Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY9730

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-09-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
15/630267-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Redelijke verdenking; ramkraak. Zie ook LJN: AY9729

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630267-06 en 13/467207-05 (tul)

Uitspraakdatum: 4 september 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 juli 2006 en 21 augustus 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Flevoland - Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van feit 4 gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage II bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van feit 1 gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage III bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

Aldus wordt aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 03 april 2006 (ongeveer om 21.40 uur) te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen vijftien (kartonnen) dozen met daarin (in totaal) tweehonderdvijfenzestig (spijker)broeken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/ hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair

hij op of omstreeks 3 april 2006 (ongeveer om 21.40 uur) te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand weg te nemen een aantal (spijker) broeken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij zich en/of zijn mededader(s) de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- met (de achterzijde van) een auto de roldeur heeft geramd die toegang geeft tot de opslagruimte van het bedrijfspand van die [slachtoffer 1] en/of

- door het aldus ontstane gat het pand heeft betreden en/of

- (vervolgens) vijftien (kartonnen) dozen met daarin (in totaal) tweehonderdvijfenzestig (spijker)broeken heeft gepakt en/of

- (vervolgens) die dozen in de auto heeft gezet,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

primair

hij in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 3 april 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Chrysler, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 3 april 2006 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto (merk Chrysler, kenteken [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 03 april 2006 (tussen ongeveer 03.49 uur en 05.15 uur) te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen een groot aantal broeken (te weten 70 broeken, merk 'Les temps des cerises', type 7102, kleur blauw, 75 broeken, merk 'Les temps des cerises', type 7202, kleur blauw, 227 broeken, merk 'Japan rags', type 'curb', kleur blauw en 93 broeken, merk 'Japan rags', type 'Detroit', in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/ hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.

primair

hij op of omstreeks 03 april 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (bestel)auto (merk Volkswagen, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel;

subsidiair

hij op 3 april 2006 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (bestel)auto (merk Volkswagen, kenteken [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair en feit 4 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van feit 2 primair

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat feit 2 primair niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het kan immers niet uitgesloten worden dat (een) ander(en) dan verdachte (en zijn mededader) deze diefstal heeft/hebben gepleegd nu er enige tijd zit tussen de diefstal van de Chrysler in Amsterdam en de diefstal in Hoofddorp waarbij de Chrysler is gebruikt. Enig ander bewijsmiddel waaruit zou kunnen blijken dat verdachte (en zijn mededader) de diefstal van de Chrysler heeft/hebben gepleegd, bevindt zich niet in het dossier.

Overweging ten aanzien van feit 4 primair

Op grond van eenzelfde redenering als ten aanzien van feit 2 primair is de rechtbank - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat feit 4 primair niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 subsidiair heeft begaan in dier voege dat:

1.

primair

hij op 3 april 2006 (ongeveer om 21.40 uur) te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand heeft weggenomen vijftien kartonnen dozen met daarin in totaal tweehonderdvijfenzestig spijkerbroeken toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak;

2.

subsidiair

hij in de periode van 2 april 2006 tot en met 3 april 2006 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een personenauto (merk Chrysler, kenteken [kenteken]) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het verwerven van die personenauto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op 3 april 2006 (tussen ongeveer 03.49 uur en 05.15 uur) te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand heeft weggenomen een groot aantal broeken, te weten 70 broeken, merk 'Les temps des cerises', type 7102, kleur blauw, 75 broeken, merk 'Les temps des cerises', type 7202, kleur blauw, 227 broeken, merk 'Japan rags', type 'curb', kleur blauw en 93 broeken, merk 'Japan rags', type 'Detroit', toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak;

4.

subsidiair

hij op 3 april 2006 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een bestelauto (merk Volkswagen, kenteken [kenteken]) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het verwerven van die personenauto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van de aanhouding van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alle door de aanhouding verkregen bewijsmiddelen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat op 3 april 2006 om 21.45 uur bij de politie een melding binnenkomt dat een ramkraak heeft plaatsgevonden bij het bedrijf [slachtoffer 1], gevestigd aan de [A-straat] te Hoofddorp. Omstreeks 23.05 uur wordt door een getuige gemeld dat zich een persoon hardlopend over het fietspad van de [B-weg] in noordelijke richting beweegt. Om 23.12 uur wordt door de politie een persoon staande gehouden die voldoet aan het opgegeven signalement. Deze persoon heeft geen duidelijk verhaal, is niet in het bezit van een identiteitsdocument, zijn kleding is nat en er zit modder aan zijn schoenen. Deze omstandigheden in samenhang gezien maken dat er een redelijke verdenking was dat verdachte betrokken was bij een strafbaar feit, te weten het feit waarnaar op dat moment een onderzoek werd ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de aanhouding van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden.

De uit de aanhouding verkregen bewijsmiddelen kunnen derhalve naar het oordeel van de rechtbank voor het bewijs gebruikt worden.

Overweging ten aanzien van feit 1 primair

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor het feit dat de tas waarop de vingerafdruk van verdachte is aangetroffen, een tas was die zich in de Chrysler bevond, omdat er meerdere niet nader geduide tassen in de Chrysler zijn aangetroffen, er een proces-verbaal van bevindingen is dat alle gevonden sporen opsomt met nummering en dat geen sluitende vergelijking is gelegd naar het resultaat van het rapport.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal onderzoek voertuig [nummer] blijkt dat in de Chrysler een rugzak met daarin onder andere twee plastic tassen is aangetroffen. Op beide plastic tassen werden dactyloscopische sporen aangetroffen welke blijkens het proces-verbaal onderzocht zouden gaan worden op bruikbaarheid en vergeleken zouden gaan worden met de van beide verdachten afgenomen vingersporen. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal identificatie dactyloscopisch spoor [nummer] dat een dactyloscopisch spoor met BPS-kenmerk [kenmerk] is onderzocht en is geïdentificeerd op een afdruk van de linker ringvinger van verdachte. Uit het feit dat bij de nummering van deze processen-verbaal en het gevonden spoor steeds het mutatienummer van de ramkraak die onder feit 1 wordt tenlastegelegd, wordt gehanteerd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat het dactyloscopisch spoor, aangetroffen op één van de tassen die zijn aangetroffen in de Chrysler, te herleiden is tot verdachte.

Overweging ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de Volkswagen waarin de buit van deze inbraak is aangetroffen ook een plastic zak is gevonden met daarop een vingerafdruk van verdachte. Daarnaast heeft de mobiele telefoon van de medeverdachte ten tijde van de diefstal een zendmast in Hoofddorp aangestraald in de omgeving van de plaats delict. Bij beide ramkraken, éénmaal in de vroege ochtend (feit 3) en éénmaal in de avond (feit 1) van dezelfde dag, wordt dezelfde modus operandi waargenomen, namelijk het inrijden van de roldeur met een grote (bestel)auto bij hetzelfde bedrijf. Voorts zijn beide keren dozen met aanzienlijke hoeveelheden spijkerbroeken ontvreemd. Dat zich in het dossier geen bewijs bevindt voor het feit dat verdachte en zijn mededader zich op de precieze tijd van de inbraak op de plaats van het delict bevonden, staat onder deze omstandigheden niet aan de bewezenverklaring in de weg.

Overweging ten aanzien van feit 4 subsidiair

De rechtbank is, zoals uit voorgaande blijkt, van oordeel dat verdachte en zijn mededader het onder 3 ten laste gelegde feit hebben gepleegd. Deze ramkraak bij het bedrijf [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden op 3 april 2006 tussen 03.49 uur en 05.15 uur. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat daarbij een Volkswagen bestelbus is gebruikt die gestolen is op 3 april 2006 om 01.30 uur te Amsterdam en dat deze Volkswagen op 3 april 2006 te Amsterdam om ongeveer 11.00 uur met schade aan de achterzijde is aangetroffen. Volgens een onbekend gebleven getuige is de auto daar omstreeks 06.00 uur neergezet. In de auto zijn spijkerbroeken aangetroffen afkomstig van een diefstal bij het bedrijf [slachtoffer 1].

Nu het niet aannemelijk is dat verdachten midden in de nacht deze auto op rechtmatige wijze in handen hebben gekregen en doorgaans met een 'eerlijke' auto geen ramkraken worden gepleegd, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte en zijn mededader wisten dat deze bestelauto van misdrijf afkomstig was.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair en 3 (telkens):

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

2 subsidiair en 4 subsidiair (telkens):

medeplegen van opzetheling.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van de overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het tweemaal medeplegen van diefstal met braak en tweemaal medeplegen diefstal wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen van de drie benadeelde partijen worden toegewezen en dat het beslag onder nummer 1 tot en met 3 terug wordt gegeven aan de beslagene.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee ramkraken. Deze ramkraken hebben in de vroege ochtend en late avond van dezelfde dag en bij hetzelfde bedrijf plaatsgevonden. Bij beide diefstallen is de (net vervangen) roldeur van het bedrijf geramd met een grote (bestel)auto, waardoor verdachte en zijn mededader in staat waren het pand te betreden en een groot aantal dozen met daarin enkele honderden broeken te stelen. Daarbij hebben verdachte en zijn mededader zich schuldig gemaakt aan de heling van auto's die zij voor de ramkraken hebben gebruikt.

Dit zijn ernstige feiten waarbij de daders zich met grof geweld toegang tot een bedrijf hebben verschaft, waardoor schade aan het pand en aan de auto's is veroorzaakt. Daarnaast vertegenwoordigen de buitgemaakte goederen een grote waarde. Eén en ander moet een grote impact hebben gehad op het getroffen bedrijf dat tot tweemaal toe met schade en diefstal werd geconfronteerd. De gevolgen van deze ramkraken zijn voor de betrokkenen niet gering geweest. Daar komt bij dat dergelijke misdrijven in de samenleving gevoelens van grote onrust en onveiligheid veroorzaken. De rechtbank heeft weliswaar met betrekking tot de feiten 2 en 4 niet het primaire, maar het subsidiair tenlastegelegde bewezen verklaard, maar dat doet niet af aan de op te leggen straf, nu de rechtbank de wel bewezenverklaarde feiten niet minder strafwaardig acht dan de feiten waarvan moet worden vrijgesproken.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat hij reeds eerder ter zake van vermogens- en geweldsmisdrijven met politie en justitie in aanraking is gekomen, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. De rechtbank neemt dit verdachte in het bijzonder kwalijk nu hij nog in de proeftijd liep van een eerdere voorwaardelijke veroordeling. Bovendien heeft verdachte, gelet op zijn houding ter terechtzitting, er geen blijk van gegeven verantwoordelijkheid voor zijn daden te willen nemen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3 Vordering benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.269,32 ingediend tegen verdachte wegens materië-le schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.100,- ingediend tegen verdachte wegens materië-le schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.029,49 ingediend tegen verdachte wegens materië-le schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een gevorderd bedrag van € 865,12 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering behoort te worden afgewezen voor een bedrag van € 164,37, te weten de BTW over het bedrag € 1.029,49.

6.4 Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is toegewezen, te weten

€ 8.269,32.

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is toegewezen, te weten € 1.100,-.

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is toegewezen, te weten € 865,12.

6.5 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Bij vonnis van 26 juli 2005 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank te Amsterdam betrokkene ter zake van diefstal (door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd) en wederspannigheid veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het wetboek van strafrecht, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Ten aanzien van het voorwaardelijk deel is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat betrokkene zich binnen die periode niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Deze proeftijd is nog niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat genoemde, niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van Justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Gelast zal mitsdien worden, gelet op artikel 14g van het wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie voor de duur van zes maanden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht: artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 310, 311, 416.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 2 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 8.269,32 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij 1], voornoemd, rekeningnummer [nummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.100,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 2], voornoemd, rekeningnummer [nummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 865,12 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij 2], voornoemd, rekeningnummer [nummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het door benadeelde partij [benadeelde partij 2] meer gevorderde, te weten een bedrag van € 164,37.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 8.269,32, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door honderdvijfenzestig dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededader aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.100,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door tweeëntwintig dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededader aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 865,12, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zeventien dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededader aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Telefoontoestel SAMSUNG E800 i mei nr [nummer]

- 1.00 STK Kaart T MOBILE sim

- 1.00 STK Schoeisel Kl: zwart HUGO BOSS.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie opgelegd in de zaak met parketnummer 13/467207-05 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet tenuitvoergelegde jeugddetentie, groot ZES MAANDEN, opgelegd bij vonnis van 26 juli 2005 van de meervoudige kamer van de rechtbank te Amsterdam.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. De Jong-Overtoom, voorzitter,

mrs. Greuter en Janse van Mantgem, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Lenssen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 september 2006.