Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ0705

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
06/1665
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verrichte prestaties kunnen niet worden aangemerkt als onderwijs in de zin van art. 11, lid 1, aanhef en onderdeel o, Wet OB 1968. Eiser stelt dat hij is afgegaan op telefonische inlichtingen van de Belastingtelefoon en heeft deze vrijstelling toegepast. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden, slaagt reeds hierom zijn beroep op gewekt vertrouwen niet. De rechtbank gaat voorbij aan eisers bewijsaanbod, omdat de uitkomst daarvan voormeld oordeel niet kan veranderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-2022

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige

belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1665

Uitspraakdatum: 17 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 juli 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2001 tot en met 31 december 2003 opgelegd ten bedrage van (...). Tevens heeft verweerder bij beschikking met dezelfde dagtekening € 540 heffingsrente berekend.

Eiser heeft bij brief van 30 juli 2004, door verweerder ontvangen op 2 augustus 2004, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2005 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Het door eiser tegen voormelde uitspraak ingediende beroepschrift is op 18 januari 2006 ontvangen bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2006. Verschenen is A namens verweerder, tot zijn bijstand vergezeld van B. Eiser is niet verschenen. Het door hem per brief van 5 oktober 2006 gevraagde uitstel van de mondelinge behandeling is niet verleend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is sedert mei 2001 ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Blijkens de van het internet afkomstig uittreksel-informatie van 21 april 2006 luidt de omschrijving van de door eiser gedreven onderneming, handelsnaam C, als volgt: ‘Het ontwerpen en geven van trainingen; Het boeken van reizen via internet’.

De prestaties van eiser bestaan voornamelijk uit het organiseren van de volgende activiteiten: flirt workshops, flirt corso’s, flirt diners, flirt boottochten, vrijgezellenfeesten en bedrijfsuitjes.

2.2. Tot de stukken behoort een afschrift van een arbeidsovereenkomst gesloten tussen eiser en D, waarin is bepaald dat eiser bij D met ingang van 1 maart 2001 als onderwijskundig medewerker in dienst treedt, dat de werkzaamheden het ontwikkelen van trainingen omvatten en dat de overeenkomst op 30 april 2001 eindigt.

2.3. Tot de stukken behoort voorts een overeenkomst van opdracht tussen eiser en D, waarin eiser zich beschikbaar verklaart in de periode van 1 mei 2001 tot en met 31 december 2001 werkzaamheden te verrichten. Volgens de overeenkomst zal eiser drie trainingen ontwerpen, waarvoor D (opdrachtgever) aan eiser (opdrachtnemer) een beloning verstrekt van (...). Ter zake van voormeld bedrag is vermeld:

“Opdrachtgever verstrekt opdrachtnemer een beloning van (...). Dit bedrag is ingevolge artikel 11, 1e lid, letter O van de wet Omzetbelasting 1968 vrijgesteld van BTW.”

2.4. In oktober 2003 is een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de door eiser over de jaren 2001 tot en met 2003 ingediende aangiften omzetbelasting. In het met dagtekening 5 april 2004 daaromtrent uitgebrachte rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“1 Reikwijdte van het onderzoek

De reikwijdte van het onderzoek is:

Beoordelen of de bedrijfsactiviteiten van belastingplichtige terecht door hem als vrijgestelde prestaties voor de omzetbelasting zijn aangemerkt.

De aanvaardbaarheid vaststellen van de over de jaren 2001, 2002 en 2003 ingediende aangiften omzetbelasting.

Bij dit onderzoek naar de juistheid/ tijdigheid van de aangiften is uitgegaan van gegevens zoals die in de administratie zijn aangetroffen.

(...)

3 Omzetbelasting

3.1 Aangifte

(...)

De aangiften sluiten niet aan bij de administratie.

(...)

Naheffen (...)

======

3.1.1 Vrijgestelde prestaties

De belastingplichtige is ervan uitgegaan, dat zijn omzet is vrijgesteld van omzetbelasting. Dit is niet juist. Het gaat hierbij om de volgende prestaties:

Het tijdens personeelsavonden geven van flirtmanagement.

Het organiseren van vrijgezellen parties.

Het organiseren van flirtdinners voor singles waarbij artiesten en een diskjokey aanwezig zijn die tijdens het dinner optreden.

Conclusie:

Er is geen sprake van vrijgestelde prestaties.

De personeelsavonden voor bedrijven zijn geen trainingen waarop de scholingsvrijstelling kan worden toegepast.

De wijncursussen, personeelsavonden en vrijgezellenparties dienen naar het algemene tarief te worden belast.

De flirtdinners voor singles, waarbij artiesten optreden tijdens het diner kunnen worden gezien als cabaret voorstellingen. Op deze werkzaamheden kan het verlaagde tarief van de omzetbelasting worden toegepast.

De tijdens deze flirtdinners verstrekte dranken dienen met het algemene tarief van de omzetbelasting te worden belast.

De correctie omzetbelasting is in vorenstaand aansluitingsoverzicht begrepen.”

2.5. De in het geding zijnde naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de resultaten van de onder 2.4. vermelde controle.

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag moet worden verminderd op grond van bij eiser gewekt vertrouwen omtrent het toe te passen tarief.

4. Standpunten van partijen

4.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat bij hem het vertrouwen was gewekt dat de door hem verrichte prestaties konden worden gerangschikt onder artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel o, van de Wet OB. Eiser voert hiertoe, kort samengevat, aan dat hij een beginner was, zowel op het gebied van omzetbelasting als op het gebied van zijn branche, dat de eigenaar van D hem had uitgelegd dat de prestaties waren vrijgesteld, dat hij de onder 2.3. vermelde overeenkomst door een advocaat had laten controleren en goedkeuren en dat hij twee maal verkeerd was voorgelicht door de belastingdienst. De eerste keer was toen hij zijn eigen programma ontwikkelde. Zijn boekhouder twijfelde over de vrijstelling en belde - in tegenwoordigheid van eiser - naar de Belastingtelefoon. Daar werd geantwoord dat de vrijstelling akkoord was. In de loop van 2005 belde eiser wederom met de Belastingtelefoon en vroeg of hem schriftelijk kon worden bevestigd dat de vrijstelling van toepassing was. Dat wilde men niet doen. Eisers enige ‘schuld’ is dat hij de inlichtingen van de belastingdienst heeft gevolgd. Hij wilde zeker weten naar welk tarief hij omzetbelasting moest voldoen. Niet omdat het ene tarief beter zou zijn dan het andere, maar omdat hij het goed wilde doen. Eiser kan bewijzen dat de gehele zaak de schuld is van de belastingdienst, omdat hij een getuige heeft, zijn boekhouder. Ook kan eiser bewijzen dat hij materieel en moreel schade heeft geleden: hij heeft ineens een belastingschuld en het kost hem tijd en energie het onrecht om te buigen. Bovendien durft hij niet te investeren zolang de zaak gaande is.

4.2. Verweerder stelt, kort samengevat, dat uit onder meer het beroepschrift niet valt af te leiden wat eiser precies aan de medewerker van de Belastingtelefoon heeft gevraagd en op grond van welke geschetste feiten de desbetreffende medewerker welk antwoord heeft gegeven. Het ligt voor de hand dat deze medewerker enige algemene voorwaarden heeft geschetst voor toepassing van de vrijstelling. Ook al zouden er onjuiste inlichtingen aan eiser zijn verstrekt, dan nog is er geen situatie zoals bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 26 september 1979, nr. 19250, BNB 1979/311 en 9 maart 1988, nr. 24199, BNB 1988/148. Eiser heeft immers geen schade geleden als bedoeld in die arresten. Overigens kan eiser de omzetbelasting alsnog aan zijn afnemers in rekening brengen. Ten slotte stelt verweerder dat eiser dan wel zijn belastingadviseur het vraagstuk aan de inspecteur had kunnen voorleggen en hem ter verkrijging van zekerheid had kunnen vragen een standpunt in te nemen.

Mocht de rechtbank eiser geslaagd achten in zijn beroep op het vertrouwensbeginsel, dan verzoekt verweerder hem in de gelegenheid te stellen de voor aftrek in aanmerking komende belasting opnieuw te beoordelen.

4.3. Ter zitting heeft verweerder, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

Het is niet in geschil dat de onderwerpelijke prestaties niet als onderwijs kunnen worden aangemerkt. Het gaat alleen om al dan niet gewekt vertrouwen. Als de medewerker van de Belastingtelefoon er niet uitkomt, wordt de vraag doorgeschakeld naar de eenheid. Dit was het geval toen eiser voor de tweede keer de Belastingtelefoon belde. De bedragen voor toepassing van de kleine-ondernemersregeling zijn overschreden. Het is overigens frappant dat eiser bij toepassing van de onderwijsvrijstelling toch de in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In zijn arrest van 26 september 1979, nr. 19250, BNB 1979/311, heeft de Hoge Raad overwogen:

“dat uit een en ander volgt dat zich te dezen de vraag voordoet of strikte toepassing van de wet in die mate in strijd komt met het beginsel dat de administratie verwachtingen honoreert, welke zij bij een belanghebbende ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, dat die toepassing

achterwege dient te blijven;

dat deze vraag moet worden beantwoord door afweging van het beginsel, dat de wet moet worden toegepast, tegen evenbedoeld algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat bij die afweging voorop dient te worden gesteld dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan alle zijnerzijds gedane uitlatingen waardoor bij een belastingplichtige

verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn; dat met name indien het gaat om reacties op een verzoek van een belastingplichtige om inlichtingen aangaande de inhoud van wettelijke, dan wel andere door de fiscus in acht te nemen algemene regels, het belang dat de belastingplichtigen erbij hebben dat de fiscus zijn

voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen ertoe noopt te aanvaarden dat het risico van een onjuiste inlichting in de regel voor rekening van de betrokken belastingplichtige blijft; dat bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven van deze regel af te wijken en de fiscus aan dergelijke inlichtingen wel gebonden te achten, maar daartoe ten minste vereist zal

zijn, vooreerst dat die inlichtingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en voorts dat hij, afgaande op die onjuiste inlichtingen, een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde

belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade lijdt;”

In zijn arrest van 9 maart 1988, nr. 24199, BNB 1988/148, heeft de Hoge Raad de hiervoor opgenomen visie bevestigd.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser telefonisch inlichtingen heeft gevraagd aan de Belastingtelefoon. Door de antwoorden van de desbetreffende medewerker is bij eiser slechts een in rechte te beschermen vertrouwen gewekt, indien eiser de onjuistheid van de inlichtingen niet had kunnen en moeten beseffen en hij voorts, afgaande op de onjuiste inlichtingen, een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting moet betalen, maar daarenboven schade lijdt. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade in de door de Hoge Raad bedoelde zin - welke niet is de door eiser in zijn beroepschrift gestelde schade - heeft geleden en ook overigens daarvan niet is gebleken, slaagt reeds hierom het beroep op gewekt vertrouwen niet.

5.3. De rechtbank gaat voorbij aan het door eiser gedane bewijsaanbod, omdat de uitkomst ervan het hiervoor onder 5.2. vermelde oordeel niet kan veranderen.

5.4. Op grond van het vorenoverwogene is het gelijk aan verweerder.

6. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, voorzitter, mrs. A.J. Roke en A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.