Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ0774

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
15/630934-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beverwijkse babyzaak; kinderdoodslag, meermalen gepleegd; gevangenisstraf 3 jaren en TBS. Zie ook LJN: AZ0775.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 333

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630934-05

Uitspraakdatum: 24 oktober 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 juni 2006,

26 juni 2006, 19 september 2006, 5 oktober 2006 (schouw) en 9 oktober 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Amsterdam, HvB Het Veer (FOBA) te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

PRIMAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 te Beverwijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 1]) bij of kort na de geboorte van het leven

heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, toen zij voelde dat zij weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van voornoemde [slachtoffer 1] was bevallen) die [slachtoffer 1] onder water gehouden en/of (vervolgens) in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of (vervolgens) in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden (en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 1] ademhaalde), waarna en/of tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

SUBSIDIAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 te Beverwijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 1]) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, toen zij voelde dat zij

weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van die [slachtoffer 1] was bevallen) die [slachtoffer 1] onder water gehouden en/of (vervolgens) in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of (vervolgens) in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden (en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 1] ademhaalde), waarna en/of tengevolge

waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

PRIMAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 te Beverwijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 2]) bij of kort na de geboorte van het leven

heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, toen zij voelde dat zij weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van die [slachtoffer 2] was bevallen) die [slachtoffer 2] onder water gehouden en/of (vervolgens) in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of (vervolgens) in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden (en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 2] ademhaalde), waarna en/of tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

SUBSIDIAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 te Beverwijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 2]) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, toen zij voelde dat zij

weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van die [slachtoffer 2] was bevallen) die [slachtoffer 2] onder water gehouden en/of (vervolgens) in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of (vervolgens) in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden (en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 2] ademhaalde), waarna en/of tengevolge

waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

3.

PRIMAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 te Beverwijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 3]) bij of kort na de geboorte van het leven

heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, toen zij voelde dat zij weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van die [slachtoffer 3] was bevallen) die [slachtoffer 3] onder water gehouden en/of (vervolgens) in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of (vervolgens) in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden

(en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 3] ademhaalde), waarna en/of tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] is overleden;

SUBSIDIAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 te Beverwijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 3]) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, toen zij voelde dat zij

weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van die [slachtoffer 3] was bevallen) die [slachtoffer 3] onder water gehouden en/of (vervolgens) in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of (vervolgens) in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden (en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 3] ademhaalde), waarna en/of tengevolge

waarvan die [slachtoffer 3] is overleden;

4.

PRIMAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 21 december 2005 te Beverwijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 4]) bij of kort na de geboorte van het

leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, toen zij voelde dat zij weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van die [slachtoffer 4] was bevallen) die [slachtoffer 4] onder water gehouden (en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 4] ademhaalde), tengevolge waarvan die [slachtoffer 4] is overleden;

SUBSIDIAIR:

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 21 december 2005 te Beverwijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 4]) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, toen zij voelde dat zij

weldra zou bevallen, het bad met water gevuld en (direct nadat zij in bad van die [slachtoffer 4] was bevallen) die [slachtoffer 4] onder water gehouden (en zodoende belemmerd dat die [slachtoffer 4] ademhaalde), tengevolge waarvan die [slachtoffer 4] is overleden.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in haar verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1 Bewijsoverwegingen

Causaliteit

Verdachte heeft verklaard dat zij van alle vier haar kinderen in bad is bevallen. Zij heeft de kinderen, nadat deze waren geboren, niet onmiddellijk uit het water getild, maar heeft hen minutenlang onder water gehouden door haar benen erover te leggen. Verdachte heeft tevens verklaard dat zij dacht dat de kinderen, eenmaal boven water, waren overleden. Daarna heeft verdachte de kinderen in handdoeken gewikkeld, in één of meer plastic zakken gestopt, en vervolgens verborgen.

DNA-onderzoek heeft bevestigd dat verdachte de biologische moeder is van de vier kinderen. De pathologische onderzoeken die zijn verricht wijzen uit dat het in alle vier de gevallen hoogstwaarschijnlijk gaat om voldragen kinderen, wat naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke aanwijzing is dat deze kinderen een optimale kans hadden om levend ter wereld te komen.

De rechtbank oordeelt dat de combinatie van de hiervoor genoemde factoren in dit specifieke geval voldoende is om bewezen te achten dat verdachte door haar handelen de dood van haar vier kinderen heeft veroorzaakt.

Opzet

Verdachte heeft ter terechtzitting verschillende malen nadrukkelijk verklaard dat zij de kinderen niet opzettelijk van het leven heeft beroofd. De rechtbank begrijpt dat verdachte hiermee bedoelt te zeggen dat zij de dood van haar kinderen niet werkelijk heeft gewenst.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, in juridische zin, wel opzet heeft gehad op de dood van haar kinderen. Verdachte heeft namelijk zowel tijdens het voorbereidend onderzoek als ter zitting verklaard dat zij zich realiseerde dat, toen zij haar kinderen met haar benen onder water hield, zij hen hierdoor geen kans gaf.

Toepasselijkheid van de artikelen 290 en 291 Wetboek van Strafrecht (kinderdoodslag, kindermoord)

De officier van justitie heeft betoogd dat in het onderhavige geval geen sprake is van feiten waarop de bijzondere strafbepalingen van de artikelen 290 en 291 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), in het kort aangeduid als ‘kinderdoodslag’ respectievelijk ‘kindermoord’, van toepassing zijn. Volgens de officier van justitie valt verdachte onder het zwaardere strafregime van de algemene categorieën ‘doodslag’ en ‘moord’. De officier heeft hiertoe primair aangevoerd dat de in de wetsartikelen 290 en 291 Sr. gebruikte zinsnede ‘onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling’ moet worden gelezen in het licht van de sociale context waarin deze artikelen destijds zijn ingevoerd. De artikelen zijn volgens de officier in de negentiende eeuw ingevoerd om moeders die vanwege hun sociaal ongunstige positie ten einde raad hun kind onmiddellijk na de geboorte doodden (bijvoorbeeld moeders die bang waren dat zij door armoede hun kind niet zouden kunnen voeden of dienstbodes die zwanger waren van hun werkgever en bang waren om hun baan te verliezen) onder een lichter strafregime te laten vallen. Volgens de officier behoort verdachte, nu van haar niet kan worden gezegd dat zij zich in een dergelijke sociaal ongunstige positie bevond, niet tot de gevallen waarvoor de artikelen 290 en 291 Sr. zijn geschreven. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat, voor zover verdachte wel (mede) gehandeld zou hebben uit ‘vrees voor ontdekking’, deze vrees onvoldoende reëel was.

Voor wat betreft de primaire stelling van de officier oordeelt de rechtbank als volgt. De achterliggende reden voor het mildere strafregime van de artikelen 290 en 291 Sr. is - ook volgens de Memorie van Toelichting - gelegen in de bijzondere gemoedstoestand waarin een moeder, die bevreesd is voor de ontdekking van haar bevalling, verkeert. Het gegeven dat deze bijzondere gemoedstoestand ten tijde van de invoering van deze bepalingen relatief vaker dan nu zijn oorsprong had in de ongunstige sociale situatie van de moeder, houdt niet in dat toepassing van deze artikelen beperkt dient te worden tot deze gevallen. Bepalend voor de beslissing of de feiten die door verdachte zijn gepleegd al dan niet vallen onder de werking van de strafbepalingen van artikel 290 of 291 Sr. is het antwoord op de volgende vraag: verkeerde verdachte in de bedoelde ‘bijzondere gemoedstoestand’ omdat zij bevreesd was voor de ontdekking van haar bevalling op het moment dat zij besloot om haar kind van het leven te beroven?

Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat zij tijdens haar zwangerschap beheerst werd door conflicterende gedachten en gevoelens omtrent de kinderen die zij droeg. Doorslaggevend is echter dat bij verdachte, op het moment dat zij er toe kwam om haar kinderen van het leven te beroven, de vrees voor de ontdekking van de bevalling iedere keer de overhand had. Zij was, blijkens haar eigen verklaringen, bang dat haar toenmalige partner, die naar haar overtuiging geen kinderen met haar wilde, haar zou verlaten. Daarnaast was zij bang dat ‘doktoren het kind bij haar zouden weg halen’. Op de zitting heeft verdachte dit laatste toegelicht door te verklaren dat zij ervan overtuigd was dat de kinderen bij haar zouden worden weggehaald omdat doktoren zouden menen dat zij gestoord was en geen goede moeder voor haar kinderen zou kunnen zijn. De gedachte dat haar kinderen bij haar zouden worden weggehaald en niet bij haar zouden opgroeien was voor haar onverdraaglijk. Psychiater [psychiater] en psycholoog [psycholoog] hebben ter zitting verklaard dat deze angsten voortkomen uit een verlatingsangst die deel uitmaakt van de bij verdachte geconstateerde ernstige stoornis.

De rechtbank is van oordeel dat niet van belang is of de bij verdachte bestaande angsten, die ten grondslag lagen aan de vrees voor de ontdekking van haar bevalling en die uiteindelijk hebben geleid tot de door haar gepleegde feiten, objectief gezien al dan niet reëel waren. Bepalend is of de vrees voor ontdekking van haar bevalling en de angsten die daaraan ten grondslag lagen door verdachte als reëel werden ervaren. De rechtbank heeft de overtuiging dat dit het geval was.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de door verdachte gepleegde feiten vallen onder de bijzondere strafbepalingen betreffende kindermoord respectievelijk kinderdoodslag.

Kinderdoodslag

Bij de beoordeling of sprake is van kindermoord of van kinderdoodslag is beslissend of verdachte vóór of na het begin van de bevalling het besluit heeft genomen om haar kind van het leven te beroven.

De rechtbank stelt voorop dat het nemen van een dergelijk besluit vóór de bevalling, ook al is sprake van een uitzonderlijke gemoedstoestand, een zekere mate van kalm en rustig beraad veronderstelt. Gezien het proces dat verdachte onder invloed van haar stoornis voor elke bevalling doormaakte, zoals dit door psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater] is beschreven en ter zitting uitgebreid toegelicht, is naar het oordeel van de rechtbank bij verdachte geen enkele keer vóór het begin van de bevalling sprake geweest van een moment van kalm en rustig beraad waarop zij zou hebben besloten dat zij haar kind niet wilde laten leven. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van verdachte. Zij heeft verklaard dat zij iedere keer tot het laatst toe hoopte dat het anders zou aflopen en dat zij dacht dat ze het nooit weer zou laten gebeuren. En op de vraag wanneer zij besliste dat zij de kinderen niet wilde laten leven, heeft zij geantwoord dat dat pas was op het moment dat deze werden geboren.

De officier van justitie heeft erop gewezen dat het gegeven dat verdachte geen enkele voorbereiding heeft getroffen voor de verzorging van haar kinderen - zo had zij bijvoorbeeld geen babykleertjes gekocht - kan betekenen dat verdachte al vóór de bevalling van plan was om haar kinderen meteen van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat, alleen al gezien de aard van de bij verdachte aanwezige stoornis, aan dit gegeven niet de door de officier gesuggereerde betekenis kan worden toegekend.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat in alle gevallen sprake is van kinderdoodslag en niet van kindermoord.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

PRIMAIR:

zij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 te Beverwijk onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 1]) bij of kort na de geboorte van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, direct nadat zij in bad van voornoemd kind was bevallen, dat kind onder water gehouden en vervolgens in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of vervolgens in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden en zodoende belemmerd dat dat kind ademhaalde, tengevolge waarvan dat kind is overleden;

2.

PRIMAIR:

zij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 te Beverwijk onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 2]) bij of kort na de geboorte van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, direct nadat zij in bad van voornoemd kind was bevallen, dat kind onder water gehouden en vervolgens in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of vervolgens in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden en zodoende belemmerd dat dat kind ademhaalde, tengevolge waarvan dat kind is overleden;

3.

PRIMAIR:

zij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 te Beverwijk onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 3]) bij of kort na de geboorte van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, direct nadat zij in bad van voornoemd kind was bevallen, dat kind onder water gehouden en vervolgens in een of meer handdoek(en) gewikkeld en/of vervolgens in een of meer plastic zak(ken) gestopt en deze zak(ken) vervolgens dichtgeknoopt en/of dichtgebonden en zodoende belemmerd dat dat kind ademhaalde, tengevolge waarvan dat kind is overleden;

4.

PRIMAIR:

zij in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 21 december 2005 te Beverwijk onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, opzettelijk haar kind (door verdachte genoemd: [slachtoffer 4]) bij of kort na de geboorte van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, direct nadat zij in bad van dat kind was bevallen, dat kind onder water gehouden en zodoende belemmerd dat dat kind ademhaalde, tengevolge waarvan dat kind is overleden.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair: kinderdoodslag,

ten aanzien van feit 2 primair: kinderdoodslag,

ten aanzien van feit 3 primair: kinderdoodslag,

ten aanzien van feit 4 primair: kinderdoodslag.

5. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is ten behoeve van deze strafzaak door psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater] onderzocht. Deze deskundigen zijn van mening dat verdachte vanwege de bij haar aanwezige stoornissen volstrekt onvoldoende in staat was het wederrechtelijke van haar handelen te beseffen en haar wil conform dat besef in vrijheid te bepalen. Er is, aldus de deskundigen, onderliggend wel sprake geweest van een nu en dan opflakkerend besef dat zij iets verkeerds deed, maar het werkelijk doordringen van dat besef is voor verdachte lange tijd niet mogelijk geweest. De deskundigen komen niet tot de conclusie dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was. Zij hebben dit desgevraagd ter zitting toegelicht en verklaard dat bij verdachte geen sprake was van wat zij een ‘imperatieve hallucinatie’ noemen (naar de rechtbank begrijpt, een toestand waarin bij een verdachte werkelijk elk besef en elk inzicht in de gedragingen ontbreekt).

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen dat verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar was over. De verdachte is dus strafbaar.

6. Vordering van de officier van justitie en motivering van de sanctie

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot het volgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde doodslag en de onder de feiten 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde moord,

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren,

- terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

6.2. Hoofdstraf en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van één en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het door de Forensisch Psychiatrische Dienst uitgebrachte rapportage pro justitia van [sociaal psychiatrisch medewerker], sociaal psychiatrisch medewerker, [psychiater], psychiater en [psycholoog], psycholoog, d.d. 8 mei 2006 en het aanvullend rapport van [psychiater] en [psycholoog] van 15 september 2006.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft binnen een periode van ongeveer vijf jaar haar vier pasgeboren kinderen om het leven gebracht door hen, nadat zij in bad was bevallen, onder water te houden en vervolgens in handdoeken te wikkelen en in een plastic zak te doen. Het gaat hier om zeer ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft een einde gemaakt aan vier jonge mensenlevens; zij heeft de kinderen, zoals verdachte het zelf onder woorden heeft gebracht, geen enkele kans gegeven. De onderhavige feiten hebben, getuige de aandacht van en de vele reacties in de media, een schok veroorzaakt in de samenleving, die ontdaan heeft gereageerd op de vondst van de vier gedode baby’s.

De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf tot uitdrukking moet brengen dat juist de meest weerlozen door het recht dienen te worden beschermd en dat, nu verdachte vier pasgeborenen die volledig van haar afhankelijk waren van het leven heeft beroofd, er nadrukkelijk behoefte is aan vergelding. Het is de taak van de rechter om uiteindelijk te bepalen in welke mate er bij deze verdachte ruimte is voor vergelding in de vorm van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat is mede afhankelijk van de persoon van verdachte zoals die naar voren is gekomen uit de rapportage van de deskundigen en hun toelichting ter zitting.

Volgens de deskundigen bevond de verdachte zich ten tijde van de tenlastegelegde feiten in een toestand van ernstige dissociatie en depersonalisatie, een toestand die verband houdt met een al jarenlang aanwezige ernstige persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen beschrijven in hun rapport hoe onder invloed van deze stoornis verdachte tot vier keer toe haar pasgeboren kind heeft kunnen doden: “Vanuit haar verlangen naar kinderen raakte zij zwanger maar al snel ontstaat vanuit haar persoonlijkheidsstoornis toenemende onzekerheid over een adequate invulling van het moederschap en, om deze gevoelens van angst en onzekerheid te ontvluchten, verliest zij zich toenemend in een ideale maar illusionaire, dissociatieve wereld. Wanneer evenwel die illusionaire wereld dreigt te worden doorbroken door de geboorte van het kind creëert zij noodgedwongen een situatie waarin het kind niet bestaat, maar weggemaakt wordt, waardoor zij kan terugkeren naar haar droomwereld, een proces dat zich een aantal keren heeft herhaald.” Binnen de illusionaire wereld van verdachte past ook dat zij de dode kinderen in en om het huis heeft bewaard: zij wilde hen bij zich houden om haar eenzaamheid te doorbreken en zich te kunnen verbeelden dat zij met de kinderen en haar vriend een gelukkig gezin vormde. De deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.

De deskundigen hebben de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan door en onder invloed van een zware stoornis en dat zij sterk verminderd toerekeningsvatbaar was. Er resteert echter een zeer geringe mate waarin de daden wél aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die daarmee in overeenstemming is.

De door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf is lager dan die door de officier van justitie geëist, met name omdat zij, anders dan de officier van justitie, ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 geen moord, maar kinderdoodslag bewezen acht.

Volgens de deskundigen is er een reëel gevaar voor recidive. Zij baseren dit op de zeer grote samenhang tussen verdachte’s stoornis en de onderhavige feiten, en de bij verdachte duidelijk aanwezige kinderwens. De deskundigen verwachten dat verdachte haar fantasieleven weer zal willen opzoeken en factoren die doorbreking daarvan zouden kunnen bewerkstelligen, zal vermijden. Zij zijn van mening dat alleen de maatregel van TBS met bevel tot verpleging voldoende garanties biedt om het recidivegevaar in te perken. De behandeling zal moeilijk en intensief zijn.

De raadsman heeft betoogd dat het recidivegevaar ook zou kunnen worden weggenomen door een minder verstrekkende maatregel, zoals een behandeling in een voorwaardelijk kader en strakke begeleiding. De deskundigen hebben aangegeven dat zo’n kader onvoldoende garanties biedt, omdat verdachte geneigd zal zijn zich aan de behandeling te onttrekken, aangezien zij zich de ernst van haar stoornis onvoldoende realiseert en zij zichzelf niet de moeite waard vindt om werkelijk aandacht aan te besteden.

De rechtbank is, gelet op het advies van de deskundigen, van oordeel dat er gevaar is dat verdachte weer eenzelfde misdrijf zal begaan en dat dit gevaar slechts kan worden ingeperkt door een intramurale behandeling in het kader van een TBS met dwangverpleging. De rechtbank zal daarom, met het oog op de ernst van de feiten, bepalen dat de verdachte na haar gevangenisstraf ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd. De deskundigen hebben ter terechtzitting twee TBS inrichtingen genoemd waar naar hun mening de juiste setting en expertise aanwezig is voor de gedwongen behandeling van verdachte, namelijk de Henri van der Hoeven Kliniek te Utrecht of het Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte te Rekken. De rechtbank adviseert de Minister één van deze inrichtingen aan te wijzen voor de verpleging van verdachte.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

37a, 37b, 57, 290 Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE (3) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Beveelt dat de verdachte aansluitend ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Robert, voorzitter,

mrs. De Greeve en Burg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Leyten,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2006.

De griffier en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.