Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY9538

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
313961 / CV EXPL 06-5908
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Vordering tot ontruiming wordt toegewezen. Gedaagde komt geen beroep op huurbescherming toe, nu het gehuurde, een relaxclub/sexclub, geen bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 BW. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om gedaagde een ontruimingstermijn van zes maanden te gunnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 313961 / CV EXPL 06-5908

datum uitspraak: 4 oktober 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap VAN DIJK B.V.

te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer

eiseres

gemachtigde: mr. A.M. Vreeswijk

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde

gemachtigde: eerst mr. C.A.M. Smeets, thans mr. M.A.M. Schepers

het navolgende vonnis gewezen.

De kantonrechter heeft bij het wijzen van dit vonnis acht geslagen op de gedingstukken, zijnde de dagvaarding, het ant-woord, het tussenvonnis van 2 augustus 2006 waarbij een comparitie van partijen gelast is, de in het geding gebrachte producties alsmede de aantekeningen die de griffier ge-maakt heeft bij gele-genheid van de in deze zaak op 6 september 2006 gehouden compa-ri-tie. De inhoud van de geding-stuk-ken geldt als hier inge-last.

Bij het afsluiten van de comparitie van partijen is vonnis bepaald op heden.

Rechtsoverwegingen

1. Als erkend danwel niet voldoende gemotiveerd bestreden en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, staat het volgende tussen partijen vast:

- [gedaagde] heeft per 1 januari 2001, voor de duur van vijf jaar, van Van Dijk in huur verkregen het pand [adres],

- [gedaagde] exploiteert in genoemd pand de “Schiphol Love Club”,

- bij brief van 22 december 2004 heeft Van Dijk [gedaagde] de huur opgezegd tegen 31 december 2005 en [gedaagde] aangezegd het gehuurde te ontruimen en te verlaten,

- [gedaagde] kan met de opzegging van de huurovereenkomst niet instemmen.

2. Tegen de achtergrond van voormelde feiten vordert Van Dijk, naast nevenvorderingen, ontruiming door [gedaagde] van de onroerende zaak [adres]. Ter adstructie van haar vordering voert Van Dijk aan dat [gedaagde] in het gehuurde een relaxclub/sexclub exploiteert. De huurder van een ruimte waarin een prostitutiebedrijf geëxploiteerd wordt, zoals geval is met betrekking tot het pand Aalsmeerderdijk 51, geniet, aldus Van Dijk, niet de bescherming van art. 7:290 BW. Volgens Van Dijk valt het aan [gedaagde] verhuurde onder de werking van art. 7:230a BW. Van de daar geboden ontruimingsbescherming heeft [gedaagde] echter geen gebruik gemaakt, zodat er geen grond is waarop [gedaagde] een langer verblijf in het gehuurde kan baseren.

3. [gedaagde] heeft de vordering van Van Dijk gemotiveerd bestreden.

4. Centraal staat in deze procedure de vraag of het door [gedaagde] van Van Dijk gehuurde moet worden aangemerkt als een bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW. Genoemd artikel noemt een aantal elementen waaraan moet zijn voldaan wil er sprake kunnen zijn van een bedrijfsruimte als in dat artikel bedoeld. Het eerste element, de gebouwde onroerende zaak, is tussen partijen niet in discussie, zodat dat element verder onbesproken kan blijven.

Wel is in discussie het volgende element: krachtens overeenkomst … bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf.

In de huurovereenkomst van partijen staat onder art. 1 opgenomen de tekst: … verhuurder verhuurt …aan huurder … het tot dusverre door de verhuurder geëxploiteerde bedrijf genaamd “Schiphol Love Club” … . Tussen partijen is onbestreden dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van partijen “Schiphol Love Club” een “gewone” sexclub was. Het bedrijf is als sexclub overgedragen om als sexclub te worden geëxploiteerd. Beslissend is hetgeen partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, bij het sluiten van de overeenkomst omtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan.

Een “gewone” sexclub is niet aan te duiden als een bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW, een en ander wordt door [gedaagde] ook niet gemotiveerd bestreden.

5. [gedaagde] heeft nog betoogd dat hij het karakter van de club heeft veranderd door het introduceren van het erotisch café op de woens- donder- en vrijdagen, en enkel op de maan- en dinsdagen als relaxclub te functioneren. Voor die exploitatie heeft [gedaagde] een vergunning verkregen waarin “Schiphol Love Club” aangeduid wordt als alcoholschenkend prostitutiebedrijf (zijnde relaxclub) alsmede een erotisch café en parenclub. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt een en ander het bedrijf van [gedaagde] nog niet tot een als horeca te duiden onderneming. Het verschaffen van spijs, drank of onderdak is immers geen overheersend element in het door [gedaagde] geboden dienstenpakket. Voor alles is “Schiphol Love Club” erop gericht de bezoekers de mogelijkheid te bieden tot het hebben van (betaalde) sex. [gedaagde] heeft ter zitting ook verklaard dat de meeste bezoekers van de club zich gedurende enige tijd terugtrekken in de vijf tot acht kamers die beschikbaar zijn voor het hebben van sexueel contact met een ander. Het onderscheid erotisch café / relaxclub staat daaraan niet in de weg.

Overigens, zoals hiervoor onder 4. al is overwogen, is de “Schiphol Love Club” als “gewone” sexclub overgedragen om als zodanig geëxploiteerd te worden en is hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn overeengekomen doorslaggevend. Van een door Van Dijk geaccordeerde of bewilligde bestemmingswijziging is geen sprake.

6. Waar het geen betoog behoeft dat het bedrijf van [gedaagde] in de zin van de wet niet kan worden gekwalificeerd als een kleinhandelsbedrijf, afhaal- of besteldienst danwel ambachtsbedrijf, moet de conclusie zijn dat de onder 4. eerste volzin opgeworpen vraag ontkenend moet worden beantwoord. Dat betekent dat [gedaagde] de bescherming van art. 7:290 BW ontbeert en aangewezen is op hetgeen art. 7:230a BW aan ontruimingsbescherming biedt. Waar [gedaagde] de bescherming van art. 7:230a BW echter niet heeft ingeroepen moet de slotsom zijn dat er voor [gedaagde] geen grond is voor een voortgezet gebruik van het van Van Dijk gehuurde.

7. De vordering van Van Dijk zal worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] niet eerder behoeft te ontruimen dan 30 juni 2008. Genoemde datum is mogelijk wat verder in de toekomst gelegen dan gebruikelijk, maar het vergunningplichtige “bedrijf” van [gedaagde] laat zich niet gemakkelijk verplaatsten. Daar komt bij dat er tussen partijen eerder een procedure gelopen heeft. In die procedure heeft Van Dijk ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van de achterstallige huur gevorderd. [gedaagde] had een reconventionele vordering in gesteld, ondermeer betrekking hebbend op achterstallig onderhoud. In deze procedure heeft in april j.l. nog een voortgezette comparitie plaats gevonden waarna de zaak na de nodige vijven en zessen uiteindelijk is geregeld/afgedaan. In bedoelde procedure is nimmer door Van Dijk aangegeven, verwijzend naar de opzegging tegen 31 december 2005, dat wat er ook zij van het verweer en de reconventionele vordering van [gedaagde], zondermeer de beëindiging van de huurovereenkomst van partijen zou worden nagestreefd. De voorliggende procedure is ook pas gestart nadat de oudere procedure afgerond was. [gedaagde] heeft ter comparitie onweersproken gesteld dat hij verwachtte dat met het afronden van de vorige procedure hij de exploitatie van het gehuurde kon voortzetten, reden waarom hij voor € 40.000,-- in het gehuurde heeft geïnvesteerd.

Van Dijk staat in haar recht door ontruiming te vorderen, maar zij had met betrekking tot haar intentie de beëindiging van de huurovereenkomst met [gedaagde] koste wat het koste door te zetten wel veel duidelijker kunnen en (op de voet van art. 6:2 jo art. 6:248 BW) moeten zijn. Door haar proceshouding tot en met het afdoen van de vorige procedure heeft Van Dijk het vertrouwen gewekt dat zij berustte in de voortzetting de komende tijd van de exploitatie door [gedaagde] van de “Schiphol Love Club”.

8. Anders dan bij de huurbescherming van art 7:290 BW het geval is, loopt de huurovereenkomst van partijen niet door na de opzegging. Wel is [gedaagde] een gebruikersvergoeding verschuldigd die gelijk is aan het bedrag dat hij verschuldigd geweest zou zijn als de huurovereenkomst wel zou zijn doorgelopen.

9. De kantonrechter ziet aanleiding de kosten van de procedure te compenseren nu partijen over en weer in het ongelijk gesteld zijn. Het ongelijk van Van Dijk bestaat daarin dat, anders dan zij beoogde te bereiken, een spoedige ontruiming door [gedaagde] van het gehuurde niet aan de orde kan zijn.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om de bij hem in gebruik zijnde onroerende zaak [adres], gemeente Haarlemmermeer, met alle zich daarin bevindende personen en roerende zaken, voorzover niet toebehorende aan Van Dijk, te verlaten en te ontruimen, uiterlijk op 30 juni 2008, en onder gelijktijdige afgifte van alle sleutels van het gehuurde ter algehele en vrije beschikking van Van Dijk te stellen, met machtiging op Van Dijk om de ontruiming te doen bewerkstelligen, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, namelijk indien en voorzover [gedaagde] in gebreke mocht blijven om aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen,

bepaalt dat [gedaagde] aan Van Dijk een gebruikersvergoeding verschuldigd is als hiervoor onder 8. bedoeld,

compenseert de kosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. S.R. Mellema, kantonrechter, en uitge-sproken op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 in tegen-woor-dig-heid van de griffier.