Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ1070

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
108695
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis als bedoeld in 140 Rv, waarin het geding tegen de niet-verschenen gedaagde op grond van diens faillissement is geschorst. In een tussenvonnis wordt in een (bindende) eindbeslissing de zaak tegen de wel-verschenen gedaagde afgedaan. De wel-verschenen gedaagde wordt daarbij - maar niet hoofdelijk, gelijk gevorderd was - veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en de proceskosten, terwijl het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Na de opheffing van het faillissement van de niet-verschenen gedaagde vordert eiser veroordeling van de niet-verschenen gedaagde. Problematiek t.a.v. van hoofdelijkheid, proceskosten en terugkomen op in een tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 108695 / HA ZA 04-1860

Vonnis van 25 oktober 2006 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESDA ADMINISTRATIES BV,

gevestigd te Zwanenburg,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. T.C. van Schagen,

tegen

1. [GEDAAGDE SUB 1,]

wonende te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. L.W. Oude Essink,

2. [GEDAAGDE SUB 2,]

wonende te Diemen,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna Wesda,[ gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 februari 2006 en de daarin genoemde stukken

- het bericht van mr. Van Schagen d.d. 13 juni 2006

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. In de onderhavige procedure heeft Wesda bij dagvaarding van 8 december 2004 -samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van EUR 13.625,62, vermeerderd met rente en kosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd.

2.2. Als gevolg van het op 29 maart 2005 door de rechtbank Amsterdam uitgesproken faillissement van Gedaagde sub 2 is het geding voor zover tegen hem gericht geschorst (geweest).

2.3. In genoemd tussenvonnis van 1 februari 2006 is [gedaagde sub 1], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan Wesda van een bedrag van EUR 14.529,62, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 8 december 2004 tot de dag van volledige betaling en in de proceskosten, aan de zijde van Wesda tot op dat moment begroot op EUR 1.319,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de EUR 1.319,40 (bedoeld zal zijn: derde) dag na betekening van dat vonnis tot de dag van volledige betaling, en is het meer af anders gevorderde afgewezen.

2.4. Door de opheffing van het faillissement van Gedaagde sub 2 op 16 mei 2006 is de hiervoor onder 2.2. genoemde schorsing op die datum geëindigd.

2.5. Vanwege de destijds lopende schorsing in verband met diens faillissement van het geding tegen [gedaagde sub 2] kon de in rechte niet verschenen [gedaagde sub 2] in genoemd tussenvonnis nog niet (hoofdelijk) worden veroordeeld tot hetgeen zijn wel in rechte verschenen medegedaagde [gedaagde sub 1] in dat vonnis is veroordeeld. Nu die schorsing inmiddels is geëindigd en Wesda ook ten aanzien van [gedaagde sub 2] vonnis heeft gevraagd, zal [gedaagde sub 2], op dezelfde gronden waarop [gedaagde sub 1] in genoemd vonnis is veroordeeld, hoofdelijk worden veroordeeld tot waartoe ook [gedaagde sub 1] is veroordeeld.

2.6. Dat laatste geldt niet volledig voor de proceskosten. Nu [gedaagde sub 2] geen verweer heeft gevoerd is hij immers een lager bedrag aan proceskosten verschuldigd dan waartoe [gedaagde sub 1] is veroordeeld. De kosten aan de zijde van Wesda worden ten aanzien van [gedaagde sub 2] begroot op:

- dagvaarding EUR 70,40

- vast recht 345,00

- salaris procureur 452,00 (1,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 867,40

Aangezien [gedaagde sub 1] reeds in de proceskosten van Wesda is veroordeeld en het niet de bedoeling is dat Wesda haar kosten (bijna) tweekeer vergoed krijgt, zal de rechtbank bepalen dat - gelijk door Wesda gevorderd - die veroordeling hoofdelijk zal zijn, in die zin dat [gedaagde sub 1] de proceskosten betalende of betaald hebbend [gedaagde sub 2] in zoverre zal zijn bevrijd.

2.7. Omdat [gedaagde sub 1] in het tussenvonnis van 1 februari 2006 de enige was tegen wie een veroordeling werd uitgesproken, is die veroordeling niet hoofdelijk geweest. Omdat het, als gezegd, niet de bedoeling is dat Wesda de haar toegewezen vorderingen tweemaal betaald krijgt, te weten zowel van [gedaagde sub 1] als van [gedaagde sub 2], zal de rechtbank de reeds in genoemd tussenvonnis uitgesproken betalingsveroordelingen van Gedaagde sub 1 alsnog hoofdelijk doen zijn, in die zin dat Gedaagde sub 2 betalende of betaald hebbend Gedaagde sub 1 in zoverre zal zijn bevrijd. Voorzover de rechtbank met dat laatste zou terugkomen op een in het tussenvonnis van 1 februari 2006 gegeven eindbeslissing is zij daartoe gerechtigd (vergelijk Hoge Raad 15 september 2006, RvdW 2006, 855). Als [gedaagde sub 2] Wesda volledig betaalt of betaald heeft, is het immers ondeugdelijk te blijven bij de beslissing dat [gedaagde sub 1] Wesda zonder meer moet betalen.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt gedaagde sub 2, hoofdelijk, des dat gedaagde sub 1 betalende of betaald hebbend gedaagde sub 2 in zoverre zal zijn bevrijd, om aan Wesda te betalen een bedrag van EUR 14.529,62 (veertienduizend vijfhonderd negenentwintig euro en tweeënzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 8 december 2004 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt gedaagde sub 2, hoofdelijk, des dat gedaagde sub 1 proceskosten betalende of betaald hebbend gedaagde sub 2 in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Wesda tot op heden begroot op EUR 867,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de derde dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3. verbindt aan de in het tussenvonnis d.d. 1 februari 2006 jegens gedaagde sub 1 onder 5.1. en 5.2. uitgesproken veroordelingen hoofdelijkheid, des dat gedaagde sub 2 betalende of betaald hebbend gedaagde sub 1 in zoverre zal zijn bevrijd,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2006.?