Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY9075

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
06/2293
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een lening afgesloten ter financiering van uitgaven ter verbetering van de eigen woning, waaronder de kosten van een houten vloer. Verweerder heeft de kosten van de houten vloer niet geaccepteerd als kosten ter verbetering van de woning omdat de vloer, nu deze zwevend is gelegd, niet met het huis is verbonden. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, met verwijzing naar artikel 3:4 B.W. en merkt de kosten van de vloer aan als kosten ter verbetering van de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1505
FutD 2006-1895

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2293

Uitspraakdatum: 27 september 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Q,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 7 oktober 2005 voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.783.

1.2. Eiser heeft tegen de aanslag een bezwaarschrift ingediend, dat door verweerder is ontvangen op 24 oktober 2005. Verweerder is bij uitspraak van 8 februari 2006 gedeeltelijk aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen en heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 28.209

1.3. Eiser heeft tegen voornoemde uitspraak een beroepschrift ingediend, dat door de rechtbank is ontvangen op 3 februari 2006. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van 25 augustus 2006 te Haarlem. Eiser is daar in persoon verschenen, tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote Y. Namens verweerder is verschenen Z.

2. De feiten

2.1. Eiser heeft in 1996 een woning gekocht, waarvan de hypothecaire schuld na het oversluiten van de lening in 1999 € 157.008 bedroeg.

2.2. In 2001 heeft eiser twee andere hypothecaire leningen afgesloten ten bedrage van respectievelijk € 22.689 en € 39.479, waarmee hij onder meer twee doorlopende kredieten ten bedrage van € 27.228 en € 24.050 heeft afgelost.

De lening van € 22.689 heeft geen betrekking op de eigen woning.

De lening van € 39.479 heeft deels betrekking op de eigen woning.

2.3. Eiser heeft de volgende kassabonnen en rekeningen overgelegd.

a. Diverse kassabonnen tot een bedrag van € 10.228

b. Rekening van “A” d.d. 16 december 1997 betreffende de levering van een houten vloer ten bedrage van € 2.781

c. Rekening van “A” d.d. 18 maart 1999 betreffende de levering van een houten vloer ten bedrage van € 2.330.

d. Rekening van bouwbedrijf B d.d. 17 juli 2000 betreffende de plaatsing van een dakkapel ten bedrage van € 2.995

Voorts heeft eiser € 1.728 betaald wegens kosten van de afgesloten leningen.

2.4. Verweerder heeft de eigenwoningschuld na het afsluiten van de in 2001 afgesloten leningen vastgesteld op € 174.289, welk bedrag bestaat uit de bestaande lening van

€ 157.008, vermeerderd met de onder 2.3. genoemde bedragen met uitzondering de rekening genoemd onder b.

2.5. De rente die eiser in 2002 over de hypothecaire schulden van € 157.008 en € 39.479 (totaal € 196.486) heeft betaald bedroeg € 9.838.

Verweerder heeft de rente die in aftrek kan worden gebracht berekend op 174.289 / 196.486 maal € 9.838 = € 8.726.

3. Het geschil

3.1. In geschil is welk deel van de over de hypothecaire leningen van in totaal € 196.486 betaalde rente ad. € 9.838 als rente van schulden die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning in aftrek kan worden gebracht.

3.2. Eiser stelt zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt dat naast het door verweerder geaccepteerde bedrag van de eigenwoningschuld ad. € 174.289 nog € 20.000 als eigenwoningschuld dient te worden aangemerkt.

Hij stelt hiertoe dat in de periode vanaf 1996 tot het aflossen van de doorlopende kredieten

met deze kredieten uitgaven voor verbetering en onderhoud van de woning zijn gefinancierd tot het door hem gestelde bedrag.

Eiser is voorts van mening dat, nu verweerder de in de aangifte 2001 vermelde eigenwoningschuld ad. € 196.487, en de daarmee corresponderende rente heeft geaccepteerd, dit ook bij het vaststellen van de onderhavige aanslag dient te geschieden.

Interne compensatie, waarop verweerder een beroep doet, kan volgens eiser niet worden toegepast nu dit eerst in het verweerschrift aan de orde is gesteld.

3.3. Verweerder stelt dat eiser niet met schriftelijke bescheiden heeft gestaafd dat hij tot een hoger bedrag dan € 174.289 uitgaven heeft gedaan ter verwerving, onderhoud of verbetering van zijn eigen woning.

Verweerder heeft verder gesteld dat, indien de aftrekbare rente op een hoger bedrag moet worden vastgesteld, hij zich beroept op interne compensatie nu bij het vaststellen van de aanslag de premies voor lijfrenten tot een bedrag van € 1.980 ten onrechte op het inkomen in mindering zijn gebracht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2002; hierna: Wet IB 2001) in samenhang met artikel 3.123 van de Wet IB 2001 zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van - voor zover hier van belang - renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning voor zover de verwerving, verbetering of onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven.

4.2. Tussen partijen bestaat geen geschil ten aanzien van de kwalificatie van de in 2.3. genoemde uitgaven onder a, c, en d, alsmede de kosten van de geldlening.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitgaven voor een houten vloer (genoemd in 2.3. onderdeel b.) ad. € 2.781, die destijds zijn gefinancierd uit het in 2001 afgeloste doorlopende krediet, niet als eigenwoningschuld zijn aan te merken omdat de vloer zwevend is gelegd en niet is gelijmd of gespijkerd.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet.

Ingevolge artikel 3:4, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek wordt een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, als bestanddeel van de hoofdzaak aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk dat een op maat gemaakte zwevend gelegde houten vloer zonder beschadiging van betekenis uit de woning kan worden verwijderd. De vloer dient derhalve als een bestanddeel van de woning te worden beschouwd. Nu door verweerder verder niet is betwist dat het aanbrengen van de vloer als een verbetering moet worden gezien dienen de met een doorlopend krediet gefinancierde uitgaven voor deze vloer als eigenwoningschuld te worden aangemerkt.

Nu door eiser overigens geen schriftelijke bescheiden zijn overgelegd waaruit blijkt dat hij naast de in 2.3. genoemde uitgaven andere uitgaven voor verbetering of onderhoud van de eigen woning heeft gedaan die uit één van de door eiser afgesloten leningen zijn gefinancierd dient de eigenwoningschuld te worden vastgesteld op € 177.070 (€ 174.289 + € 2.781).

De aftrekbare rente wordt bepaald op 177.070 / 196.486 maal € 9.838 = € 8.866.

4.3. Door eiser is voorts gesteld dat hij de overige bonnen en facturen met betrekking tot het onderhoud en de verbetering van de woning heeft weggegooid nadat de aanslagen over de jaren vóór 2002 zijn opgelegd zonder dat verweerder hier vragen over heeft gesteld terwijl als eigenwoningschuld in de aangifte 2001 € 196.487 was vermeld en de hiermee corresponderende rente in aftrek is toegestaan.

De rechtbank gaat ervan uit dat eiser hiermee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel.

Door verweerder is onweersproken gesteld dat de aangifte 2001 is gevolgd zonder dat hierover vragen zijn gesteld. Evenmin heeft eiser de renteaftrek uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld. Er is mitsdien geen sprake geweest van een bindende toezegging of een bewuste standpuntbepaling van de zijde van verweerder of van uitlatingen van zijn zijde die bij eiser de indruk hebben kunnen wekken van een zodanige bewuste standpuntbepaling. Onder die omstandigheden kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet worden gehonoreerd. Daarvoor is immers meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder een bij de aanslagregeling door eiser ingenomen standpunt niet corrigeert.

De gevolgen van het weggooien van de bonnen en facturen blijven voor rekening van eiser.

4.4. Door verweerder is een beroep gedaan op interne compensatie, in die zin dat indien de aftrekbare rente hoger wordt vastgesteld, dit niet tot vermindering van het belastbaar inkomen kan leiden aangezien de in aftrek gebrachte premie voor lijfrente € 1.980 te hoog is vastgesteld. Nu verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat de in aftrek gebrachte premie voor lijfrente te hoog is vastgesteld en eiser dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, volgt de rechtbank verweerder hierin.

Eiser heeft ter zitting gesteld dat het beroep van verweerder op interne compensatie dient te worden afgewezen aangezien hem een rechtsgang wordt ontnomen, nu verweerder eerst in het verweerschrift deze stelling heeft ingenomen.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft sinds de indiening van het verweerschrift voldoende gelegenheid gehad deze stelling van verweerder te bestrijden, zodat hij niet in zijn processuele positie is geschaad.

4.5. Dit leidt tot de conclusie dat de aftrekbare rente met betrekking tot de eigen woning

€ 140 hoger dient te worden vastgesteld dan het bedrag dat verweerder heeft geaccepteerd, maar dit wordt gecompenseerd door het ten onrechte in aftrek gebrachte deel van de lijfrentepremie.

Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 27 september 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.