Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ1143

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
30-10-2006
Zaaknummer
06-7898
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekers uitkering krachtens de WWB is met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de omstandigheden, verweerder heeft kunnen concluderen dat verzoeker arbeid als zelfstandige verrichtte. Weliswaar heeft verweerder niet geconstateerd dat verzoeker daadwerkelijk bezig was met handel drijven, maar uit alle activiteiten van verzoeker heeft verweerder dat wel mogen afleiden en was het aan verzoeker om aan te tonen dat hij geen activiteiten als zelfstandige ondernam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 7898

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 september 2006

in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem,

tegen:

het College van Burgemeesters en Wethouders van de Gemeente Beverwijk,

verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2006, verzonden op 31 juli 2006, heeft verweerder besloten eisers uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 1 februari 2006 in te trekken.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 augustus 2006 bezwaar gemaakt.

Tevens heeft eiser bij brief van 6 september 2006 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 september 2006, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.J. Boonstra en C. van Bodegom, werkzaam bij de gemeente Beverwijk.

2. Overwegingen

2.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Verzoeker en zijn echtgenote ontvingen met ingang van 1 februari 2006 een uitkering krachtens de WWB naar de norm van een echtpaar. Verzoeker was aangemeld voor een werkstage bij de Meergroep. Omdat verzoeker weigerde op donderdag en vrijdag te werken is bij verweerder het vermoeden ontstaan dat verzoeker ook andere werkzaamheden had. Verweerder heeft vervolgens een onderzoek ingesteld. Naar aanleiding van een huisbezoek op 14 juli 2006 en een gesprek met de vestigingsmanager van Allsafe Mini opslag hebben onderzoekers op 19 juli 2006 een rapportage opgesteld. Op grond van deze rapportage heeft verweerder bij besluit van 28 juli 2006 besloten verzoekers uitkering te beƫindigen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de in de artikel 17, eerste lid, WWB opgenomen inlichtingenplicht. Immers, volgens verweerder verricht verzoeker per 1 februari 2006 werkzaamheden als zelfstandige. Derhalve heeft verweerder op grond van artikel 54, derde lid, WWB besloten eisers uitkering in te trekken.

2.2 Verzoeker ontkent dat hij activiteiten als zelfstandige onderneemt. Hij had in het verleden een kruidenzaakje op de Beverwijkse Bazaar, maar verzoeker heeft zijn bedrijf verkocht en sinds 1 februari 2006 ontvangt hij een uitkering krachtens de WWB. Verzoeker heeft bij de overdracht van zijn kraam alles overgedragen op enkele goederen na, bestemd voor eigen gebruik, te weten enkele zakken rijst en een heleboel kruiden die over de datum waren. Verzoeker vond het zonde om alles te vernietigen en besloot de kruiden voor eigen gebruik te houden. Daarom had verzoeker nog kruiden op zolder en in zijn opslag. Verzoeker heeft geen kraam meer, is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en kan op geen enkele manier rondkomen van de verkoop van kruiden die over de datum zijn en enkele zakken rijst. Verzoeker heeft tot twee keer toe geprobeerd een nieuwe uitkering aan te vragen, maar deze aanvragen werden door verweerder niet in behandeling genomen. Verweerder wil dit niet op schrift stellen. Verzoeker werd doorverwezen voor een fulltime "meerkansbaan". Verzoeker kan op dit moment echter geen fulltime baan aanvaarden vanwege persoonlijke omstandigheden. Verzoekers echtgenote is ziek en verzoeker moet haar helpen in de huishouding. Daarnaast gaat verzoekers echtgenote vier dagen in de week naar school en moet hij voor de kinderen zorgen.

2.3 Verweerder heeft bij schrijven van 12 september 2006 aan deze rechtbank nog het volgende opgemerkt. Verzoeker heeft zich tot twee keer toe gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) te Beverwijk. De eerste keer heeft verzoeker aangegeven dat hij geen uitkering krachtens de WWB wilde aanvragen, maar dat hij slechts een voorschot wilde. De tweede keer heeft verzoeker aangegeven geschikt te zijn voor arbeid in loondienst, waarna hij is doorverwezen naar de Meergroep en het Work First Project. In het kader van dit project wordt een baan in loondienst aangeboden, zodat men in zijn eigen onderhoud kan voorzien. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker middels het accepteren van een Meerkansbaan direct aan het werk kan of had gekund en hierdoor kan of had kunnen beschikken over een inkomen. Gelet op het voorgaande bestaat volgens verweerder geen spoedeisendheid die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.5 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder in de stelling, dat geen sprake is van een spoedeisend belang nu verzoeker zelf een aangeboden baan heeft geweigerd, niet worden gevolgd. Immers, wat verder ook zij van de stelling dat verzoeker werk had kunnen hebben, vast staat dat verzoeker dit werk niet heeft en dat hij en zijn gezin thans geen uitkering ontvangen en derhalve geen geld hebben om te kunnen voorzien in de kosten van levensonderhoud. Reeds hiermee is het spoedeisend belang gegeven.

2.6 In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

2.7 In artikel 54, derde lid, onder a WWB is - voor zover hier van toepassing - bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, WWB, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.8 De voorzieningenrechter ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder verzoekers uitkering krachtens de WWB naar voorlopig oordeel op juiste gronden met ingang van 1 februari 2006 heeft ingetrokken.

2.9 Verweerder heeft zijn standpunt dat verzoeker activiteiten als zelfstandige verricht en dat verzoeker deze werkzaamheden heeft verzwegen gebaseerd op de bevindingen, zoals neergelegd in de rapportage van 19 juli 2006. Blijkens deze rapportage hebben de rapporteurs op 14 juli 2006 op twee tijdstippen op het adres van verzoeker een huisbezoek verricht. Dit naar aanleiding van een ziekmelding van verzoeker op 12 juli 2006 voor zijn werkstage. Op het eerste tijdstip troffen rapporteurs op de vliering een dertigtal zakken met kruiden, specerijen en bonen, aan. Ook was op de vliering een extra koelkast aanwezig gevuld met levensmiddelen, alsmede een kruideniersweegschaal. Vervolgens hebben rapporteurs verzocht verzoekers berging te zien. Verzoeker gaf echter aan dat hij de sleutel niet had. Rapporteurs hebben met verzoeker afgesproken later terug te komen. Naast de woning van verzoeker stond een bestelbus geparkeerd, welke tot 17 maart 2006 op naam van verzoeker stond, waarna de bus is overgeschreven op naam van [naam]. In de bestelbus lagen vier rollen tapijt.

Later die dag zijn rapporteurs opnieuw in de woning van verzoeker geweest. Dit keer kon verzoeker de berging wel openen. In de berging lagen de vier rollen tapijt die rapporteurs eerder in de bestelbus hadden zien liggen. Daarnaast lagen er acht tien-kilo zakken rijst en een grote hoeveelheid koek en thee. Nadat de rapporteurs waren vertrokken, zagen zij een paar straten verderop de bestelbus staan. De bestelbus was gevuld met zakken kruiden en specerijen. Rapporteurs hebben vervolgens besloten de bestelbus te observeren. Na een kwartier kwam verzoeker met zijn zwager bij de bestelbus en reden weg. Verzoeker reed naar de zwarte markt in Beverwijk en ging naar het bedrijf Allsafe Mini Opslag Beverwijk BV. Rapporteurs hebben bij de receptie van dit bedrijf gesproken met de vestigingsmanager. Deze verklaarde dat verzoeker bij het bedrijf een box huurde, waarvan hij de huur elke maand contant afrekende. De vestigingsmanager heeft aan rapporteurs een overzicht overgelegd waaruit blijkt hoe vaak verzoeker daar komt en hoe lang hij blijft. Dit overzicht is bij het rapport gevoegd. Uit dit overzicht blijkt dat verzoeker in de periode van februari 2006 tot 14 juli 2006 meerdere keren per week in de opslag kwam. Rapporteurs zijn vervolgens naar de box van verzoeker gegaan, alwaar verzoeker met zijn zwager bezig was de kruiden uit de bestelbus te laden.

2.10 De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op vooromschreven omstandigheden, verweerder heeft kunnen concluderen dat verzoeker arbeid als zelfstandige verrichtte. Weliswaar heeft verweerder niet geconstateerd dat verzoeker daadwerkelijk bezig was met handel drijven, maar uit alle activiteiten van verzoeker heeft verweerder dat wel mogen afleiden en was het aan verzoeker om aan te tonen dat hij geen activiteiten als zelfstandige ondernam. Hierbij is van belang dat de voorraad kruiden en specerijen die verzoeker in zijn bezit had te groot was voor eigen gebruik. Daarnaast heeft verzoeker na de overdracht van zijn marktkraam zijn box aangehouden en kon hij nog altijd gebruik maken van de bestelbus, die inmiddels niet meer op zijn naam stond. Gebleken is ook dat verzoeker na februari 2006 nog altijd meerdere malen per week in zijn box kwam en voorts is verzoeker door rapporteurs aangetroffen terwijl hij een grote voorraad kruiden en specerijen aan het uitladen was bij zijn box. Verzoeker heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de bevindingen van de rapporteurs Voorts wekt het bevreemding dat verzoeker plotseling ter zitting verklaarde dat de box niet meer door hem zou worden gebruikt, maar door een ander. Dit rijmt bovendien niet met het feit dat verzoeker op 14 juli 2006 door rapporteurs is aangetroffen bij de box, terwijl hij spullen aan het uitladen was. Ook acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat verzoeker toevallig juist op 14 juli 2006 de bestelbus had geleend. Veeleer is aannemelijk dat verzoeker nog altijd de (volledige) beschikking had over de bestelbus, ook al stond deze niet meer op zijn naam.

2.11 Gelet op alle feiten zoals door verweerder geconstateerd, zal naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de beslissing van verweerder in bezwaar stand kunnen houden.

2.12 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.13 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, en op 20 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.