Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY8315

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
18-09-2006
Zaaknummer
15/630387-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat ten aanzien van verdachte slechts sprake is van medeplichtigheid bij de handel in cocaïne. Er is namelijk geen sprake van een gelijkwaardige verhouding tussen verdachte en zijn medeverdachten. Ook deelde verdachte niet in de winst van de verkoop. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Er was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een al dan niet uitdrukkelijk afgesproken gang van zaken tussen verdachten en zijn medeverdachten (buren), gericht op het gezamenlijk nastreven van de verkoop van harddrugs. Uit zich in het dossier bevindende verklaringen van gebruikers blijkt dat zij onder meer de harddrugs van de buren van verdachte betrokken door geld te geven aan verdachte, die dan vervolgens aan de achterzijde van zijn woning aan de medeverdachten dit geld gaf en in ruil daarvoor van één van de medeverdachten harddrugs ontving, welke hij op zijn beurt weer aan de gebruikers gaf, die door verdachte in de gelegenheid werden gesteld in zijn woning de harddrugs te gebruiken. Deze gang van zaken was voor de bezoekers volstrekt duidelijk, zo blijkt uit verklaringen van gebruikers. Verdachte kreeg als beloning voor het aanleveren van klanten zo nu en dan zelf (een bolletje) cocaïne van zowel de medeverdachten als de gebruikers. De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake was van gelijkwaardigheid in de verhouding tussen verdachte en zijn medeverdachten, ook al was ieders rol anders georganiseerd. Verdachte faciliteerde de verkoop en leverde afnemers aan, zijn medeverdachten verstrekten de harddrugs. Onder voornoemde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, dat verdachte als medepleger van de handel in verdovende middelen moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630387-06

Uitspraakdatum: 1 september 2006

Tegenspraak (op voet van artikel 279 Sv)

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Flevoland - HvB Almere Binnen.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

PRIMAIR:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 10 mei 2006 te IJmuiden, gemeente Velsen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde heroïne en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

SUBSIDIAIR:

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 10 mei 2006 te IJmuiden, gemeente Velsen, (telkens) opzettelijk hebben/heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde heroïne en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij het plegen van welk(e) misdrij(f)(ven) verdachte en/of [medeverdachte 1] in de periode van 1 november 2005 tot en met 10 mei 2006 te IJmuiden, gemeente Velsen (telkens) opzettelijk behulpzaam zijn/is geweest door (telkens)

- hun/zijn, woning ter beschikking te stellen aan een of meer perso(o)n(en) en/of

- (vervolgens) voor die perso(o)n(en) heroïne en/of cocaine te kopen bij die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of

- die perso(o)n(en) in de gelegenheid te stellen die heroïne en/of cocaïne in de achtertuin van hun/zijn woning te kopen van die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of

- die perso(o)n(en) in de gelegenheid te stellen die heroïne en/of cocaine in hun/zijn woning te gebruiken.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bespreking van het verweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat ten aanzien van verdachte slechts sprake is van medeplichtigheid bij de handel in cocaïne. Er is namelijk geen sprake van een gelijkwaardige verhouding tussen verdachte en zijn medeverdachten. Ook deelde verdachte niet in de winst van de verkoop.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Er was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een al dan niet uitdrukkelijk afgesproken gang van zaken tussen verdachten en zijn medeverdachten (buren), gericht op het gezamenlijk nastreven van de verkoop van harddrugs. Uit zich in het dossier bevindende verklaringen van gebruikers blijkt dat zij onder meer de harddrugs van de buren van verdachte betrokken door geld te geven aan verdachte, die dan vervolgens aan de achterzijde van zijn woning aan de medeverdachten dit geld gaf en in ruil daarvoor van één van de medeverdachten harddrugs ontving, welke hij op zijn beurt weer aan de gebruikers gaf, die door verdachte in de gelegenheid werden gesteld in zijn woning de harddrugs te gebruiken.

Deze gang van zaken was voor de bezoekers volstrekt duidelijk, zo blijkt uit verklaringen van gebruikers. Verdachte kreeg als beloning voor het aanleveren van klanten zo nu en dan zelf (een bolletje) cocaïne van zowel de medeverdachten als de gebruikers.

De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake was van gelijkwaardigheid in de verhouding tussen verdachte en zijn medeverdachten, ook al was ieders rol anders georganiseerd. Verdachte faciliteerde de verkoop en leverde afnemers aan, zijn medeverdachten verstrekten de harddrugs.

Onder voornoemde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, dat verdachte als medepleger van de handel in verdovende middelen moet worden aangemerkt.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

PRIMAIR:

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2005 tot en met 10 mei 2006 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen , telkens opzettelijk heeft verkocht en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde primair levert op:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie

6.1 Eis van de officier van justitie

Door de officier van justitie is – zakelijk weergegeven – gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van voorarrest.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting de rechtbank is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Nu verdachte gedurende een periode van enige maanden zijn woning ter beschikking stelde aan drugsgebruikers en daaraan voorafgaand de verkoop van harddrugs faciliteerde, waarvoor hij werd beloond met gratis (bolletjes) cocaïne, heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van een harddrugs circuit. Cocaïne en heroïne zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. Daarnaast gaat de handel in cocaïne en heroïne gepaard met criminaliteit, waaronder ook de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft gehandeld puur ter bevrediging van zijn eigen verslaving.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zelf gebruiker van harddrugs was en zodoende makkelijk over te halen was tot het medeplegen van deze handel. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, passend en geboden.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57 Wetboek van Strafrecht

2, 10 Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Janse van Mantgem, voorzitter,

mrs. Robert en Burg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Vledder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2006.