Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY8316

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
18-09-2006
Zaaknummer
15/635176-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enige maanden samen met zijn zwager en buurman vanuit hun woningen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en in mindere mate heroïne. Cocaïne en heroïne zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De handel in cocaïne en heroïne gaat gepaard met overlast en criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor de gebruikers puur uit winstbejag gehandeld. De rechtbank rekent hem aan dat hij bij de handel in verdovende middelen misbruik heeft gemaakt van zijn verslaafde buurman die hem een dienst aanbood, namelijk het aanleveren van klanten. Zie ook LJN: AY8315.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/635176-06

Uitspraakdatum: 1 september 2006

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Flevoland, HvB Lelystad, Lelystad.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 10 mei 2006 te IJmuiden, gemeente Velsen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde heroïne en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 10 mei 2006 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie

6.1 Eis van de officier van justitie

Door de officier van justitie is – zakelijk weergegeven – gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaar.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte voorlichtingsrapport van 27 juli 2006 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enige maanden samen met zijn zwager en buurman vanuit hun woningen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en in mindere mate heroïne. Cocaïne en heroïne zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De handel in cocaïne en heroïne gaat gepaard met overlast en criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor de gebruikers puur uit winstbejag gehandeld. De rechtbank rekent hem aan dat hij bij de handel in verdovende middelen misbruik heeft gemaakt van zijn verslaafde buurman die hem een dienst aanbood, namelijk het aanleveren van klanten.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank een kortere periode bewezen acht dan de officier en zij het aandeel van verdachte heeft beoordeeld in relatie tot het aandeel van zijn medeverdachten bij de handel in harddrugs. De rechtbank acht het aandeel van medeverdachte [medeverdachte 1] geringer en het aandeel van medeverdachte [medeverdachte 2] groter. Gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte behoeft een gedeelte van de op te leggen straf vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd. Daarnaast strekt de voorwaardelijke straf ertoe verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten en met name soortgelijke strafbare feiten te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 47, 57 Wetboek van Strafrecht.

2, 10 Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vijf (5) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Janse van Mantgem, voorzitter,

mrs. Robert en Burg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Vledder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2006.