Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY8439

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
317472/ VV EXPL 06-183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Eiseres vordert in kort geding ontruiming van de door gedaagde gehuurde woning in verband met door gedaagde veroorzaakte overlast. De kantonrechter is van oordeel dat thans geen sprake is van een spoedeisende situatie die de voorlopige maatregel van ontruiming rechtvaardigt, nu gesteld noch gebleken is dat gedaagde de laatste twee maanden overlast heeft veroorzaakt. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 317472/ VV EXPL 06-183

datum uitspraak: 6 september 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

STICHTING WOONMAATSCHAPPIJ HAARLEMMERMEER

te Hoofddorp

eisende partij

hierna te noemen Woonmaatschappij

gemachtigde mr. H.M. Hielkema

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. E.G. Al

De procedure

Woonmaatschappij heeft [gedaagde] op 26 juli 2006 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2006, waarbij de gemachtigde van [gedaagde] zich heeft bediend van pleitnotities. Ter zitting zijn aan de zijde van Woonmaatschappij een tweetal informanten gehoord. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen ter zitting is verhandeld. [gedaagde] heeft bij faxberichten van 30 augustus en 1 september 2006 na de zitting nog een drietal producties in het geding gebracht.

De feiten

1. [gedaagde] huurt vanaf 18 november 1998 van Woonmaatschappij de woning gelegen aan de [adres].

2. [gedaagde] woonde aanvankelijk samen met haar zoon en dochter in de woning. Thans is alleen haar dochter nog bij haar woonachtig. Ook heeft een vriend van [gedaagde] gedurende enige tijd veelvuldig in de woning van [gedaagde] verbleven.

3. Vanaf december 2004 heeft Woonmaatschappij van direct omwonenden van [gedaagde] klachten ontvangen over (geluids)overlast in en buiten de woning van [gedaagde], zowel overdag als ’s nachts. De klachten betreffen schreeuwen, ruziën, zwaar bonken, slaan met of trappen tegen deuren, klepperen met de brievenbuis, gooien met spullen, draaien van luide muziek, dealen van drugs en ontvangen van luidruchtig bezoek.

4. Blijkens een overzicht van de Politie Kennemerland, Basisteam Nieuw-Vennep, van 10 juli 2006 zijn in de periode 4 januari 2005 tot en met 3 juli 2006 22 meldingen van overlast in/bij de woning van [gedaagde] rond het middernachtelijk uur binnengekomen.

5. Uit een rapportage van de GGD Amstelland-de Meerlanden (hierna: de GGD) van 27 juli 2005 blijkt dat de GGD op 18 november 2004, 26 november 2004, 2 december 2004, 9 december 2004, 21 december 2004, 12 januari 2005, 7 februari 2005, 2 maart 2005, 24 mei 2004 en 6 juli 2005 huisbezoeken aan [gedaagde] heeft afgelegd.

6. De conclusie van voornoemd rapport luidt onder meer als volgt:

“Ondanks een uitgebreid hulpverleningsaanbod is de overlast niet afgenomen.

[…] Verdere inzet op hulpverleningsgebied heeft geen meerwaarde.”

7. Woonmaatschappij heeft [gedaagde] bij brieven van 10 januari 2005, 9 september 2005, 13 december 2005 en 28 maart 2006 gesommeerd de overlast te staken, de laatste twee maal onder aanzegging van rechtsmaatregelen.

De vordering

Woonmaatschappij vordert bij wijze van voorlopige voorziening (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van de woning aan de [adres]. Woonmaatschappij stelt daartoe het volgende.

[gedaagde] veroorzaakt al jarenlang ernstige overlast. De omwonenden van [gedaagde] ondervinden daarvan ernstige gevolgen. Zij hebben te lijden onder gevoelens van onveiligheid, angst, onzekerheid en radeloosheid. Velen van hen worden door toedoen van [gedaagde] gestoord in hun nachtrust.

[gedaagde] schiet toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichting als huurster zich te onthouden van gedragingen die overlast kunnen veroorzaken. Het ingrijpen van politie en hulpverlenende instanties heeft niet mogen baten. Ondanks diverse verzoeken en sommaties van Woonmaatschappij volhardt [gedaagde] in de overlast veroorzakende gedragingen. De situatie is onhoudbaar geworden. Dit rechtvaardigt de onmiddellijke ontruiming van de woning.

Woonmaatschappij heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, nu zij contractueel gehouden is de omwonenden van [gedaagde], die haar huurders zijn, te vrijwaren van overlast.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.

Het is juist dat tot voor kort sprake is geweest van situaties die overlast hebben veroorzaakt. De aanwezigheid in huis van de twee jongvolwassen kinderen van [gedaagde] bracht veel aanloop van vrienden mee. Daarbij heeft ook de problematische relatie die [gedaagde] had met haar vriend, voor veel stress en ruzies gezorgd, waarvan de buren ongetwijfeld last hebben ondervonden.

De toestand is inmiddels echter gestabiliseerd. De zoon van [gedaagde] woont thans bij zijn vader en de relatie met de vriend is verbroken. Hij heeft het huis begin juli 2006 definitief verlaten. Sedertdien heeft [gedaagde] geen overlast meer veroorzaakt. Van een spoedeisende situatie is derhalve geen sprake.

De beoordeling van het geschil

De kantonrechter zal geen acht slaan op de door [gedaagde] bij faxberichten van 30 augustus en 1 september 2006 in het geding gebrachte stukken, nu het spoedeisend karakter van de onderhavige procedure eraan in de weg staat dat de zaak wordt aangehouden om Woonmaatschappij in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

Vooropgesteld dient te worden dat voor toewijzing van de vordering van Woonmaatschappij alleen dan aanleiding is, indien op grond van de thans gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de beslissing van de rechter in een bodemprocedure gelijkluidend zal zijn.

Niet in geschil is dat [gedaagde] en/of personen die zich in de woning van [gedaagde] hebben bevonden, vanaf december 2004 zodanige overlast hebben veroorzaakt, dat de direct omwonenden van [gedaagde] daar ernstig onder te lijden hebben gehad.

Ook staat vast dat de GGD in juli 2005 geen mogelijkheid meer zag om de situatie ten goede te keren. Er was destijds dan ook ongetwijfeld sprake van een situatie die een ingrijpende maatregel, zoals wellicht de onmiddellijke ontruiming van de woning, zou hebben gerechtvaardigd.

Sedertdien is echter een jaar verstreken waarin Woonmaatschappij geen andere acties heeft ondernomen dat het zenden van enkele sommatiebrieven aan [gedaagde].

Eerst nu, een jaar na dato, heeft Woonmaatschappij uiteindelijk besloten [gedaagde] in rechte te betrekken door middel van de onderhavige procedure. Dat Woonmaatschappij zwaarwegende redenen had om zo lang te wachten is niet gebleken. Het “completeren van het dossier”, zoals Woonmaatschappij ter zitting heeft verklaard, kan in ieder geval niet als een zodanige reden worden beschouwd.

De spoedeisendheid van het belang dat Woonmaatschappij stelt te hebben bij haar vordering, komt daarmee op losse schroeven te staan. Dat klemt te meer, nu gesteld noch gebleken is dat zich na de laatste melding bij de politie overlastsituaties hebben voorgedaan zoals daarvoor.

Daar komt nog bij dat een relatief groot deel van de meldingen aan de politie van [gedaagde] zelf afkomstig was. Weliswaar is zij als huurster verantwoordelijk voor de personen die zij in huis haalt, maar het geeft aan dat ook zij inzag dat de situatie haar boven het hoofd ddreigde te groeien. Aan deze relatieproblemen lijkt inmiddels een einde te zijn gekomen.

Dit leidt tot de slotsom dat naar het oordeel van de kantonrechter thans geen sprake is van een zodanig spoedeisende situatie, dat deze de voorlopige maatregel van ontruiming van de woning rechtvaardigt. De vordering zal derhalve worden geweigerd.

Er is aanleiding om de kosten van de procedure te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

- weigert de gevorderde voorlopige voorziening;

-belast iedere partij met de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Valk en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.