Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY8851

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/1409 en 05/1411
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1532, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rekeningenproject. Duitse Finanzamt bevoegd tot spontane verstrekking gegevens op basis van EG-richtlijn nr. 77/779. Gebruikmaking van bevoegdheid artikel 47 AWR niet in strijd met abbb of 6 EVRM, zolang het maar niet de boete-oplegging betreft. Boete passend bij willens en wetens vooropgezette belastingontduiking en volledige weigering medewerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 05/1409 en 05/1411

Uitspraakdatum: 26 september 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de

gedingen tussen

X,

wonende te Q, eiser,

gemachtigde: mr. Z, advocaat te Q

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 1992 tot en met 2000 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, met telkens een verhoging van 100%.

Verweerder heeft voorts aan eiser voor de jaren 1993 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting (VB) opgelegd, eveneens elk met een boete van 100%.

Alle aanslagen en boetebeschikkingen zijn gedagtekend 15 april 2004.

Eiser heeft tegen de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen bij twee geschriften bezwaar gemaakt, welke bezwaarschriften door verweerder op 8 en 14 april 2004 zijn ontvangen. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 maart 2005 de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar bij brief van 18 april 2005, ontvangen bij de rechtbank op diezelfde dag, beroep ingesteld. Bij brief met bijlagen van 18 mei 2005 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.

De rechtbank heeft het beroep voor zover dit betrekking heeft op de navorderingsaanslagen IB/PVV en de daarbij behorende boetes ingeboekt als de zaak met procedurenummer 05/1409 IB/PVV en voor zover dit betrekking heeft op de navorderingsaanslagen VB met bijbehorende boetes als de zaak met procedurenummer 05/1411.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en in beide zaken één verweerschrift ingediend. Op 17 mei 2006 heeft verweerder een voor beide zaken geldend aanvullend verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2006 te Haarlem. Beide zaken zijn daar gelijktijdig behandeld. Namens verweerder zijn daar verschenen A, B en C.

Eisers gemachtigde is door de griffier bij faxbericht van 4 april 2006, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemd faxbericht aan het juiste, van eisers gemachtigde bij de rechtbank bekende, telefaxnummer is verzonden en de verzending blijkens het desbetreffende faxjournaal correct is verlopen, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek in beide zaken gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaring van verweerder ter zitting stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil de volgende feiten vast:

2.1. De Nederlandse overheid heeft bij twee afzonderlijke zogeheten "Mitteilungen im steuerlichen Auskunftsaustausch über Einkünfte aus deutschen Quellen durch Geschäftsbeziehungen zu deutschen Kreditinstituten", afkomstig van het Duitse Finanzamt für Steuerstrafsachen und Steuerfahndung te Düsseldorf, stukken (renseignementen) ontvangen van de D Bank AG met betrekking tot bij die bank lopende rekeningen met nummers 1111111 en 2222222, op naam van X oder Y, X oder Y, wonende aan de A-straat 1, 1111 CA dan wel 1111 ÖCA te Q.

2.2. Eiser is gehuwd met Y en beide echtelieden wonen A-straat te Q.

2.3. Blijkens de uit Duitsland ontvangen renseignementen bedroeg het saldo van de rekening met nummer 1111111 per 12 april 1990 DM 54.322 (het betreft hier de aankoop van waardepapieren) en dat van de rekening met nummer 2222222 per 26 augustus 1992

DM 102.000.

2.4. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV en VB vanaf 1992 geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgegeven die betrekking hebben op een rekening bij de D Bank.

2.5. Naar aanleiding van de uit Duitsland ontvangen informatie heeft verweerder eiser bij brief van 22 oktober 2003 een formulier "Opgaaf Buitenlands vermogen" gestuurd met het verzoek dit in te vullen en te retourneren vóór 5 november 2003. In de brief wordt eiser erop gewezen dat hij op grond van het bepaalde in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gehouden is de gevraagde inlichtingen te verstrekken en voorts dat hij zich schuldig maakt aan een strafbaar feit indien hij de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt. Het desbetreffende formulier bevat vragen met betrekking tot het gerechtigd zijn tot buitenlandse bankrekeningen, om welke rekening bij welke bank het gaat en wanneer de rekening is geopend.

2.6. In reactie op voornoemde brief heeft eisers gemachtigde bij brief van 3 november 2003 vragen gesteld over hoe verweerder aan zijn gegevens is gekomen, wat die gegevens precies behelzen en om welke belastingjaren het gaat. Zolang deze informatie niet wordt verstrekt, kan eiser geen verdere medewerking verlenen, aldus de gemachtigde in deze brief.

2.7. Verweerder heeft bij brieven van 27 november 2003, 7 en 22 januari 2004 aan zowel eisers gemachtigde als aan eiser zelf het verzoek om inlichtingen herhaald. Bij bedoelde brieven heeft verweerder telkens het formulier “Opgaaf Buitenlands vermogen" gevoegd. Hierop is door eiser niet gereageerd.

2.8. Bij brief met bijlagen van 27 februari 2004 heeft verweerder eiser en diens gemachtigde meegedeeld het voornemen te hebben over te gaan tot het opleggen van de thans in het geding zijnde navorderingsaanslagen, alle verhoogd met een bestuurlijke boete van 100%. In de brief is uiteengezet op welke gegevens van welke bank de navorderingen zijn gebaseerd en hoe deze zijn berekend. Hierop is van de zijde van eiser niet gereageerd.

2.9. Met dagtekening 15 april 2004 zijn aan eiser de volgende navorderingsaanslagen en boetes opgelegd:

jaar nummer totaal IB/PVV boete

1992 000000000.H28 NLG 4.490 NLG 4.490

1993 000000000.H38 NLG 3.571 NLG 3.571

1994 000000000.H48 NLG 2.212 NLG 2.212

1995 000000000.H58 NLG 1.734 NLG 1.734

jaar nummer bedrag boete

navordering IB/PVV

1996 000000000.H.67 NLG 1.155 NLG 1.155

1997 000000000.H.77 NLG 769 NLG 769

1998 000000000.H.87 NLG 1.081 NLG 1.081

1999 000000000.H.97 NLG 724 NLG 724

2000 000000000.H.07 NLG 1.276 NLG 1.276

jaar nummer totaal VB boete

1993 000000000.K38 NLG 952 NLG 952

1994 000000000.K48 NLG 968 NLG 968

1995 000000000.K58 NLG 981 NLG 981

1996 000000000.K68 NLG 986 NLG 986

jaar nummer bedrag navordering VB boete

1997 000000000.K.77 NLG 680 NLG 680

1998 000000000.K.87 NLG 490 NLG 490

1999 000000000.K.97 NLG 553 NLG 553

2000 000000000.K.07 NLG 553 NLG 553

2.10. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder onder meer en voor zover hier van belang het volgende overwogen:

"De ter beschikking staande gegevens zijn spontaan verstrekt door de Duitse

autoriteiten. Dat is gebeurd op basis van de Europese richtlijn 77/799/EEG, de wederzijdse bijstand-richtlijn. Dat is niet een exotische richtlijn, die slechts zelden wordt toegepast. Deze richtlijn kent 3 soorten van informatie-uitwisseling: in art. 2 de uitwisseling op verzoek, in art. 3 de automatische uitwisseling en in art. 4 de spontane uitwisseling. Nederland wisselt aldus met inmiddels 70 landen informatie uit. Nagenoeg alle inlichtingen worden spontaan of automatisch door of aan het buitenland verstrekt. (..)

De berekening van de grondslag van de navorderingsaanslagen is als volgt vastgesteld.

Bezit "Tafelpapieren" per 26-08-1992 DM 102.000

Jaar Basissaldi gemidd. rente Koers rente

DM rente % DM DM / NLG NLG

1992 102.000 7,82125 7.977 1,1259 8.981,30

1993 109.977 5,78125 6.358 1,1233 7.141,94

1994 116.334 3,6275 4.220 1,1214 4.732,31

1995 120.554 2,90625 3.503 1,1201 3.923,71

1996 124.057 2,5 3.101 1,1205 3.474,67

1997 127.158 2,68625 3.415 1,1254 3.843,24

1998 130.573 3,0675 4.005 1,1272 4.514,44

1999 134.578 2,4975 3.361 1,1267 3.786,84

2000 137.939 3,65 5.034 1.1267 5.671,81

De gemiddelde rentepercentages zijn overgenomen van de door een buitenlandse bank toegepaste rentepercentages over dezelfde periode bij termijn deposito's met een looptijd van 3 maanden. (..)"

2.11. Verweerder heeft, hangende de procedure bij deze rechtbank, op basis van artikel 7 van de EG-Richtlijn van 19 december 1997, nr. 77/799 aanvullende informatie gevraagd aan de Duitse autoriteiten met betrekking tot de rekeningen van eiser. Op 26 oktober 2005 is de gevraagde informatie ontvangen. Het betreft hier jaaropgaven uitbetaalde rente (bijlage 1 tot en met 8 bij de brief van verweerder met dagtekening 18 mei 2006 - die door de rechtbank is ontvangen op 17 mei 2006 -), afdrukken van microfiches met rekening-overzichten (bijlage 9 tot en met 18), saldo-overzichten vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 januari 2003 per einde jaar (bijlage 19) en een intern mutatie-overzicht van (het grootboek van) de bank (bijlage 20). Hieruit blijkt dat het volledige nummer van de rekening 7862.246.00 moet zijn: 300.87.862.246.00, en dat het jaar van opening van deze rekening is gelegen vóór of op 1 januari 1992. Tevens volgt hieruit dat eiser op 26 augustus 1992 de waardepapieren (Tafelpapiere) van de eerste rekening (met nummer 7872483) met een totale waarde van DM 102.000 heeft ingeleverd bij de D Bank, ten behoeve waarvan de rekening 300.87.862.246.00 is geopend. De waardepapieren geven recht op verschillende rentepercentages. Op basis van de verkregen informatie heeft verweerder alsnog de saldi op laatstgenoemde rekening per 1 januari 1992 tot en met 1 januari 2003 vastgesteld. Tevens is een overzicht opgesteld van de genoten revenuen op deze rekening over de jaren 1992 tot en met 2000.

3. Geschil

In geschil is de vraag of verweerder aan eiser terecht en tot het juiste bedrag de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen en bijbehorende boetes heeft opgelegd.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslagen en verhogingen. Hij voert daartoe aan dat verweerder misbruik heeft gemaakt van het bepaalde in artikel 47 AWR dan wel heeft gehandeld in strijd met de ratio van dat artikel, onrechtmatig verkregen bewijs heeft gebruikt bij het opleggen van de navorderingsaanslagen, de navorderingsaanslagen naar willekeur heeft vastgesteld en ten onrechte een verhoging van 100% in rekening heeft gebracht.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en handhaving van de navorderingsaanslagen en de opgelegde boetes.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ontvankelijkheid

4.1.1. Nu de bezwaarschriften door verweerder zijn ontvangen vóór de datum van dagtekening van de navorderingsaanslagen/boetebeschikkingen, dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder eiser terecht in zijn bezwaren ontvankelijk heeft verklaard.

4.1.2. Artikel 6:10 van de AWB bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een vóór het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijft indien het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat de thans in het geding zijnde aanslagen en beschikkingen op het moment van indiening van de bezwaarschriften reeds tot stand waren gekomen. Het is te doen gebruikelijk dat aanslagen worden verzonden vóór de datum van dagtekening daarvan, aldus verweerder.

4.1.3. Onder deze omstandigheden heeft verweerder eiser terecht in zijn bezwaren ontvankelijk verklaard.

4.2. Toepassing van artikel 47 AWR

4.2.1. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet bevoegd was om op grond van artikel 47 AWR informatie te vragen. Volgens eiser was hiervoor geen concrete aanwijzing, terwijl dit op basis van een uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage 14 juli 1981, BNB 1982/264 wel is vereist. In verweerders brief van 27 februari 2004, hiervoor onder 2.8 genoemd, is precies aangegeven over welke gegevens van welke rekeningen van welke bank verweerder beschikte, zodat eisers stelling dat niet duidelijk wordt waarop verweerder zijn verzoek om informatie baseert, feitelijke grondslag mist.

4.2.2. Eiser heeft verder gesteld dat de Duitse autoriteiten niet bevoegd waren om gegevens te verstrekken, zodat verweerder deze gegevens niet kan gebruiken als aanleiding om aan eiser informatie te vragen. Volgens eiser zijn de Duitse autoriteiten op grond van onder meer artikel 23 van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Duitsland en meer specifiek het slotprotocol bij dat artikel, onbevoegd informatie te verstrekken. Deze stelling van eiser treft geen doel omdat het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Duitsland en Nederland ondergeschikt is aan de Europese richtlijn van 19 december 1977, nr. 77/ 799 EEG. De Duitse autoriteiten waren op grond van deze richtlijn derhalve bevoegd om informatie te verstrekken.

4.2.3. Voor zover eiser meent dat hij niet aan zijn uit artikel 47 AWR voortvloeiende verplichtingen hoeft te voldoen zolang verweerder niet op zijn verzoek, als gedaan bij de hiervoor onder 2.6 genoemde brief van 3 november 2003, volledige openheid van zaken heeft gegeven, overweegt de rechtbank voor de volledigheid nog dat deze stelling geen steun vindt in het recht.

4.2.4. Van de zijde van eiser is ten slotte nog opgemerkt dat eiser geen bewaarplicht heeft en dat het de vraag is of een bank nog over de gegevens van de afgelopen twaalf jaar kan beschikken. Een en ander doet aan de verplichtingen van artikel 47 AWR niet af. De gevolgen van het eventueel niet bewaren van stukken komen voor rekening en risico van eiser. Overigens heeft eiser zich er niet op beroepen dat hij de gevraagde informatie niet (meer) zou hebben of kunnen verkrijgen.

4.2.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door gebruik te maken van zijn wettelijke bevoegdheid om op grond van artikel 47 AWR inlichtingen te vragen, niet heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

4.3. Omkering van de bewijslast

4.3.1. Op basis van de door de Duitse bevoegde autoriteiten verstrekte gegevens was er voldoende aanleiding om aan eiser nadere inlichtingen omtrent de rekeningen te vragen als door verweerder is gedaan. Eiser was, ingevolge het bepaalde in artikel 47 AWR, verplicht om de gevraagde gegevens te verstrekken. Uit de hiervoor onder 2. opgenomen feiten volgt dat eiser dit niet heeft gedaan. Op grond van artikel 27e, letter b, AWR dient de rechtbank het beroep ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.3.2. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat, wanneer een procedure kan leiden tot het opleggen van boetes, op basis van het fair-trial beginsel als vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de verplichting van artikel 47 AWR in zijn geheel komt te vervallen, overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.3. De plicht tot eerbiediging van het recht van de beschuldigde om te zwijgen en van diens recht om zichzelf niet te hoeven incrimineren geldt indien en voor zover er sprake is van een "criminal charge". In artikel 67j AWR is bepaald dat, indien de inspecteur jegens de belastingplichtige een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, de belastingplichtige niet langer verplicht is ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen voor zover het de boete-oplegging betreft. De rechtbank stelt voorop dat dit zwijgrecht is beperkt tot verklaringen van de belastingplichtige. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval eerst sprake is van een handeling als bedoeld in artikel 67j AWR vanaf het moment van ontvangst van de hiervoor onder 2.8 genoemde brief van verweerder van 27 februari 2004. Derhalve was eiser vanaf dat moment niet meer gehouden verklaringen af te leggen voor zover het de boeteoplegging betreft. Aan het bestaan van eisers algemene verplichting op grond van artikel 47 AWR doet dit niet af.

4.3.4. De stelling van eiser, dat uit de arresten van het Europese Hof van Justitie ( EHRM 25 februari 1993, BNB 1993/350, EHRM 3 mei 2001, BNB 2002/26) volgt dat hij niet verplicht was om informatie te verstrekken, berust op een onjuiste interpretatie van deze jurisprudentie. Ook deze stelling treft daarom geen doel.

4.3.5. Volgens eiser zijn de navorderingsaanslagen ten onrechte opgelegd omdat hij over de in geding zijnde jaren geen rekening(en) in het buitenland heeft aangehouden. De uit Duitsland ontvangen gegevens van de rekeninghouder, waarin naam, voornamen, naam en voornaam van de echtgenote en volledig adres duidelijk worden genoemd, leveren, gelegd naast de persoonlijke gegevens van eiser, zoveel overeenkomsten op, dat naar het oordeel van de rechtbank alleen daarmee al voldoende aannemelijk is dat eiser de desbetreffende rekeninghouder is. Eisers blote ontkenning doet hieraan niets af. Het mag er dus voor worden gehouden dat eiser (samen met zijn echtgenote) de houder van de genoemde rekeningen is.

4.4. Redelijke schatting

Ook al rust op eiser de last om te bewijzen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is, dit neemt niet weg dat verweerder een redelijke schatting moet maken van het verzwegen vermogen dan wel de verzwegen inkomsten daaruit. Verweerder heeft de wijze waarop de gemaakte schattingen tot stand zijn gekomen, op basis van de concrete, uit Duitsland afkomstige gegevens, in de uitspraak op bezwaar nader toegelicht, en overigens nog eens in het verweerschrift (punt 6.5 daarvan). De stelling van eiser, dat de aanslagen niet voldoende individueel zijn bepaald, wat daar overigens van zij, treft daarom geen doel. Verweerder heeft voorts aan de hand van de nadere in Duitsland opgevraagde stukken, als bedoeld onder 2.11, voldoende onderbouwd dat de gemaakte schatting eerder te laag dan te hoog is geweest. De schatting is derhalve alleszins redelijk. Van willekeur is geen sprake.

4.5. Boetes

4.5.1. Ten aanzien van de opgelegde boetes heeft eiser zich beroepen op bewijsuitsluiting en het verbod van zelfincriminatie, stellend dat dit laatste meebrengt dat op grond van artikel 47 AWR verstrekte gegevens en inlichtingen als bewijs voor strafvorderlijke doeleinden moeten worden uitgesloten.

4.5.2. Voor de bepleite bewijsuitsluiting zou aanleiding kunnen zijn indien er sprake zou zijn van gegevens die door verweerder of een derde op een jegens eiser onrechtmatig te achten wijze zijn verkregen. Dit is echter gesteld noch gebleken. Voorts zou hiervoor aanleiding kunnen zijn indien het gebruik door verweerder van de verkregen gegevens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou opleveren. Ook daarvan is de rechtbank niet gebleken.

4.5.3. Van de zijde van eiser is gesteld dat hij, waar het de op te leggen boetes betreft, niet gehouden is de op grond van artikel 47 AWR gevraagde inlichtingen te verstrekken, zodat deze inlichtingen niet ten grondslag gelegd mogen worden aan de opgelegde boetes.

Er is echter geen sprake geweest van door eiser verstrekte gegevens of inlichtingen, zodat eisers stelling op dit punt in deze zaak relevantie mist.

4.5.4. In de omstandigheden van dit geval acht de rechtbank de opgelegde boetes passend en geboden. Zij overweegt op dit punt nog nader dat naar haar oordeel uit de feiten volgt dat eiser willens en wetens en met het vooropgezette doel van belastingontduiking rekeningen in het buitenland heeft geopend - bij een vlak over de grens gelegen kantoor in Emmerich - en deze vele jaren voor verweerder heeft verzwegen. Veelzeggend acht zij in dit verband de vermelding "Kein Versand" op de door verweerder uit Duitsland ontvangen jaaropgaven. Van strafverminderende omstandigheden is de rechtbank niet gebleken, nu het hier een onderzoek betreft naar door eiser gedurende vele jaren verzwegen vermogens- en inkomensbestanddelen. Dit onderzoek is geheel afhankelijk geweest van uit het buitenland via de officiële kanalen te verkrijgen informatie, aangezien eiser geen medewerking heeft willen verlenen en niet aan zijn wettelijke inlichtingenplicht heeft voldaan.

4.6. Conclusie

Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van een reden om over te gaan tot vernietiging of vermindering van de in het geding zijnde navorderingsaanslagen en boetes, kunnen deze ongewijzigd in stand blijven. Het beroep is daarmee ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 september 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.L. Bruinsma, voorzitter mrs. A.P.M. van Rijn en J.M. van Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.