Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY8451

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
05/3753
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Telefonische inlichting van Belastingdienst aan eiser door eiser in brief vastgelegd. Geen in rechte te beschermen vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1881
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3753

Uitspraakdatum: 11 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigden: drs. B en mr. C te D,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. Aan eiser zijn voor de jaren 1992, 1993, 1994, 1995 en 1996 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met dagtekening 31 december 2004 opgelegd, berekend naar een te betalen bedrag aan IB/PVV van respectievelijk ƒ 5.286, ƒ 5.824, ƒ 4.665, ƒ 5.014 en ƒ 4.924. Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen zijn over deze jaren bij aparte beschikkingen boetes opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting.

1.1.2. Aan eiser zijn navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) 1996 en 1997 met dagtekening 31 december 2004 opgelegd, berekend naar een te betalen bedrag aan vermogensbelasting van respectievelijk ƒ 256 en ƒ 592. Tevens zijn voor deze jaren bij aparte beschikkingen met dezelfde dagtekening boetes van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd.

1.1.3. Aan eiser zijn voorts voor de jaren 1997, 1998, 1999 en 2000 navorderings-aanslagen in de IB/PVV met dagtekening 26 november 2004 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 142.987, ƒ 141.576, ƒ 168.865 en ƒ 156.052. Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen zijn over deze jaren bij aparte beschikkingen boetes opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting.

1.1.4. Aan eiser zijn voorts navorderingsaanslagen VB 1998, 1999 en 2000 met dagtekening 26 november 2004 opgelegd, berekend naar een vastgesteld vermogen van respectievelijk

ƒ 320.000, ƒ 354.000 en ƒ 520.170. Ter zake van deze aanslagen zijn geen boetes opgelegd.

1.2. Eiser heeft tegen alle genoemde aanslagen en boetebeschikkingen bij brief van 15 december 2004 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar, vervat in één geschrift van 23 juni 2005, de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1992 tot en met 2000 en de hierbij behorende boetebeschikkingen gehandhaafd, en de aanslagen VB 1996 tot en met 2000 verminderd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 22 juli 2005, ontvangen bij de rechtbank op 25 juli 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006 te Haarlem. Namens eiser is daar mr. C verschenen. Namens verweerder zijn E en mr. F verschenen. Ter zitting hebben partijen toestemming gegeven om, na het toezenden door eiser van een nadere specificatie van de gevorderde proceskosten en kennisname daarvan door verweerder met de mogelijkheid van reactie, verder onderzoek ter zitting achterwege te laten.

1.5. Bij brief van 2 mei 2006 heeft eiser voornoemde nadere stukken aan de rechtbank gezonden. Bij brief van 10 mei 2006 heeft verweerder laten weten ter zake niet van standpunt te zijn veranderd. Eiser heeft daarop bij brief van 18 mei 2006 gereageerd.

1.6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

2.1. Eiser heeft op 26 februari 2002 een telefoongesprek gevoerd met de heer G van de Belastingdienst Particulieren te Utrecht.

2.2. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft eiser een brief, gedagtekend 27 februari 2002, bij de belastingdienst afgegeven. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Geachte heer G,

In het gesprek van gisteren is overlegd dat wij alsnog een opgave zouden doen van de rente inkomsten van een buitenlandse rekening. Met u is toen overlegd (na navraag van uw kant) dat de rente inkomsten over de laatste 5 jaar als nog in de aangifte zou worden opgenomen. […]

Via deze weg wil ik graag alsnog aangifte doen over de rente inkomsten.

Ontvangen rente 1997 fl. 17762,50

Ontvangen rente 1998 fl. 18962,50

Ontvangen rente 1999 fl. 18962,50

Ontvangen rente 2000 fl. 20050,50

Ontvangen rente 2001 fl. (20050,50 minus 3/12 deel =) fl. 15.037,50”

2.3. Naar aanleiding van bovengenoemde brief verzoekt verweerder, bij brief van 7 mei 2002, om nadere inlichtingen met betrekking tot de buitenlandse bankrekening en geeft aan dat de navorderingstermijn voor inkomsten uit het buitenland 12 jaar bedraagt.

2.4. Eiser reageert hierop bij brief van 13 mei 2002 en schrijft hierin - voor zover hier van belang - het volgende:

"[...] In het eerdere gesprek was aangegeven dat indien wij:

"Als nog aangifte zouden doen van de rente inkomsten over de laatste vijf jaar, alleen over deze termijn van vijf jaar de rente inkomsten als nog in de aangifte zouden worden opgenomen." Indien wij dit netjes in een brief zouden zetten "zou alles in orde komen".

Wij zijn dan ook afgegaan op het door de belastingdienst gewekte vertrouwen en dat de zaak zal worden afgewikkeld zoals door uw collega reeds was voorgesteld. […]"

2.5. Op 14 mei 2002 volgt een gesprek tussen eiser en de heer I van de Belastingdienst Utrecht. Door I is toen aangegeven dat hij de door eiser gestelde toegezegde beperking van de navordering tot een termijn van 5 jaar zou honoreren indien G zich kon herinneren dat hij dit zou hebben toegezegd. Bij brief van 18 juli 2002 schrijft I, onder meer en voor zover van belang, eiser naar aanleiding van een en ander het volgende:

“Naar aanleiding van uw vrijwillige verbetering van uw aangiften inkomstenbelasting wil ik u het volgende meedelen. [...] Ten eerste is mij niet gebleken dat de Belastingdienst onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. De betrokken medewerker kan zich het telefoongesprek van 26 februari niet herinneren. Het is niet duidelijk op welke vragen antwoorden zijn gegeven en of uw brief van 27 februari een juiste weergave van het gesprek is.”

2.6. Vervolgens ontstaat een (uitgebreide) briefwisseling aangaande de vraag of er sprake is van gewekt vertrouwen, vrijwillige verbetering en of er een boete over de nagevorderde belasting kan worden opgelegd. Verweerder tracht daarbij te komen tot een vaststellings-overeenkomst, maar eiser gaat met dat voorstel niet akkoord.

3. Geschil

Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat de boetebeschikkingen niet worden gehandhaafd. Derhalve is tussen partijen in de hoofdzaak uitsluitend nog in geschil de vraag of er sprake is van door verweerder in rechte te beschermen gewekt vertrouwen op grond waarvan navordering van IB/PVV over de jaren vóór 1997 en VB 1996 achterwege moet blijven.

Niet in geschil is de cijfermatige uitwerking van de navorderingsaanslagen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 16 december 2004, terwijl hij daarmee tevens bezwaar maakte tegen de aanslagen en beschikkingen onder 1.1.1 en 1.1.2 genoemd, welke zijn gedagtekend op 31 december 2004. Het bezwaar is in zoverre prematuur ingediend.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:10 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege ten aanzien van een prematuur ingediend bezwaarschrift als het besluit waartegen dit was gericht reeds tot stand was gekomen dan wel de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was.

De in genoemd artikel bedoelde uitzondering doet zich hier voor, nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat de desbetreffende beslissingen op 16 december 2004 op papier vastlagen, maar de aanslagen nog niet waren vervaardigd.

Dientengevolge is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser terecht ook in zijn bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen met dagtekening 31 december 2004 ontvankelijk heeft verklaard.

4.2. Ten aanzien van de stelling van eiser dat sprake is van in rechte te beschermen vertrouwen ten aanzien van de termijn waarover kan worden nagevorderd vanwege uitlatingen door de belastingdienst stelt de rechtbank voorop dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen het verstrekken van inlichtingen en het doen van toezeggingen en dat voor beide uitlatingen andere criteria gelden voordat er sprake kan zijn van in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen.

De fiscus kan (overeenkomstig het bepaalde in de uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 1979, BNB 1979/311) niet gebonden worden geacht aan alle zijnerzijds gedane uitlatingen, waardoor bij een belastingplichtige verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn.

Met name indien sprake is van reacties op een verzoek van een belastingplichtige om inlich-tingen aangaande de inhoud van wettelijke, dan wel andere door de fiscus in acht te nemen algemene regels, noopt het belang dat belastingplichtigen erbij hebben dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, ertoe, te aanvaarden dat het risico van een onjuiste inlichting in de regel voor rekening van de betrokken belastingplichtige blijft.

Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven van deze regel af te wijken en de fiscus aan dergelijke inlichtingen wel gebonden te achten, maar daartoe zal ten minste vereist zijn, vooreerst dat die inlichtingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en voorts dat hij, afgaande op die onjuiste inlichtingen, een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade lijdt.

Er is sprake van een toezegging wanneer het gaat om uitlatingen van de zijde van de fiscus, waaraan een belastingplichtige het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van het betreffende geval, aan vorenbedoelde regels, zo omtrent de toepasselijkheid of de toepassing daarvan vragen zijn gerezen, in zijn geval een bepaalde toepassing zal geven. In het geval van een toezegging zal, bij een afweging als voormeld, aan het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur, doorslaggevende betekenis moeten worden toegekend. Daarbij moet wel het voorbehoud worden gemaakt dat de door de belasting-plichtige aan de fiscus verschafte, voor diens toezegging relevante gegevens juist zijn, en dat de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen.

De toezeggingen zullen veelal voor de belastingplichtige van zodanig gewicht zijn dat in de regel verwacht mag worden dat hij deze zijnerzijds schriftelijk aan de inspectie zal bevestigen dan wel een schriftelijke bevestiging van de inspectie zal vragen.

Het gaat echter te ver om te oordelen dat een belastingplichtige zich op dergelijke toezeggingen uitsluitend zou mogen beroepen indien deze hetzij van zijn zijde, hetzij van de zijde van de inspectie schriftelijk zijn bevestigd.

4.3. Anders dan verweerder meent, is de rechtbank van oordeel dat de mededeling die de belastingdienst zou hebben gedaan, zoals eiser die verwoordt, meer is dan een algemene inlichting. Eiser heeft naar zijn zeggen de in het telefoongesprek van 26 februari 2002 door G gedane uitlatingen, door eiser uitgelegd als toezegging, de volgende dag in de brief zoals weergegeven onder 2.2 bevestigd.

Verweerder betwist thans de inhoud van de brief – zakelijk weergegeven – als volgt. Het is onvoorstelbaar dat een medewerker van de klantendienst een toezegging doet. Dat is namelijk niet toegestaan. Voorts hingen er destijds over de hele afdeling van de klantendienst plakkaten waarop aangegeven werd dat, als het buitenlandse bankrekeningen betrof, er contact moest worden opgenomen met één van de drie hiervoor aangewezen belastingmedewerkers. G heeft geen ruggespraak gehouden met één van deze drie medewerkers. Verder is het gebruikelijk dat een toezegging wordt vastgelegd, terwijl dat hier niet heeft plaatsgevonden, aldus verweerder.

4.4. Uit de reactie van I op eisers stelling en diens uitlatingen op dat punt, als weergegeven onder 2.5, leidt de rechtbank af dat ook verweerder het niet bij voorbaat uitgesloten acht dat, in weerwil van de instructies ter zake, medewerkers van de klantendienst wel degelijk toezeggingen doen of hebben gedaan. Niet gezegd kan dus worden dat alleen al op basis van dit argument van verweerder eisers stelling niet aannemelijk zou moeten worden geacht. Hoewel eiser heeft gesteld dat de inhoud van de brief van 27 februari 2002 een goede weerspiegeling van het desbetreffende gesprek met G is, constateert de rechtbank echter dat in die brief de door eiser gestelde toezegging niet met zoveel woorden is te lezen.

4.5. Daarnaast is dan nog aan de orde de vraag of, indien de gestelde toezegging wel uit die brief zou zijn af te leiden, gelezen eventueel in combinatie met de op dat punt veel duidelijker doch aanzienlijk latere brief van eiser van 13 mei 2002, als hiervoor onder 2.4 weergegeven, verweerder voor hij die toezegging deed, kennis heeft kunnen nemen van alle daartoe vereiste bijzonderheden van de onderhavige casus.

Uit de brief van 27 februari 2002 wordt, onder meer, niet duidelijk of eiser heeft vermeld dat hij van 1991 tot 1997 zijn buitenlandse rente inkomsten niet had aangegeven.

Verweerder kent de inhoud van het onderhavige telefoongesprek niet en kan dus op dit punt geen opheldering geven. Nu eiser niet ter zitting is verschenen om duidelijkheid te verschaffen over wat er tijdens het bewuste telefoongesprek precies is besproken, acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat de belastingdienst van alle relevante, voor de juiste belastingheffing vereiste, gegevens heeft kunnen kennisnemen en op basis daarvan de gestelde toezegging heeft gedaan.

4.6. Eiser voert tevens aan dat er ook door het niet, dan wel te laat, reageren op de inhoud van de bevestigingsbrief van het telefoongesprek, in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt. In het algemeen kan het niet reageren op een brief die als gespreksbevestiging dient, de verwachting wekken dat de wederpartij instemt met de inhoud van die brief.

In de bevestigingsbrief wordt echter, als hiervoor al overwogen, niet expliciet vermeld dat gezegd zou zijn dat verweerder geen IB/PVV of VB zou navorderen over de jaren 1991 tot 1997. Dientengevolge kan aan het niet direct reageren door verweerder op deze bevestigingsbrief niet het vertrouwen ontleend worden dat verweerder dit zou nalaten.

4.7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij eiser geen in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat verweerder slechts IB/PVV en VB zou navorderen vanaf 1997. Nu ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat verweerder niet zou mogen navorderen als hij heeft gedaan, kunnen de navorderingsaanslagen in stand blijven.

Voor zover het beroep zich richt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB, is het dan ook ongegrond.

4.8. Het beroep zal voor wat de boetebeschikkingen betreft, gelet op verweerders gewijzigde standpunt in deze als hiervoor weergegeven, gegrond worden verklaard. De vraag of er al dan niet sprake is geweest van vrijwillige verbetering behoeft in dit bestek daarom geen bespreking.

5. Proceskosten

5.1. Tot slot verzoekt eiser om, vanwege bijzondere omstandigheden, af te wijken van het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) opgenomen tarief en de gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep bij de rechtbank, integraal te vergoeden. Hij stelt deze kosten op respectievelijk € 8.238,38 en € 6.410,84.

Ter motivering van de bijzondere omstandigheden voert eiser aan dat verweerder, door terug te komen op zijn oorspronkelijke standpunt dat er sprake was van vrijwillige verbetering, de discussie heeft bezwaard, hetgeen de kosten fors heeft doen toenemen. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden door eiser te chanteren door te dreigen met het opleggen van een boete als eiser de vaststellingsovereenkomst niet zou accepteren. Daarmee heeft verweerder zich schuldig gemaakt aan détournement de pouvoir, aldus eiser.

5.2. Verweerder bestrijdt de opvattingen van eiser. Hij stelt zich op het standpunt dat de procedure normaal is verlopen. Er is weliswaar uitvoerig gecorrespondeerd maar van bijzondere omstandigheden zou geen sprake zijn.

Zijns inziens ging het in de onderhavige procedure om een zakelijke discussie waarbij verweerder tot een vaststellingsovereenkomst wilde komen. Er was geen sprake van chantage, aldus verweerder.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat het verweerder in beginsel vrij staat om in het kader van een discussie in de aanloop naar een primaire beslissing terug te komen op een eerder ingenomen standpunt. Dit zou anders kunnen zijn, als verweerder daardoor zou handelen in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Dat is in dit geval niet aannemelijk geworden. Het is niet ongebruikelijk dat tijdens onderhandelingen om te komen tot een compromis door partijen over en weer enige druk wordt uitgeoefend. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat verweerder een zodanige druk op eiser zou hebben uitgeoefend dat er sprake is van chantage, al dan niet aan te merken als détournement de pouvoir, of dat dit zou zijn aan te merken als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het eerste lid van dat artikel, waarin is bepaald dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bij de uitspraak op het bezwaar of in beroep, worden vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen forfaitaire tarief.

5.4. Gelet op de aard en de inhoud van het geschil stelt de rechtbank, met toepassing van het Besluit en de bijlage, de vergoeding vast op 2 (beroepschrift en verschijnen zitting) x 1 (wegingsfactor) x € 322 is € 644.

5.5. Voor toekenning van een aanvullende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is geen plaats meer, nu uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat verweerder eiser al een vergoeding heeft toegekend naar het geldende forfaitaire tarief van € 161.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover het de boetebeschikkingen betreft, en de daarbij gehandhaafde boetebeschikkingen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een beloop van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die dit bedrag aan eiser dient te vergoeden; en

- gelast dat de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht van € 37 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mrs. J.M. van Kempen, J.L. Bruinsma en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. C.J.W.M. Janssen, griffier. Bij ontstentenis van de voorzitter is deze uitspraak door de oudste rechter mede ondertekend.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- - beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

-

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.