Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ0764

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-10-2006
Datum publicatie
31-10-2006
Zaaknummer
05/1807
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitsluitend het maken van kosten voor marktonderzoek kwalificeert niet als onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-2024

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1807

Uitspraakdatum: 23 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X

wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (verder te noemen: IB/PVV) opgelegd, met dagtekening 13 mei 2004, naar een belastbaar inkomen van ƒ 96.613. Daarbij is bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van ƒ 1.506 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van ƒ 1.893.

Aan eiser is voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, gedagtekend 15 mei 2004, naar een belastbaar inkomen van ƒ 158.879. Daarbij is bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van ƒ 2.807 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete ten bedrage van ƒ 4.368 opgelegd.

Eiser heeft tegen beide aanslagen en boetebeschikkingen op 24 juni 2004 bezwaar ingediend.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 25 maart 2005 de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 3 mei 2005, ontvangen bij de rechtbank op 4 mei 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2006 te Haarlem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door C, advocaat. Namens verweerder zijn verschenen F, G en H. Van de zijde van eiser is een pleitnota voorgedragen en overgelegd, die tot de gedingstukken wordt gerekend.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is geboren op 24 november 1950 en gehuwd. Hij is van beroep bedrijfsadviseur/registeraccountant. Eiser drijft sinds 1995 in de vorm van een eenmanszaak een onderneming in consultancy en interim management, genaamd "D". De onderneming is gevestigd op zijn huisadres. Eiser verzorgt zijn eigen administratie, jaarstukken en aangiften.

2.2. Vanaf eind 1999 houdt eiser zich met zijn echtgenote tevens bezig met het zo door hen genoemde project B, welk project betrekking heeft op het ontplooien van activiteiten in adult-entertainment, onder meer op het gebied van kleding, sieraden en meubels.

2.3. Eiser heeft aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 1999 en daarbij conform zijn jaarstukken een bedrag aan winst uit onderneming opgegeven van ƒ 134.003. Als belastbaar inkomen (vóór aftrek FOR) heeft hij ƒ 92.993 aangegeven.

2.4. Op 16 september 2002 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij eiser en diens echtgenote. Naar aanleiding hiervan en de antwoorden van eiser op nadere schriftelijke vragen van de kant van verweerder is een - ongedateerd - rapport opgesteld. Conform dit rapport heeft verweerder het inkomen van eiser over 1999 als volgt vastgesteld:

aangegeven/vastgesteld stipinkomen ƒ 92.993

correctie huisvestingskosten ƒ 4.200 +

correctie kosten notaris ƒ 890 +

correctie (reis)kosten B ƒ 15.145 +

vastgesteld stipinkomen ƒ 113.228

2.5. Vervolgens is de thans in het geding zijnde navorderingsaanslag IB/PVV 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen (na aftrek van de FOR) van ƒ 96.613.

2.6. In bezwaar heeft eiser zich bij de correctie huisvestingskosten neergelegd.

2.7. Eiser heeft aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2000 naar een belastbaar inkomen (vóór aftrek van de FOR) van ƒ 118.844. In deze aangifte wordt een bedrag van ƒ 159.385 aangegeven als winst uit onderneming, conform eisers jaarstukken.

2.8. Conform het hiervoor onder 2.4 genoemde rapport heeft verweerder het inkomen van eiser over 2000 als volgt vastgesteld:

aangegeven/vastgesteld stipinkomen ƒ 118.844

correctie kleding ƒ 4.697 +

correctie huisvestingskosten ƒ 4.200 +

correctie (reis)kosten B ƒ 19.610 +

correctie persoonlijke verzorging ƒ 1.800 +

correctie overige kosten, in totaal ƒ 28.855 +

nader vastgesteld stipinkomen ƒ 178.006

nader vastgesteld belastbaar inkomen (na toepassing FOR) ƒ 158.879

2.9. Vervolgens is de thans in het geding zijnde navorderingsaanslag IB/PVV over 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 158.879 (na aftrek FOR).

2.10. Hangende bezwaar heeft eiser te kennen gegeven zich neer te leggen bij de correctie huisvestingskosten.

3. Geschil

Tussen partijen is alleen nog in geschil de door eiser over 1999 en 2000 als negatieve winst uit onderneming opgevoerde kosten met betrekking tot het project B. Onderliggend en daaraan voorafgaand geschilpunt is de vraag of (de activiteiten van eiser die samenhangen met) het project B in die jaren is (zijn) aan te merken als bron van inkomen, meer in het bijzonder als een onderneming als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (verder te noemen: Wet IB 1964).

Eiser beantwoordt de vorenstaande vragen bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. Verweerder bestrijdt eisers standpunt en concludeert tot ongegrondverklaring. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Ter zitting is hier van de zijde van eiser, voor zover hier van belang, nog het volgende aan toegevoegd:

Ik heb wel begrip voor het standpunt van verweerder ten aanzien van B. We hebben aangeboden steekproefsgewijs in de portfolio te laten kijken. Ik kan een lijst verstrekken van wat in de portfolio aanwezig is. Ik heb ook beschrijvingen van produkten. Ik heb dat niet overgelegd omdat derden dan met mijn ideeën aan de haal zouden kunnen gaan. Ook heb ik opzetten van marktstrategieën. Die liggen thuis. Tijdens het boekenonderzoek heb ik de administratie ter inzage gegeven maar verder niets laten zien, omdat daar niet om werd gevraagd. Ik heb wel gezegd dat het er was. We hebben niet gezegd dat verweerder de informatie met betrekking tot B niet mocht zien. We wilden alleen een stempel om de datum van onze ideeën vast te leggen.

Er is momenteel niet veel anders gaande in B dan ten tijde van het boekenonderzoek. Persoonlijke omstandigheden zorgen voor vertraging en voor ons is het ook van belang of de kosten aftrekbaar zijn.

Je zou B inderdaad, zoals verweerder zegt, als privé-project kunnen zien in plaats van als onderneming. In feite is er sprake geweest van het doen van marktonderzoek naar ideeën op het gebied van adult-entertainment. Ik zocht naar een tweede bron van inkomsten, omdat het interim-management nogal gevoelig is. Daarom was er niet veel haast bij.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Van een onderneming is sprake, indien een belastingplichtige door middel van een organisatie van arbeid en kapitaal deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om geldelijk voordeel te behalen. Van een oogmerk om geldelijk voordeel te behalen kan alleen worden gesproken in de gevallen waarin ook redelijkerwijs van het op voormelde wijze deelnemen aan het maatschappelijke verkeer voordeel kan worden verwacht.

4.2. Daar eiser een beroep op het ondernemerschap doet, rust op hem, naar het oordeel van de rechtbank, de last om zodanige feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, dat daaruit de conclusie getrokken kan worden dat ter zake van zijn activiteiten in de jaren hier in het geding een onderneming werd gedreven.

4.3. Eiser heeft gesteld dat er geen enkele reden is om de activiteiten van B niet als ondernemingsactiviteiten te beschouwen. Verder heeft hij gesteld dat hij tijdens het boekenonderzoek veel over B heeft verteld, onder andere over een aantal productlijnen, en dat hij heeft aangeboden een beperkte portfolio te laten zien op een later tijdstip, zodat al te gevoelige informatie die hij niet in de openbaarheid wilde brengen nog daar uit gehaald kon worden. Verweerder heeft al het door eiser gestelde gemotiveerd betwist, door aan te voeren dat

- B niet als onderneming bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staat;

- er geen bedrijfsplannen of andere bescheiden aanwezig zijn die laten zien waaruit de activiteiten bestaan of moeten gaan bestaan;

- er geen reclame wordt gemaakt of wordt geadverteerd;

- de website waarmee de inkomsten verworven zouden moeten worden tot op heden niet via het Internet is te bezoeken;

- er tot op heden geen omzet is behaald;

- eisers aanbod om onder strikte geheimhouding een steekproefsgewijze inzage te geven in een aanwezige portfolio onvoldoende is en eiser daarmee niet aan zijn inlichtingenplicht op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft voldaan;

- het enige tastbare bewijs dat eiser heeft geproduceerd een faktuur is van een vakantie die zijn echtgenote en hij hebben doorgebracht op een locatie die aansluit bij de doelstelling van het B project.

4.4. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft eiser niets anders gesteld dan dat het hem als ondernemer niet verboden is om op andere gebieden dan consultancy en interim management activiteiten te verrichten en dat het realiseren van omzet geen direct vereiste is om van ondernemingsactiviteiten te kunnen spreken. Eiser heeft op geen enkele wijze inzichtelijk of aannemelijk gemaakt dat binnen B in de jaren 1999 en 2000 enige activiteiten zijn ontplooid of waarin die activiteiten dan hebben bestaan. Op de ter zitting door de rechtbank gestelde vraag naar wat er dan concreet gebeurde binnen B in de jaren in geding heeft eiser slechts geantwoord dat hij zich het standpunt van verweerder wel kan voorstellen en dat hij desgewenst een lijst kan verstrekken van wat in de portfolio aanwezig is. In feite, aldus eiser ter zitting, is er sprake geweest van het doen van marktonderzoek naar ideeën op het gebied van adult-entertainment.

4.5. Met het vorenstaande heeft eiser niet aan de op hem rustende bewijslast als hiervoor onder 4.2 omschreven voldaan. De rechtbank onderschrijft in dit verband dat het realiseren van omzet geen noodzakelijk vereiste is voor het aannemen van het bestaan van een onderneming. Er moet echter wel aannemelijk zijn dat er met de ontplooide activiteiten redelijkerwijze enige omzet gerealiseerd kan gaan worden. Waar eiser zelfs het ontplooien van activiteiten niet aannemelijk heeft gemaakt, is daarvan geen sprake. De kosten, gemaakt in het kader van dit project, komen dus niet voor aftrek in aanmerking.

4.6. Voor zover de mededelingen van eiser ter zitting als bewijsaanbod moeten worden beschouwd, wordt dit gepasseerd. In de omstandigheden van dit geval, mede gelet op de vele mogelijkheden die eiser heeft gehad om bewijs bij te brengen en de redenen waarom hij daartoe ook ter zitting nog niet volledig genegen was, moet het belang van een doelmatige procesgang prevaleren boven eisers belang om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld op enigerlei wijze inzage te verschaffen in de door hem steeds genoemde maar nog nooit getoonde portfolio of andere door hem genoemde bescheiden.

4.7. De in geding zijnde kosten komen evenmin voor aftrek in aanmerking in het kader van eisers onderneming D. Uiteraard mag een ondernemer andere activiteiten ontplooien dan die welke hij normaal gesproken binnen zijn onderneming verricht. Wil hij in verband met die andere activiteiten opgekomen kosten in aftrek kunnen brengen op het resultaat van de al bestaande onderneming, dan dienen die andere activiteiten echter wel te liggen in het verlengde van de bestaande ondernemingsactiviteiten. Dat is hier niet het geval.

4.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht de in geding zijnde aftrek heeft geweigerd. Nu anderszins niets is gesteld of gebleken op grond waarvan de in het geding zijnde navorderingsaanslagen als onjuist moeten worden aangemerkt, kunnen deze ongewijzigd in stand blijven.

4.9. Verweerder heeft de aan eiser opgelegde boetes ter hoogte van 25% van de aangebrachte correcties als volgt onderbouwd. Eiser, als registeraccountant en werkzaam als consultant/interim manager, zou zoveel kennis van het belastingrecht moeten hebben dat hij had moeten begrijpen dat zijn aangifte tot een te laag bedrag was gedaan en de thans in het geding zijnde kosten niet aftrekbaar waren. De door eiser geschonden regels zijn van algemene bekendheid. Eiser had zich in ieder geval vooraf van de fiscale aanvaardbaarheid van zijn aangifte moeten overtuigen. Verweerder meent dat het verwijt dat eiser in deze gemaakt kan worden valt in de categorie grove schuld.

4.10. Eiser stelt te goeder trouw te hebben gehandeld en uit te zijn gegaan van de juistheid en de redelijkheid van zijn handelen. Zijn laatste opleiding op het gebied van de accountancy dateert van de jaren '70. In zijn dagelijks werk heeft hij voornamelijk te maken met de omzet- en vennootschapsbelasting. Verder heeft hij de Elsevier belastingalmanak geraadpleegd en uit informatie van de Kamer van Koophandel begrepen dat de kosten voor het starten van een onderneming aftrekbaar zijn, inclusief het reizen voor het verkennen van nieuwe markten. Bovendien is er nog van de zijde van de belastingdienst gesproken over het eventueel "stallen" van de kosten totdat er wel sprake zou zijn van een inkomensbron, dus zijn de kosten in beginsel wel aftrekbaar, aldus eiser. Ten slotte meent eiser dat er sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van de feiten en het percentage van de opgelegde boetes.

4.11. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser, mede gelet op zijn achtergrond, kunnen en moeten begrijpen dat er voor het bestaan van een onderneming meer nodig is dan het enkel maken van kosten. Dit klemt eens te meer nu eiser zelf al erkent dat in ieder geval een deel van de opgevoerde kosten niet als zakelijk is aan te merken, maar privé-uitgaven betreft. Door hier verder niet over na te denken of uitgebreider te informeren, maar zonder meer de volledige kosten in aftrek te brengen, heeft eiser dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan zijn grove schuld te wijten is dat te weinig belasting is geheven. Van een wanverhouding tussen de ernst van de feiten en het percentage van de opgelegde boetes is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank zal wel, nu sinds de oplegging van de boetes en deze uitspraak meer dan twee jaren zijn verstreken zonder dat dit tijdsverloop aan eiser is te wijten, de boetes matigen. Gelet op de geringe omvang van de overschrijding van de redelijke termijn - 5 maanden - zal zij de boetes met 5% van het boetebedrag verminderen.

4.12. Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep gegrond is.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijze in verband met dit geding heeft moeten maken. Zij begroot deze conform het in het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalde op de kosten voor rechtskundige bijstand, aldus berekend: 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322. De vergoeding voor de verletkosten van eiser stelt de rechtbank conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van (4 uur à € 53,09 =) € 212,36.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de over 1999 en 2000 opgelegde boetes;

- vermindert de aan eiser opgelegde boete over 1999 tot een bedrag van € 1.798;

- vermindert de aan eiser opgelegde boete over 2000 tot een bedrag van € 4.150;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, tot op heden begroot op € 534,36, en wijst de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) aan om deze kosten aan eiser te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 23 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mrs. J.L. Bruinsma, A.A. Fase en H.A. Tulp, in tegenwoordigheid van

mr. drs. H.B. Bücker, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.