst gesloten met als opschrift "vervoerderscontract". In deze overeenkomst, waarin eiseres wordt aangeduid als "opdrachtgever" en A als "opdrachtnemer" of "vervoerder", zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

"10. Opdrachtgever en opdrachtnemer zijn overeengekomen dat opdrachtnemer de door opdrachtgever dagelijks aangeboden pakketten zal sorteren en afleveren in het bestelgebied, wat de postcodes: 0000 t/m 0000, 0000 en 0000 t/m 0000 omvat.

Voorts zal opdrachtnemer de, vrijwel dagelijks, in het bestelgebied ter verzending aangeboden goederen bij de verladers afhalen en vervolgens lossen op het depot van opdrachtgever.

Het is de vervoerder niet toegestaan vervoer aan derden uit te besteden zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Het is de vervoerder niet toegestaan bijlading te vervoeren.

(...)

16. Opdrachtnemer behandelt en vervoert de goederen op de wijze zoals aangegeven in het Handboek Chauffeur van de G B.V., welk Handboek als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd.

De handelwijze met betrekking tot de goederen is uitvoerig beschreven in de paragrafen 7, 8, 10, 12, 13, 14, 15, 16 en 19 van het hierboven genoemde Handboek.

Aanvullende instructies van de opdrachtnemer aan zijn personeel mogen niet strijdig zijn met de bepalingen van G en zijn hieraan ondergeschikt."

2.4. In het hiervoor genoemde Handboek Chauffeur zijn onder meer de volgende paragrafen opgenomen:

"Paragraaf 7 Scannen en het beheer van het bestel-/routeboek en de handscanner

Paragraaf 8 Het bestellen en de bestellijst

Paragraaf 10 Vertrek vanaf het depot

Paragraaf 12 Bedragen van rembourszendingen

Paragraaf 13 Geweigerde zendingen

Paragraaf 14 Niet thuis

Paragraaf 15 Afhaalopdrachten

Paragraaf 16 Het afhalen en uitladen van pakketten en goederen

Paragraaf 19 Tanken"

2.5. A heeft gedurende de gehele in geschil zijnde periode, 4e kwartaal 2000 tot en met juli 2001, vervoerswerkzaamheden voor eiseres verricht.

2.6. Op 22 augustus 2001 is A in staat van faillissement verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is of eiseres terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld van A. Ter zitting heeft verweerder uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij niet langer verdedigt dat de beschikkingen inzake aansprakelijkstelling kunnen worden gebaseerd op artikel 35 IW. Het geschil beperkt zich dan ook tot de vraag of de beschikkingen kunnen worden gebaseerd op artikel 34 IW. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is de berekening en de hoogte van het bedrag waarvoor eiseres aansprakelijk is gesteld tussen partijen niet in geschil.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Ter zitting hebben partijen daaraan - voor zover hier van belang - nog het volgende toegevoegd:

Eiseres:

Op verweerder rust de last om de aan de aansprakelijkstelling ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan te dragen. Verweerder heeft echter geen feitelijk onderzoek verricht.

Er is geen sprake van inlening van personeel en geen sprake van toezicht en leiding van eiseres ten opzichte van de werknemers van A.

Verweerder:

Er heeft geen feitelijk onderzoek plaatsgevonden bij eiseres of A. Wel hebben wij een bezoek gebracht aan H bij hem thuis. Van hetgeen daar is besproken, is geen verslag opgemaakt.

In Q en R wordt de post verzameld en worden de pakketten klaargezet voor vervoer door eiseres of A. A haalt het daar op. Ik had niet de indruk dat A die pakketten nog moet uitzoeken. Het is een kwestie van inladen en wegrijden, denk ik. Mijn indruk is dat alles klaarlag voor A.

Als zich tijdens de rit een probleem voordoet, dan belt de chauffeur met H. Eens in de zoveel tijd heeft H dan contact met eiseres.

Schade aan de lading moesten de chauffeurs direct melden aan eiseres; dat ging niet via H.

Ik ga ervan uit dat het gehele Handboek Chauffeur ook voor de chauffeurs van A gold. Ik kan dat verder niet aantonen.

Er is geen sprake van een betaling van uurloon; de afgesproken vergoeding kan echter gemakkelijk worden teruggerekend naar een uurloon.

A mocht geen andere goederen vervoeren; ze ging helemaal op in eiseres. Je kon niet zien dat de goederen door A werden vervoerd.

Er is wel sprake van toezicht en leiding door eiseres; eiseres bepaalt feitelijk alles.

Ik trek de subsidiaire grondslag van de aansprakelijkstelling, de ketenaansprakelijkheid op grond van artikel 35 IW, in. Ik heb voor die grondslag te weinig munitie.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 34, eerste lid, van de IW luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

“Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete.”

4.2. Op verweerder rust de last om feiten en omstandigheden te stellen en zonodig aannemelijk te maken die kunnen leiden tot de conclusie dat in de betreffende periode personeel van A door deze ter beschikking is gesteld aan eiseres, om onder haar toezicht of leiding werkzaam te zijn.

4.3. Verweerder heeft in de gedingstukken in dit verband de volgende feiten en omstandigheden gesteld.

A stelde zijn personeel en auto's ter beschikking. Eiseres bepaalde welke goederen waar en wanneer door de medewerkers moesten worden bezorgd. Er werd gebruik gemaakt van A vanwege het personeel van A. De chauffeurs werkten rechtstreeks voor en op instructies van eiseres. A reed exclusief voor eiseres. Het was daarbij niet mogelijk om zelfstandig de route te bepalen. A mocht geen pakketten van anderen meenemen. Het werken volgens het Handboek Chauffeur was een door eiseres opgelegd vereiste en moest bijdragen aan de professionele uitstraling van eiseres.

Dat niet uitdrukkelijk op urenbasis vergoeding heeft plaatsgevonden, doet niet af aan het feit dat sprake was van inlening. In de eerste plaats is het geen noodzakelijkheid voor inlening om af rekenen per uur; daarnaast is de berekening zoals deze plaatsvindt te herleiden tot een uurtarief.

Voorts was sprake van toezicht en leiding van de zijde van eiseres. Dat blijkt met name uit het feit dat (ook) het personeel van A was gebonden aan het bij eiseres in gebruik zijnde Handboek Chauffeur. Er is sprake van rechtstreeks contact tussen de leiding van eiseres en personeel van A. Dat blijkt ook uit de bepalingen van het Handboek. Verwezen wordt naar de paragrafen 1 en 2 van het Handboek Chauffeur. Zo dient de chauffeur zich flexibel op te stellen met zijn directe chef. Bij afwijking van de route moet dit telefonisch worden doorgegeven aan de directe chef. Ook de inzet van het personeel wordt in deze paragrafen nadrukkelijk in kaart gebracht. Verder is in het Handboek onder meer bepaald dat indien kosten niet door de chauffeur kunnen worden voorgeschoten contact moet worden opgenomen met de directe chef of de werkgever, dat onregelmatigheden moeten worden gemeld aan de verantwoordelijke loodsmedewerker, dat controle plaatsvindt in opdracht van het depot of namens eiseres, dat beschadigingen door de chauffeur moeten worden gemeld aan de loodsmedewerker en dat de chauffeur na terugkomst de afgehaalde pakketten en goederen direct moet laten controleren door de verantwoordelijke loodsmedewerker.

Ter zitting heeft verweerder aan het voorgaande nog hetgeen hiervoor onder 3.3. is weergegeven toegevoegd.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bovenstaande feiten en omstandigheden – gesteld al dat deze de conclusie zouden rechtvaardigen dat sprake is van inlening van personeel – tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5. De stellingen van verweerder missen feitelijke onderbouwing. Ter zitting is komen vast te staan dat door verweerder geen enkel onderzoek is verricht naar de wijze waarop de samenwerking tussen eiseres en (het personeel van) A in de praktijk verliep. Naar verweerder verklaarde is er wel een gesprek geweest met H, directeur van A. Niet duidelijk is echter wanneer dit gesprek heeft plaatsgevonden en van dit gesprek is ook geen verslag opgemaakt. Dit gesprek werpt dus geen licht op de feitelijke gang van zaken. Bij gebreke aan concrete informatie op dit punt kan de rechtbank niet tot de conclusie komen dat sprake is van inlening van personeel als bedoeld in artikel 34, lid 1, IW.

4.6. Daar komt bij dat verweerder ten onrechte ervan uitgaat dat alle paragrafen van het Handboek Chauffeur ook van toepassing zijn op door A ingezette chauffeurs. Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 16 van de hiervoor onder 2.3. genoemde overeenkomst aldus worden begrepen dat uitsluitend de aldaar genoemde paragrafen op de chauffeurs van A van toepassing zijn verklaard, zoals ook door eiseres is betoogd.

Uit deze van toepassing verklaarde paragrafen uit het Handboek Chauffeur kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden afgeleid dat de werknemers van A onder toezicht en leiding van (medewerkers van) eiseres werkzaam waren. Uit die bepalingen blijkt immers niet dat de directe chef van de chauffeurs van A een medewerker van eiseres was en evenmin dat deze medewerker de daarmee samenhangende zaken, zoals bijvoorbeeld het opstellen van werkroosters, het verwerken van ziekmeldingen het zorgen voor vervanging bij ziekte, regelde. Daar komt nog bij dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de vraag of de samenwerking ook feitelijk overeenkomstig deze bepalingen verliep.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en de uitspraken op bezwaar, alsmede de beschikkingen aansprakelijkstelling te worden vernietigd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank ziet – anders dan door eiseres is verzocht – geen reden verweerder te veroordelen tot integrale vergoeding van de door eiseres gemaakte kosten.

Deze kosten worden daarom op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.127 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322, en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de beschikkingen van 8 november 2004;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.127, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, mr. S.C.W. Douma en mr. E. Jochem in tegenwoordigheid van mr. F.M. van Waalwijk van Doorn - Goedhart, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.