Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY9537

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
318010 AO VERZ 06-1312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Kantonrechter kent vergoeding toe tegen correctiefactor 3. (zie anders JAR 2003,125). Werkneemster achtte een vergoeding tegen correctiefactor 2 onaanvaardbaar. Hogere vergoeding toegekend wegens het niet nakomen van reïntegratieverplichting door werkgever.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/253
JIN 2006/430
Prg. 2006, 174
JAR 2006, 253
SR 2007, 4

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 318010/AO VERZ 06-1312

datum uitspraak: 3 oktober 2006

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

De Nederlandse Brandwonden Stichting

te Beverwijk

verzoekster

hierna: NBS

gemachtigde: mr. G.P. Poiesz

tegen

[verweerster]

te [woonplaats]

verweerster

hierna: [verweerster]

gemachtigde: mr. R.C. Reitsma

De procedure

Op 25 juli 2006 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van NBS. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 september 2006. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigden van partijen hebben pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

a. [verweerster], geboren op 12 juni 1955, is sinds 1 mei 1996 in dienst bij NBS. Het huidige salaris van [verweerster] bedraagt €3.272,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

b. Per 1 mei 2000 vervulde [verweerster] de functie van medewerkster fondsenwerving.

c. Met ingang van juli 2001 is [verweerster] aangesteld in de functie van coördinator landelijke collecte.

d. Vanwege een door NBS gewenste wijziging in de aansturing van de buitendienst, is [verweerster] met ingang van 1 juni 2004 naast haar oorspronkelijke werkzaamheden belast met het aansturen van 13 regionale promotoren.

e. Met ingang van 24 januari 2006 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. Zij is vervolgens drie dagen per week op arbeidstherapeutische basis gaan werken.

f. In februari 2006 hebben drie gesprekken plaatsgevonden tussen [verweerster] en NBS.

g. In de brief van 27 februari 2006 van NBS aan [verweerster] met als onderwerp ‘Gespreks-bevestiging 10 februari 2006’ is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

In het gesprek heb jij aangegeven dat de twee werkgebieden binnen jouw huidige functie een te grote belasting voor jou vormen. Jij hebt aangegeven dat met name het aansturen van de promotoren problemen oplevert. Je hebt aangegeven dit deel van je functie af te willen stoten. (...)

Om een goed beeld te krijgen van jouw mogelijkheden en om jouw koers voor de toekomst te bepalen zullen de volgende acties worden ondernomen:

Jij voert nog een aantal gesprekken met de Bedrijfsmaatschappelijk werker van ArboNed.

Jij continueert de behandeling van je huisarts in verband met te hoge bloeddruk.

Op kosten van de NBS zal jij meewerken aan een test waarin competenties en mogelijkheden worden onderzocht.

(…)”

h. In de brief van eveneens 27 februari 2006 van NBS aan [verweerster] met als onderwerp ‘Gespreksbevestiging 21 februari 2006’ is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Het standpunt van de Brandwonden Stichting is dat de collecteorganisatie door 1 projectleider aangestuurd zal blijven worden, zoals dat de afgelopen 20 maanden ook gedaan is.

Wij zijn overeengekomen dat jij probeert om op basis van de bevindingen van het assessment een andere invulling te geven aan je werkzaamheden bij de Brandwonden Stichting. Enerzijds kan daarbij ondersteuning van de collecte aan de orde zijn, anderzijds zijn er diverse andere opties binnen andere projecten, ook van andere programma’s.

Wij kwamen overeen dat een afsluiting van het recente verleden en het opbouwen van een nieuw begin voor jou de meest wenselijke optie is.

(…)”

i. In maart 2006 hebben NBS en [verweerster] het ‘Antwoordformulier Plan van Aanpak’ onder-tekend. Op dit formulier is de volgende aantekening gemaakt:

“Voorlopig takenpakket is besproken en bevestigd. Zodra het assessment heeft plaatsgevonden, kunnen structurele afspraken m.b.t. nieuwe functie worden gemaakt.”

j. Op 21 maart 2006 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en NBS. In dit gesprek zijn afspraken gemaakt over het voorlopige takenpakket van [verweerster]. In het gesprek heeft NBS benadrukt dat zodra het assessment heeft plaatsgevonden aan de hand van de bevindingen verdere afspraken gemaakt zullen worden over de door [verweerster] uit te voeren werkzaam-heden binnen NBS.

k. NBS heeft vervolgens besloten op zoek te gaan naar een vervanger voor de functie van coördinator landelijk collecte. Op 1 april 2006 is een vacature voor deze functie geplaatst in de landelijke dagbladen.

l. Op 3 april 2006 heeft [verweerster] haar werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis beëindigd. Op 4 april 2006 heeft zij een gesprek gehad met NBS. In de gespreks-bevestiging van 5 april 2006 is aan haar onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Aanleiding was jouw emotionele reactie van donderdagmiddag 30 maart en van maandag-ochtend 3 april waarbij jij op beide dagen naar huis bent gegaan omdat verder werken op arbeidstherapeutische basis voor jou niet mogelijk was.

Dat is de reden dat wij besloten hebben dat het voor jou in het kader van reïntegratie als wel voor rust binnen de Stichting niet wenselijk is dat jij op dit moment op arbeidstherapeutische basis op het kantoor van de Stichting werkzaamheden verricht. Wij zullen hierover contact opnemen met de Arbodienst.

(…)”

m. Bij brief van 19 april 2006 heeft [verweerster] geprotesteerd tegen het plaatsen van de personeelsadvertentie en heeft zij NBS gesommeerd de wervingsactiviteiten voor de functie te stoppen.

n. NBS heeft inmiddels een vervanger voor de functie van [verweerster] aangenomen voor de duur van een jaar.

o. Bij vonnis van 30 mei 2006 heeft de kantonrechter te Haarlem de door [verweerster] gevorderde voorlopige voorzieningen geweigerd, waarin zij onder meer het volgende heeft overwogen:

“Weliswaar dient NBS op grond van artikel 7:658a BW inschakeling van [verweerster] in het arbeidsproces in haar bedrijf te bevorderen en [verweerster] in staat te stellen passende arbeid te verrichten, hetgeen NBS steeds heeft aangegeven te willen en zullen doen, (…).”

p. [verweerster] is nog steeds arbeidsongeschikt.

Het verzoek

NBS verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt NBS – samengevat – het volgende.

NBS heeft al haar vertrouwen in [verweerster] verloren. In het kader van de kort geding procedure heeft [verweerster] halsstarrig getracht een eenzijdige functie wijziging af te dwingen. Door de vordering in kort geding in te stellen heeft zij het advies van de Arbo-arts tot mediation welbewust naast zich neergelegd. Mediation is daarom geen optie meer. [verweerster] heeft herhaaldelijk laten weten niet meer onder haar leidinggevende Kaandorp te willen werken. De onderlinge verstandhouding tussen beiden is dermate verstoord dat van een vruchtbare voortzetting van het dienstverband geen sprake meer kan zijn.

NBS is van mening dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerster] voortzet. Omdat de ontstane situatie enkel en alleen aan [verweerster] is te wijten is voor een vergoeding geen plaats.

Het verweer

[verweerster] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toekenning van een vergoeding van €114.638,00.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is namens [verweerster] evenwel betoogd dat zij meent dat sprake zou zijn van een onaanvaardbaar resultaat ingeval van toepassing van de kantonrechtersformule met de factor C = 2. Zij baseert zich daarbij op het feit dat NBS zonder enige reden de terugkeer van [verweerster] binnen de organisatie tegenwerkt en zonder enige aanleiding terugkomt op haar toezeggingen dat voor [verweerster] plaats is in die organisatie. [verweerster] voegt daaraan toe dat in een vergelijkbaar geval correctiefactor 4 is toegepast.

De beoordeling van het verzoek

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek is de kantonrechter gebleken dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. Met name bestaat bij NBS geen bereidheid meer om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] voort te zetten.

Dit standpunt wordt -naar de kantonrechter is gebleken- mede ingegeven door de omstandigheid dat de oorzaak van de uitbreiding van de functie van [verweerster] gelegen was in de organisatiestructuur bij NBS. Het samenvoegen van taken was volgens NBS nodig voor een betere vervulling ervan. Bovendien staat tussen partijen vast dat in de door [verweerster] uitgeoefende functie door NBS inmiddels een ander is aangesteld.

Onder deze omstandigheden ligt een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet voor de hand.

Er zijn dus voldoende gewichtige redenen om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden, zodat het verzoek in zoverre toewijsbaar is. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 november 2006.

Beoordeeld moet thans worden of aan [verweerster] in redelijkheid een vergoeding toekomt.

Het is de kantonrechter gebleken dat NBS het [verweerster] vooral verwijt dat zij is overgegaan tot het verzoeken van een voorlopige voorziening. Dat kan [verweerster] niet kwalijk worden genomen. Zij werd er namelijk mee geconfronteerd dat voor haar functie een ander werd geworven, die inmiddels ook is aangesteld. Dat [verweerster] bij die werving is betrokken is niet relevant en heeft eerder averechts gewerkt, in die zin dat het heeft geleid tot een verslechtering van de gezondheid van [verweerster]. NBS heeft niet als een goed werkgever gehandeld door reeds tot werving over te gaan op een moment dat [verweerster] nog steeds arbeidsongeschikt was en is. NBS had haar inspanningen in de eerste plaats moeten richten op de reïntegratie van [verweerster]. Blijkens haar mededelingen tijdens de mondelinge behandeling wil NBS dat niet omdat de verhouding tussen partijen en tussen [verweerster] en haar collega’s onherstelbaar is verstoord door het beginnen van een kort geding procedure. Indien NBS dat oordeel is toegedaan, is het onbegrijpelijk dat zij zich bij de behandeling in kort geding, zoals blijkt uit het vonnis van 30 mei 2006, nog op het standpunt stelde dat reïntegratie nog wel aan de orde was. Zij moest toen echter ook al geweten hebben dat de verhoudingen volgens haar waren verstoord door het aanspannen door [verweerster] van de kort geding procedure, zodat haar uitlatingen in die procedure geen geloof verdien(d)en.

Al met al is de kantonrechter van oordeel dat NBS over de belangen van [verweerster] is heen gewalst zonder in voldoende mate rekening te houden met haar arbeidsongeschiktheid, haar positie binnen NBS en haar kansen op de arbeidsmarkt.

Onder deze omstandigheden is kantonrechter van oordeel dat een vergoeding met correctiefactor C=3 op zijn plaats is. De vergoeding wordt daarom gesteld op (afgerond) €180.000,00.

NBS heeft geen vergoeding aangeboden, zodat de kantonrechter NBS in de gelegenheid zal stellen het verzoek in te trekken.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen ervan in kennis voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst tegen

1 november 2006 te ontbinden onder toekenning van een vergoeding als hierna is vermeld;

bepaalt dat NBS de gelegenheid heeft het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 17 oktober 2006 te 15.00 uur ter griffie ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

voor het geval NBS het verzoek niet intrekt wordt alvast als volgt beslist:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tegen 1 november 2006;

kent aan [verweerster] ten laste van NBS een vergoeding toe van €180.000,00 bruto, ineens te voldoen, (als aanvulling op ingevolge sociale verzekeringswetten te ontvangen uitkeringen dan wel elders te verwerven lager inkomen uit arbeid);

veroordeelt voor zover nodig NBS tot betaling van die vergoeding;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

voor het geval NBS het verzoek wel intrekt:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.