Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ1166

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-09-2006
Datum publicatie
30-10-2006
Zaaknummer
06-8248 en 06-8017
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeksters bijstanduitkering is beëindigd, omdat zij naar een andere gemeente zou zijn vertrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel, het geheel van omstandigheden bezien, dat verweerder zonder nader onderzoek de uitkering niet kon beëindigen. Verweerder was immers op de hoogte van de ontruiming en het feit dat verzoekster met een kind zoekende was naar een nieuw adres. De enkele opmerking dat zij "van 21 augustus tot heden" bij haar nicht in Amsterdam verbleef, is onvoldoende om tot beëindiging te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 06-8248, AWB 06-8017

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2006

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Zaanstad,

verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2006 heeft verweerder verzoeksters uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) opgeschort met ingang van 1 augustus 2006, wegens schending van de informatieplicht.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 5 september 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 06-8017).

Bij besluit van 8 september 2006 heeft verweerder verzoeksters uitkering krachtens de WWB beëindigd met ingang van 21 augustus 2006, omdat verzoekster naar een andere gemeente vertrekt.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 18 september 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 06-8248).

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 19 september 2006, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C.M. Valkering, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

2. Overwegingen

2.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Verzoekster ontving een uitkering krachtens de WWB naar de norm van een alleenstaande ouder. Op 14 augustus 2006 is verzoeksters woning ontruimd. Bij besluit van 24 augustus 2006 heeft verweerder verzoeksters uitkering op grond van artikel 54, eerste lid, WWB opgeschort met ingang van 1 augustus 2006, omdat het vermoeden bestond dat verzoekster niet langer recht had op een uitkering of de voortzetting daarvan wegens schending van de informatieplicht. Volgens verweerder is na de ontruiming onbekend waar verzoekster en haar dochter verblijven, dan wel slapen en waar de inboedel is opgeslagen. Voorts is verzoekster op grond van artikel 54, tweede lid, WWB in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Verzoekster heeft tot 4 september 2006 de gelegenheid gekregen om gegevens over te leggen, waaronder een controleerbare lijst van namen en adressen waar verzoekster en haar dochter sedert 14 augustus 2006 verblijven en een verklaring waar de inboedel is opgeslagen. Bij schrijven van 21 augustus 2006 en 25 augustus 2006 heeft verzoekster gereageerd. Bij besluit van 8 september 2006 heeft verweerder verzoeksters uitkering beëindigd per 21 augustus 2006 wegens het vertrek van verzoekster naar een andere gemeente.

2.2 Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de opschorting en de beëindiging. Aangevoerd wordt dat nu verzoeksters woning eerst op 14 augustus 2006 is ontruimd, de opschorting van haar uitkering over de periode 1 augustus 2006 - 14 augustus 2006 iedere grondslag ontbeert. Daarnaast heeft verzoekster verweerder tijdig, zowel schriftelijk als telefonisch op de hoogte gesteld van haar omstandigheden en verblijfplaatsen. Verzoekster heeft van 14 augustus 2006 tot en met 21 augustus 2006 in haar auto geleefd, terwijl haar dochter met vrienden mee was naar Centerparks. Vanaf 21 augustus 2006 heeft verzoekster grotendeels in Zaandam verbleven en zij heeft ook vier dagen gelogeerd bij haar nicht in Amsterdam. Voorts is zij druk doende gepaste woonruimte te zoeken binnen de gemeente Zaandam. Verzoekster is niet woonachtig binnen de gemeente Amsterdam en ook niet voornemens binnen de gemeente Amsterdam (en dan specifiek bij haar nicht) te gaan wonen. Verzoekster heeft dit ook nooit te kennen gegeven aan verweerder. Vanwege het feit dat verzoekster tijdelijk niet over woonruimte beschikt, slaapt zij regelmatig bij haar zus en bij verdere vrienden en kennissen, woonachtig in Zaanstad. Verzoekster heeft al enkele malen verzocht om te kunnen worden geregistreerd als dakloze, maar verweerder verleent hiertoe geen medewerking. Dit terwijl verweerder zich dienaangaande actief zou moeten opstellen, gelet op het bepaalde in artikel 40, tweede lid, WWB. Zowel de beslissing inzake de opschorting van de uitkering als de beslissing omtrent de beëindiging van de uitkering ontbeert een deugdelijke motivering.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van de beëindiging, AWB 06-8248

2.3 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.4 In artikel 11, eerste lid, WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

2.5 In artikel 40, eerste lid, WWB is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2.6 Op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

2.7 De voorzieningenrechter ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder verzoeksters uitkering krachtens de WWB naar voorlopig oordeel op juiste gronden met ingang van 21 augustus 2006 heeft beëindigd.

2.8 De voorzieningenrechter stelt vast dat de woning van verzoekster op 14 augustus 2006 is ontruimd. Verzoekster heeft vervolgens bij brief van 21 augustus 2006 aan verweerder laten weten dat zij in haar auto heeft geslapen en dat zij alleen post en kleding heeft meegenomen. Op 25 augustus 2006 heeft zij bij brief aan verweerder meegedeeld dat zij bij [mevrouw A] verbleef, onder vermelding van de straat en een 06-nummer, met het verzoek aan verweerder om telefonisch contact op te nemen "in verband met een postadres". Volgens een korte handgeschreven opmerking op de brief van 25 augustus 2006 is vervolgens op 28 augustus 2006 contact opgenomen met verzoekster maar is het gesprek beëindigd toen verzoekster aangaf dat het adres van [mevrouw A] in Amsterdam was en verweerder daarop aangaf dat haar uitkering zou worden beeindigd. Vervolgens heeft verweerder verzoeksters uitkering beëindigd, omdat verzoekster volgens verweerder naar een andere gemeente zou zijn vertrokken.

2.9 De voorzieningenrechter is van oordeel, het geheel van omstandigheden bezien, dat verweerder zonder nader onderzoek de uitkering niet kon beëindigen. Verweerder was immers op de hoogte van de ontruiming en het feit dat verzoekster met een kind zoekende was naar een nieuw adres. De enkele opmerking dat zij "van 21 augustus tot heden" bij [mevrouw A] in Amsterdam verbleef, is onvoldoende om tot beëindiging te komen. Mede gelet op de basisvoorziening die de WWB is, had verweerder nader onderzoek dienen in te stellen naar de woonplaats van verzoekster, bijvoorbeeld door verzoekster op te roepen om een en ander toe te lichten. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat, ondanks dat verzoekster in de gelegenheid is gesteld, zij verzuimd heeft gegevens over te leggen, zodat niet vastgesteld kon worden of verzoekster binnen de gemeente Zaanstad verbleef. Volgens verweerder is verzoeksters uitkering dan ook op juiste gronden beëindigd en zal haar bezwaar geen kans van slagen hebben. Ten aanzien van dit standpunt overweegt de voorzieningenrechter echter dat verweerder verzoeksters uitkering heeft beëindigd wegens het vertrek van verzoekster naar een andere gemeente. Verweerder heeft de uitkering van verzoekster niet beëindigd wegens het niet voldoen aan de informatieplicht. Daarnaast is gebleken dat verzoekster op 21 augustus 2006 en 25 augustus 2006 wel de gevraagde informatie heeft verstrekt. Verweerder kan dan ook niet in dit standpunt worden gevolgd. Dit klemt des te meer, nu verzoekster in bezwaar heeft aangegeven slechts enkele dagen te hebben gelogeerd bij [mevrouw A], terwijl [mevrouw A] ook heeft verklaard dat verzoekster slechts enkele dagen bij haar heeft gelogeerd en dat verzoekster haar adres niet als postadres kan gebruiken. Inmiddels is ook gebleken dat verzoekster zich heeft gevestigd in een kraakpand te Zaandam.

2.10 Gelet op het voorgaande zal naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de beslissing van verweerder in bezwaar geen stand kunnen houden.

2.11 Verzoekster en haar dochter zijn voor hun bestaan afhankelijk van bijstand en door het ontbreken van bijstand zijn zij nog meer in financiële problemen geraakt.

2.12 Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek daartoe zal derhalve op de hierna vermelde wijze worden toegewezen. Gelet hierop behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

2.13 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Voor de namens verzoekster verrichte proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen, te weten het indienen van een verzoekschrift en het verschijnen ter zitting, heeft de voorzieningenrechter twee punten geteld en daarbij het gewicht van de zaak als gemiddeld aangemerkt. Die kosten dienen aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld te worden op € 644,-. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.14 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningrechter de gemeente Zaanstad aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

2.15 Ten aanzien van de opschorting van de uitkering, AWB 06-8017

2.16 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.17 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de beslissing om verzoeksters uitkering krachtens de WWB op te schorten met ingang van 1 augustus 2006 niet juist is geweest, omdat verzoeksters woning eerst op 14 augustus 2006 is ontruimd. Verweerder heeft voorts aangegeven dat verzoeksters uitkering over de periode 1 augustus 2006 tot 21 augustus 2006, zijnde de datum van beëindiging van verzoeksters uitkering, alsnog zal worden uitbetaald. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeksters belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is komen te ontvallen. De voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen.

2.18 Wel bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Voor de namens verzoekster verrichte proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen, te weten het indienen van een verzoekschrift, heeft de voorzieningenrechter één punt geteld en daarbij het gewicht van de zaak als gemiddeld aangemerkt. Die kosten dienen aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld te worden op ? 322,-. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.19 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningrechter de gemeente Zaanstad aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer AWB 06-8248 toe;

3.2 draagt verweerder op verzoekster met ingang van 5 september 2006, zijnde de datum van het eerste verzoek, tot de eerste dag na verzending van de beslissing op bezwaar, voorschotten te verstrekken ter hoogte van de bijstandsnorm van een alleenstaande ouder;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer AWB 06-8017 af;

3.4 veroordeelt het college van burgemeesters en wethouders van Zaanstad in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,-, welk bedrag de gemeente Zaanstad dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.5 gelast dat de gemeente Zaanstad het door verzoekster tweemaal betaalde griffierecht van in totaal € 76,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, en op

25 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

mr. A. Buiskool, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.