Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY8306

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
05-972 en 05-1618
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen omkering van de bewijslast. Eiseres had een vervangingsvoornemen als bedoeld in artikel 14 Wet IB 1964. Rentekosten zijn aftekbaar, omdat de lening onder zakelijke voorwaarden is verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1857 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/972; 05/1618

Uitspraakdatum: 6 september 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X N.V., gevestigd te Y,

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 31 december 2003 heeft verweerder aan eiseres een aanslag vennootschapsbelasting 2000 opgelegd, berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van ƒ 33.000.000 (verder de aanslag).

1.2. Bij schrijven van 29 januari 2004, aangevuld bij schrijven van 29 april 2004, heeft eiseres bezwaar tegen de aanslag gemaakt.

1.3. Op 26 januari 2005 heeft de voorzieningenrechter van het Gerechtshof te Amsterdam op verzoek van eiseres bij wijze van voorlopige voorziening gelast dat verweerder binnen veertien dagen uitspraak doet op het bezwaar tegen de aanslag.

1.4. Verweerder heeft de aanslag bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2005 verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van ƒ 28.571.383 en, na verrekening van een verlies van ƒ 1.180.858 (verder de verliesverrekeningsbeschikking), naar een belastbaar bedrag van ƒ 27.390.525. Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 maart 2005 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder nummer 05/972.

1.5. Eiseres heeft vervolgens een op 9 april 2005 gedagtekend stuk van verweerder ontvangen, waarin de belastbare winst en het belastbare bedrag over 2000 wederom zijn gesteld op ƒ 28.571.383 en ƒ 27.390.525 en het bedrag van het verrekende verlies bij voor bezwaar vatbare beschikking (de rechtbank begrijpt: bij voor beroep vatbare beschikking) op ƒ 1.180.858. Tegelijkertijd is het resterende compensabele verlies op vastgesteld op ƒ 8.253.108. Bij schrijven van 27 april 2005 heeft eiseres ook hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder nummer 05/1618.

1.6. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.7. Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.8. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2006 te Haarlem. Eiseres heeft zich daar laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, tot bijstand vergezeld van mr. B, C en drs. H. Namens verweerder verscheen mr. S, tot bijstand vergezeld van K RA.

1.10. Verweerder heeft voorafgaande aan de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij een pleitnota toegezonden. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overlegd aan de rechtbank en aan verweerder. Beide pleitnota’s worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inhoud van genoemde pleitnota’s moet hier als ingelast worden beschouwd.

2. Feiten

2.1. Eiseres is opgericht bij akte van 16 maart 1989. Volgens de in het handelsregister vermeldde bedrijfsomschrijving is eiseres een houdster- en financieringsmaatschappij die zich bezig houdt met de handel e.d. in onroerende zaken, met het verwerven, restaureren en in stand houden van monumenten, alsmede met management en advisering. Eiseres is als moedermaatschappij verenigd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met een zevental dochtermaatschappijen. Enkele van deze dochtermaatschappijen waren zogenoemde monumentenvennootschappen die het beheer en de instandhouding van monumenten ten doel hadden.

2.2. Bij de aanvang van het jaar 2000 was 75% van het nominaal geplaatst aandelenkapitaal in eiseres in handen van S. N.V. en werd de overige 25% gehouden door M. N.V.. Aan het einde van het jaar 2000 hield M. N.V. alle aandelen in eiseres.

2.3. Op 4 februari 2002 heeft eiseres aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2000. Het aangiftebiljet vermeldt een belastbare winst van ƒ 6.498.535 en (na verrekening van verliezen tot een bedrag van ƒ 6.479.609) een belastbaar bedrag van ƒ18.926. Volgens de aangifte resteert na evenbedoelde verliesverrekening een bedrag aan verrekenbare verliezen van ƒ 277.284.

2.4. Verweerder heeft op 26 april 2002 een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de door eiseres ingediende aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 1998 tot en met 2000. Dit onderzoek is aangevangen op 2 juni 2002 en was ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige beroep nog niet afgerond. Als bijlage bij het verweerschrift is een ongedateerde conceptversie gevoegd van het naar aanleiding van het boekenonderzoek opgemaakte rapport. Bij schrijven van 23 december 2003 heeft verweerder de toenmalig gemachtigde van eiseres meegedeeld dat de aanslag vennootschapsbelasting 2000 van eiseres ‘ter behoud van rechten’ als volgt zou worden vastgesteld:

Aangegegen belastbare winst ƒ 6.498.535

Bij: vrijval vervangingsreserve 20.010.871

Bij: geen verliescompensatie 6.479.609

Bij: afronding 10.985 +

Gecorrigeerd belastbaar bedrag ƒ 33.000.000

2.5. De aanslag, gedagtekend op 31 december 2003 en als aangekondigd vastgesteld naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van ƒ 33.000.000, is bezorgd op het adres van belastingadviseur B. te Amsterdam. Een medewerker van dit kantoor trad toentertijd op als gemachtigde van eiseres.

2.6. Bij uitspraak op bezwaar is gedeeltelijk aan de klachten van eiseres tegemoetgekomen en is het belastbaar bedrag als volgt vastgesteld:

Aangegegen belastbare winst ƒ 6.498.535

Bij: vrijval vervangingsreserve 20.010.871

Bij: correctie rentekosten 2.080.903 +

Gecorrigeerde belastbare winst ƒ 28.571.383

Af: verliescompensatie 1.180.858 -/-

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 27.390.525

Vervangingsreserve

2.7. In het jaar 2000 heeft eiseres de in het onderstaande overzicht genoemde panden vervreemd. De hierna te noemen bedragen luiden in guldens.

A-gracht 261 a1 A-gracht 261 a2 V-gracht 45

datum verkrijging voor 1996 27-09-2000 31-01-1995

aankoopprijs 166.504 700.000 265.290

kosten verbouwingen 85.271 - 33.811

datum verkoop 27-09-2000 21-12-2000 23-03-2000

fiscale boekw. bij verkoop 116.788 700.000 130.553

verkoopprijs 700.000 740.000 789.400

fiscale boekwinst 583.212 40.000 658.847

B-gracht 288-300 A-gracht 254 K-gracht 119-121

datum verkrijging 10-01-1996 17-07-1996 11-05-1998

aankoopprijs 850.280 1.986.250 5.100.000

kosten verbouwingen 419.886 133.771 -

datum verkoop 27-09-2000 27-09-2000 27-09-2000

boekwaarde bij verkoop 537.716 804.141 4.876.864

verkoopprijs 1.925.000 6.500.000 12.500.000

boekwinst 1.387.284 5.695.859 7.623.136

A-gracht 54 W-straat 1-3 P-gracht 659-661

datum verkrijging 18-11-1998 23-12-1998 12-01-1999

aankoopprijs 4.600.000 560.487 3.912.596

kosten verbouwingen - 310.651 -

datum verkoop 27-09-2000 27-09-2000 27-09-2000

boekwaarde bij verkoop 4.496.500 535.900 3.195.067

verkoopprijs 5.600.000 1.150.000 5.500.000

boekwinst 1.103.500 614.100 2.304.933

De met deze transacties gerealiseerde boekwinst bedraagt (583.212 + 40.000 + 658.847 + 1.387.284 + 5.695.859 + 7.623.136 + 1.103.500 + 614.100 + 2.304.933 =) ƒ 20.010.871. Eiseres heeft de gehele boekwinst ondergebracht in een vervangingsreserve. Bij aanvang van het boekjaar beliep de vervangingsreserve ƒ 4.249.526, aan het einde van het boekjaar (4.249.526 + 20.010.871 =) ƒ 24.260.397.

2.8. Op 27 september 2000 schrijft de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen ’s-Hertogenbosch, voor zover relevant:

“(...) In antwoord op uw fax van 26 september 2000 (zijnde een aanvulling op uw brief van 28 augustus 2000) deel ik u het volgende mee. Nu voor de vervreemding de instellingen de [Q]; [R BV] en de [S BV] andere beschermde rijksmonumenten zullen verkrijgen in zowel juridische als economische eigendom en deze zullen blijven behouden zullen deze instellingen zich blijven kwalificeren als monumenteninstellingen zoals bedoeld in artikel 15 lid 1 letter P Wet Belastingen van Rechtsverkeer indien de instellingen de nu in hun bezit zijnde monumentenpanden vervreemden. (...)”

De genoemde vennootschappen waren in het onderhavige jaar als dochtermaatschappij met eiseres als moedermaatschappij verenigd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

2.9. Tot de gedingstukken behoort een vijftal op 13 december 2000 gedagtekende verklaringen waarin eiseres verklaart voornemens te zijn om de panden, gelegen aan de V-gracht 45, W-straat 1-3, A-gracht 254, P-gracht 659-661, B-gracht 289-300 en in het jaar 2000 vervreemd, te vervangen door vergelijkbare beleggingen met dezelfde economische functie.

2.10. In antwoord op vragen van verweerder naar vastgoedtransacties door onder meer eiseres, schrijft mr. E, toentertijd bestuurder van eiseres, op 9 december 2003, voor zover van belang:

“(...) f. (...) Medio 2000 was [eiseres] ervan overtuigd dat de factoren welke werden betaald voor Nederlandse vastgoedbeleggingen een irrationeel hoog niveau hadden bereikt. Er werden voor slechte objecten factoren van 14 maal de jaarhuur betaald, soms zelfs hoger. De aandeelhouders van [eiseres] meenden dat zij in de overtrokken markt van dat moment moesten trachten een groot deel van de portfolio te verkopen, om dan in de baisse die onvermijdelijk op elke hausse volgt voor lagere factoren gelijkwaardig of betere objecten terug te kopen. (...)”

Rentekosten

2.11. Ten behoeve van de financiering van haar activiteiten beschikte eiseres over kredietfaciliteiten bij V. BV (thans genaamd en verder te noemen Bank). Daarnaast betrok eiseres bedragen van de op de Nederlandse Antillen gevestigde [T]. In haar aangifte vennootschapsbelasting heeft eiseres de van [T] verkregen gelden als lening verantwoord.

2.12. Over het bij [T] uitstaande saldo was eiseres een vergoeding van 7,4% op jaarbasis verschuldigd. [T] beschikte over zekerheden in de vorm van een door eiseres verstrek recht van tweede hypotheek. Het recht van [T] op terugbetaling van de aan eiseres verstrekte bedragen was voor een deel, groot ƒ 10.000.000, achtergesteld ten opzichte van de Bank.

2.13. Volgens de administratie van eiseres kende de verhouding tussen eiseres en [T] in het onderhavige jaar het volgende verloop:

Beginsaldo per 1 januari 2000 ƒ 21.900.607

rente tot en met 31 maart 2000 433.955

boeterente wegens late betaling 7.377

rente tot en met 30 juni 2000 438.327

boeterente wegens late betaling 39.011

rente tot en met 27 september 438.813

boeterente wegens vervroegd aflossen 468.084

Af: aflossingen in de loop van het jaar -/- 25.303.108

Bij: bijgeleend in de loop van het jaar 15.175.000 +

Eindsaldo per 31 december 2000 ƒ 13.598.065

Over de periode tot en met 31 december 2000 was eiseres nog een vergoeding verschuldigd van ƒ 118.164. Eiseres heeft in verband met de van [T] betrokken gelden in het jaar 2000 een bedrag van (118.164 + 433.955 + 7.377 + 438.327 + 39.011 + 438.813 + 468.084 =) ƒ 1.943.732 ten laste van haar winst gebracht.

2.14. In verband met eerdergenoemd boekenonderzoek heeft verweerder bij de Bank derdenonderzoek verricht en heeft de Bank een eigen interne notitie aan verweerder getoond waarin [T] werd aangemerkt als een aan M. N.V. gelieerde financieringsmaatschappij.

2.15. Tot de gedingstukken behoort een ‘Businessplan voor het risicomijdend investeren in Nederlands onroerend goed’, in 1998 ten behoeve van I. opgesteld door I. UK limited te London. Aan dit businessplan zijn de volgende passages ontleend:

“5. Juridische en fiscale opzet

(...) 5.2.

De Nederlandse vennootschappen betalen vennootschapsbelasting in Nederland over de jaarlijkse winst, en in theorie over de verkoopwinsten bij verkoop van een object. In de praktijk komt het laatste bij I. niet voor, omdat - indien wij bij uitzondering een object verkopen - de vennootschap binnen de wettelijke termijn van vier jaar gebruik maakt van haar vervangingsrecht en daarmee de belastingheffing onbeperkt kan uitstellen.

De jaarlijkse winsten van de Nederlandse vennootschappen kunnen op twee wijzen worden beperkt. (...) In de tweede plaats brengen de investeerders hun eigen vermogen niet in de vennootschap door middel van een kapitaalstorting (waarbij dank zij de kapitaalsbelasting dadelijk 1% van het vermogen verloren gaat, en op termijn geen aftrekbaarheid voor de vennootschap wordt bereikt) doch door middel van leningen vanuit de eigen financieringsmaatschappijen. Daar deze leningen worden achtergesteld bij de leningen van de locaal financierende bankinstelling (...), geldt de inbreng civielrechtelijk tegenover de bank als eigen vermogen van de vennootschap. Fiscaal gezien betreft het echter leningen waarop rente kan worden betaald (of bijgeschreven) en afgetrokken, terwijl op de lange termijn (...), bij voldoende autonome toename van het eigen vermogen van de vennootschap en uiteraard met toestemming van de lokale bank, een begin kan worden gemaakt met terugbetaling van dit door de investeerder ingebracht eigen vermogen. (...)”

Verliesverrekening

2.16. Bij schrijven van 8 april 1998 heeft de toentertijd ten aanzien van eiseres competente inspecteur onder meer het volgende bericht aan een vroegere gemachtigde van eiseres:

“(...) Met betrekking tot de onderstaande onroerende zaken is [eiseres] (beperkt) binnenlands belastingplichtig.

(...)

Uitgangspunt voor dit compromis was dat slechts de verliezen over 1989 t/m 1996 die betrekking hebben op de hiervoor beschreven onroerende zaken door de Belastingdienst in aanmerking worden genomen.

Van de aangegeven resultaten t/m 1996 ten belope van f 27.333.537, heeft een gedeelte groot f 5.540.574 betrekking op in België gelegen onroerende zaken. f 14.382.171, het verlies over 1996 heeft bijna geheel betrekking op afwaarderingen van vorderingen op gelieerde moeder- en dochtermaatschappijen.

In het kader van dit compromis zijn we overeengekomen dat de compensabele verliezen t/m 1996 vastgesteld kunnen worden op afgerond f 8.000.000, zijnde het gedeelte dat betrekking heeft op in Nederland gelegen onroerende zaken. Tegen de verliesbeschikking van f 8.000.000 wordt geen bezwaar aangetekend. (...)”

Dit schrijven is door evenbedoelde vroegere gemachtigde van eiseres voor akkoord getekend.

2.17. Over de jaren 1997 en 1998 heeft eiseres verliezen geleden van respectievelijk ƒ 857 en ƒ 1.573.014. Het bedrag van de per ultimo 1998 voor eiseres verrekenbare verliezen bedraagt (8.000.000 + 857 + 1.573.014 =) ƒ 9.573.870.

2.18. In haar aangifte vennootschapsbelasting 1999 verantwoordde eiseres een belastbare winst van ƒ 4.262.104 en een belastbaar bedrag van nihil. Met dagtekening 24 december 2004 is de belastbare winst van eiseres gecorrigeerd met ƒ 4.130.909 en vastgesteld op ƒ 8.393.013. Het belastbaar bedrag bleef nihil. Verweerder stelt dat het bedrag van de per ultimo 1999 door eiseres te verrekenen verliezen (9.573.870 -/- 4.262.104 -/- 4.130.909 =) ƒ1.180.857 bedraagt. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag en tegen de verliesverrekeningsbeschikking. Ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige beroep was hierop nog niet beslist.

Informatieverstrekking

2.19. Bij schrijven van 2 juni 2003 en 21 augustus 2003 heeft verweerder aan eiseres gemeld dat haar administratie naar de mening van verweerder op onderdelen anders ingericht dient te worden.

2.20. Met dagtekening 30 juni 2004 heeft verweerder in het kader van voormeld boekenonderzoek een brief aan eiseres gezonden met daarin 37 (hoofd) vragen (waarvan sommigen onderverdeeld in subvragen). Verweerder heeft eiseres in dit verband gewezen op haar wettelijke plicht de gevraagde gegevens te verschaffen. Bij schrijven van 26 oktober 2004 is op de vragenbrief gereageerd. Hierbij is niet alle gevraagde informatie verstrekt. In zijn reactie stelde de gemachtigde van eiseres dat een aantal vragen onbeantwoord is gebleven omdat met die vragen geen heffingsbelang voor eiseres lijkt te zijn gediend en/of wegens onduidelijkheid over de wettelijke basis waar die vragen op berusten, omdat de gevraagde informatie niet voor eiseres beschikbaar is, dan wel omdat de vragen betrekking hebben op het reeds afgesloten jaar 1998.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag binnen de daartoe gestelde termijn en tot een juist bedrag is opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Verweerder acht het beroep gegrond en concludeert tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 27.262.117.

Eiseres concludeert tot vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 18.926. Voorts verzoekt eiseres om vergoeding van de werkelijke kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar- en beroepschrift zijn gemaakt.

4. Standpunten van partijen

4.1. Verweerder stelt zich op het volgende - zakelijk weergegeven - standpunt.

4.1.1. Eiseres heeft gegevens, die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van haar waren gevorderd, niet verstrekt en dusdoende heeft zij niet voldaan aan haar informatieplicht. Eiseres voldoet evenmin aan de administratieplicht van artikel 52 AWR, nu bescheiden die ten grondslag lagen aan memoriaalboekingen, informatie met betrekking tot het vervangingsvoornemen en de aan vastgoedtransacties voorafgaande correspondentie, tijdens het boekenonderzoek niet in de administratie zijn aangetroffen en ook overigens niet konden worden getoond. Naar verweerder stelt schrijft artikel 27e AWR alsdan voor dat het beroep dient te worden verworpen tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

4.1.2. Verweerder merkt uitsluitend A-gracht 261(a1), V-gracht 45 en A-gracht 254 aan als bedrijfsmiddel en stelt dat de overige in het jaar 2000 door eiseres vervreemde panden al vanaf het moment van verwerving waren bestemd voor de verkoop. Dit leidt verweerder af uit korte bezitsduur in combinatie met kosten van renovatie en de hoge boekwinsten. Voorts meent verweerder dat eiseres geen vervangingsvoornemen had als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), nu haar voornemen niet was gebaseerd op noodzaak van vervanging om de continuïteit onderneming te waarborgen maar veeleer was ingegeven door de wens om met verkoop van de panden speculatiewinsten te behalen. Verweerder vermoedt dat de panden al eerder ten verkoop aangeboden maar kan dat niet hard maken doordat eiseres geen inzage heeft gegeven in de ter zake relevante gegevens. Ten slotte meent verweerder dat eiseres niet voldoet aan de eisen van artikel 12 Wet IB 1964. Verweerder concludeert dat geen vervangingsreserve kan worden gevormd.

4.1.3. Verweerder stelt dat eiseres in het verleden heeft gehandeld onder de naam I. en dat de bedrijfsvoering van eiseres overeenkomstig het in 2.15. geciteerde businessplan is ingericht. Voorts stelt verweerder dat de aandelen in eiseres en de aandelen in [T] middellijk door dezelfde persoon werden gehouden. Uit de omstandigheden (i) dat geldverstrekker [T] gelieerd was aan de aandeelhouder in eiseres, (ii) dat het recht van [T] op terugbetaling van de verstrekte middelen was achtergesteld ten opzichte van de Bank, (iii) dat bij onvoldoende cashflow geen rente zou worden betaald - wat de vergoeding voor de verstrekte gelden winstafhankelijk maakt, (iv) dat rente niet daadwerkelijk is betaald maar is bijgeschreven bij hoofdsom, (v) dat partijen de door [T] verstrekte gelden aan de Bank als eigen vermogen hebben gepresenteerd, en (vi) dat eiseres en [T] geen aflossingsschema zijn overeengekomen, leidt verweerder af dat partijen bij wijze van schijnhandeling hebben voorgewend dat een overeenkomst van geldleen was gesloten, maar dat [T] in wezen kapitaal in eiseres heeft willen storten. Subsidiair stelt verweerder dat sprake is van een deelnemerschaplening en meer subsidiair acht verweerder de geldverstrekking en de daarmee samenhangende uitgaven onzakelijk. Verweerder concludeert dat de aan [T] toekomende bedragen niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht. In de uitspraak op bezwaar werd de rentecorrectie door verweerder nog gesteld op ƒ 2.080.903, thans wordt een correctie verdedigd van ƒ 1.952.495.

4.1.4. Het bedrag aan compensabele verliezen is gewijzigd als gevolg van navordering over het jaar 1999. Na deze correctie resteerde in 2000 een compensabel verlies van ƒ 1.180.858. Dit bedrag is bij uitspraak op bezwaar verrekend.

4.2. Eiseres stelt zich op het volgende - zakelijk weergegeven - standpunt.

4.2.1. De aanslag is eerst na 19 februari 2003, na ommekomst van de aanslagtermijn, in handen van eiseres gekomen. De aanslag is niet tijdig want buiten de termijn van artikel 11, derde lid, AWR opgelegd en moet om die reden worden vernietigd. Voorts dient de aanslag te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu verweerder de afwijking van de ingediende aangifte niet heeft gemotiveerd. Eiseres acht omkering van de bewijslast niet gerechtvaardigd.

4.2.2. Eiseres beschouwt zichzelf als belegger en niet als handelaar. Zo mogelijk worden haar panden bedrijfsmatig verhuurd. Eiseres weerspreekt dat de in 2000 vervreemde panden ten verkoop zijn aangeboden; ook op het moment waarop de koper zich aandiende stonden de panden niet te koop. De panden zijn verkocht omdat er een uitzonderlijk goed bod op werd uitgebracht. De door eiseres vervreemde panden waren bedrijfsmiddelen en geen voorraad. Uit onder meer de in 2.9. bedoelde intentieverklaringen, uit het doel van de betrokken dochtervennootschappen dat bestond in het beheer en de instandhouding van monumenten, en uit de omstandigheid dat de vennootschappen inmiddels vervangende objecten hebben aangekocht, volgt naar het oordeel van eiseres dat zij per ultimo 2000 wel voornemens was om de in dat jaar de vervreemde onroerende zaken te vervangen. Eiseres stelt dat haar administratie voldoet aan de eisen van artikel 12 Wet IB 1964 en artikel 52 AWR.

4.2.3. Eerst bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat rente in verband met de van [T] betrokken gelden niet in aftrek kan worden gebracht. Door zich te beroepen op interne compensatie handelt verweerder naar het eiseres voorkomt in strijd met een goede procesorde. Bovendien zijn de gelden onder zakelijke voorwaarden verstrekt. Immers, er is een zakelijke rente berekend en betaald en de vordering was gedekt door zekerheden in de vorm van een tweede hypotheek. Eiseres weerspreekt dat de aan [T] verschuldigde rente winstafhankelijk was. De schuld was weliswaar achtergesteld ten opzichte van de Bank maar niet ten opzichte van andere crediteuren. Eiseres weerspreekt dat het businessplan (2.15.) op haar betrekking had, dat het businessplan ten uitvoer is gebracht en dat aan dat plan voor het onderhavige jaar betekenis toekomt. Bij gebrek aan eigen wetenschap betwist eiseres dat zij als een met [T] verbonden lichaam moet worden aangemerkt. Wel is het zo dat eiseres enerzijds en de groep vennootschappen waar [T] deel van uitmaakt anderzijds, zich door eenendezelfde persoon als beheerder c.q. vertegenwoordiger heeft laten vertegenwoordigen. Naar de mening van eiseres is geen sprake van een schijnlening of een deelnemerschaplening. Partijen zijn een geldlening overeengekomen en er is geen reden om af te wijken van deze civielrechtelijke vormgeving. Eiseres acht de rentecorrectie niet gerechtvaardigd.

4.2.4. Eiseres acht het onjuist dat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar over het jaar 2000 rekening houdt met een verliesverrekeningsbeschikking die is gedagtekend na het opleggen van de aanslag. Immers, de aanslag is gedagtekend 31 december 2003 en de verliesverrekeningsbeschikking 1999 vermeldt de dagtekening 24 december 2004. Volgens eiseres dient verliesverrekening daarom plaats te vinden conform de ingediende aangifte.

4.2.5. Ten slotte verzoekt eiseres de rechtbank om verweerder te veroordelen in de kosten voor de behandeling van zowel het beroepschrift als het bezwaarschrift. Eiseres acht vergoeding op basis van de werkelijk gemaakte kosten op zijn plaats omdat verweerder zonder motivering een substantiële correctie op de aangifte heeft aangebracht, die tot het faillissement van eiseres had kunnen leiden, hetgeen door eiseres als onbehoorlijk wordt gekenschetst.

5. Beoordeling van het geschil

ontvankelijkheid, voeging

5.1. Bij de rechtbank is tweemaal beroep ingesteld tegen de aanslag en de verliesverrekeningsbeschikking. Eiseres heeft zowel tegen de brief van verweerder van 7 februari 2005 beroep ingesteld (05/972), als tegen de (verminderings-) beschikking van 9 april 2005 (05/1618). Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verduidelijkt dat hij aanvankelijk met het instellen van beroep wilde wachten op de verminderingsbeschikking, maar toen bleek dat die pas na het verstrijken van de beroepstermijn van de beslissing van 7 februari 2005 zou worden ontvangen, heeft hij de rechten van eiseres veilig willen stellen en is hij tegen beide beschikkingen apart in beroep gekomen.

5.2. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de beslissing van 7 februari 2005 alle kenmerken van een uitspraak op bezwaar en worden daarin zowel de klachten tegen de vaststelling van de belastbare winst behandeld als de klachten tegen de verliesverrekening. Voorts is de beslissing voorzien van een juiste rechtsmiddelverwijzing. Gelet hierop beschouwt de rechtbank de beslissing van 7 februari 2005 als voor beroep vatbare uitspraak op bezwaar. Het beroep tegen deze uitspraak voldoet aan de wettelijke eisen en mitsdien acht de rechtbank eiseres ontvankelijk in haar (onder nummer 05/972 geregistreerde) beroep.

5.3. De belastingdienst heeft eiseres met een tussenpauze van circa 2 maanden tweemaal schriftelijk medegedeeld dat en hoe op haar bezwaar zou worden beslist. Ook de verminderingsbeschikking van 9 april 2005 heeft de uiterlijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank valt het eiseres niet aan te rekenen dat hij zijn bezwaren tegen beide schrifturen in een beroepschrift ter kennis van de rechtbank heeft gebracht. Gelet op de samenhang tussen de klachten die eiseres in beroep tegen de beslissing van 9 april 2005 heeft aangevoerd en de klachten tegen de beschikking van 7 februari 2005 zal de rechtbank de tegen beide beslissing gerichte beroepschriften voegen en gezamenlijk behandelen.

aanslagtermijn

5.4. Eiseres stelt de aanslag pas te hebben ontvangen na 19 februari 2004 en verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de aanslag te laat is opgelegd en om die reden moet worden vernietigd. Bij de beoordeling van deze klacht kent de rechtbank betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft zich in de periode vlak voor het opleggen van de aanslag in contacten met verweerder laten bijstaan en vertegenwoordigen door een belastingadviseur. Verzoeken van verweerder om gegevens met betrekking tot de fiscale positie van eiseres werden door eiseres doorgeleid en vervolgens door deze adviseur beantwoord. Op 15 december 2003 (en toen een reactie uitbleef, nogmaals op 22 december 2003) heeft verweerder de gemachtigde van eiseres verzocht te bevestigen dat eiseres uitstel had gevraagd en gekregen voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting 2000. Hiertoe was eiseres niet bereid. Het gevolg van die weigering was dat de in artikel 11, derde lid, AWR bedoelde aanslagtermijn zou eindigen op 31 december 2003 en dat de aanslag uiterlijk op die dag zou moeten worden opgelegd. Verweerder heeft bij brief van 23 december 2003 aan voormelde adviseur aangekondigd dat en tot welk bedrag bij het vaststellen van de aanslag van de ingediende aangifte zou worden afgeweken. De aanslag is met dagtekening 31 december 2003 opgelegd. Verweerder heeft ervoor gekozen om de aanslag te richten aan de gemachtigde van eiseres. Op 24 januari 2004 is pro forma bezwaar tegen de aanslag gemaakt. Eerst bij schrijven van 19 februari 2006 heeft eiseres het standpunt ingenomen dat de aanslag te laat is opgelegd.

5.5. Artikel 5 AWR bepaalt dat de vaststelling van de aanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat het aanslagbiljet tijdig is opgemaakt. Vervolgens maakt de ontvanger de aanslag bekend door toezending of uitreiking van het door de inspecteur opgemaakte aanslagbiljet (vgl. artikel 8 Invorderingswet 1990). Naar luid van artikel 3:40 Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. De aanslag is een besluit in voormelde zin. Artikel 3:41 Awb bepaalt onder meer dat de bekendmaking van besluiten geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Ingevolge artikel 2:1 Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Eiseres heeft ten tijde van het opleggen van de aanslag ervoor gekozen om zich door een belastingadviseur te laten vertegenwoordigen. Door de aanslag toe te zenden of uit te reiken aan een door eiseres aangewezen vertegenwoordiger, is de aanslag naar het oordeel van de rechtbank niet op onjuiste wijze bekendgemaakt. Het beroep faalt in zoverre.

5.6. Bovendien brengt een behoorlijke taakvervulling naar het oordeel van de rechtbank mee dat een vertegenwoordiger zijn opdrachtgever onverwijld in kennis stelt van zowel het aan hem ter kennis gebrachte voornemen van de inspecteur om bij het vaststellen van een aanslag van de ingediende aangifte af te wijken, als van de omstandigheid dat (en tot welk bedrag) een aanslag is opgelegd. Dat geldt in versterkte mate in een situatie als de onderhavige, waarin forse correcties op de ingediende aangifte zijn aangebracht en waarin kort voor het opleggen van de aanslag sprake is geweest van veelvuldige contacten tussen verweerder en de vertegenwoordiger. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan te nemen dat de voormalige belastingadviseur van eiseres zich niet als een behoorlijk handelend vertegenwoordiger heeft gedragen. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat de evenbedoelde belastingadviseur op 24 januari 2004 bezwaar tegen de aanslag heeft gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres onverwijld door haar gemachtigde in kennis is gesteld van het bestaan en de hoogte van de aanslag. Ook om deze reden is de rechtbank is van oordeel dat de aanslag niet op onjuiste wijze is bekendgemaakt.

omkering bewijslast

5.7. In zijn arrest van 3 februari 2006 (nr. 41814; LJN AV0826) oordeelde de Hoge Raad, voor zover van belang, dat als ‘op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot feitelijke omstandigheden, zoals (...) de aanwezigheid van aftrekposten die, indien aannemelijk, tot een lagere belasting voor die belastingplichtige zouden leiden, (...) het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur bepaalde bescheiden ter beschikking te stellen ter onderbouwing van de aftrek, geen gevolg [heeft] voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rust immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen die bescheiden ter beschikking te stellen heeft de Inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 van de AWR ziet.’

5.8. Verweerder stelt dat in het voorliggende geval, waarin partijen strijden over antwoorden op de vragen of eiseres een vervangingsreserve mag vormen en of eiseres terecht rentebetalingen op haar winst in aftrek heeft gebracht, het niet verstrekken van gevraagde gegevens leidt tot omkering van de bewijslast. In het arrest genoemd onder 5.7. heeft de Hoge Raad afstand genomen van deze opvatting. Het standpunt van verweerder vindt dan ook geen steun in het recht en wordt om die reden door de rechtbank verworpen.

5.9. Voorts acht verweerder omkering van de bewijslast gerechtvaardigd omdat eiseres niet zou hebben voldaan aan de in artikel 52 AWR belichaamde administratieplicht. Ingevolge artikel 52 AWR moet een administratie zodanig worden ingericht en voor controle door de fiscus toegankelijk zijn dat binnen redelijke termijn conclusies kunnen worden getrokken omtrent de aard en omvang van de fiscale verplichtingen. Als niet volledig is voldaan aan de administratieverplicht, verklaart de rechtbank het beroep op de voet van artikel 27e AWR ongegrond tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Voormelde sanctie van omkering van de bewijslast is een zware sanctie. In het algemeen stelt de rechter zich terughoudend op bij het toepassen ervan.

5.10. De rechtbank stelt vast dat onduidelijkheid omtrent de aard en omvang van de fiscale verplichtingen in het onderhavige geval niet wordt veroorzaakt door een gebrek aan inzicht in de relevante feiten, maar door een verschil van inzicht over de duiding van die feiten. Immers, bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder aansluiting gezocht bij feitelijke gegevens die zijn ontleend aan de administratie van eiseres en heeft verweerder het realiteitsgehalte van deze gegevens op geen enkele wijze in twijfel getrokken. De rechtbank verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de administratie van eiseres voldoende inzicht bood in de aard en omvang van haar fiscale verplichtingen. In dit geval is er dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van de administratieplicht. Op die grond en nu eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met haar informatieplicht heeft gehandeld, is er geen reden voor omkering van de bewijslast.

vervangingsreserve

5.11. Ten tijde in geding bepaalde artikel 14 van de Wet IB 1964 onder meer dat wanneer de opbrengst bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de boekwaarde van dat bedrijfsmiddel overtreft, bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst, indien en zolang het voornemen tot vervanging van het bedrijfsmiddel bestaat, het verschil gereserveerd kan worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen kosten van vervanging. In het onderhavige jaar heeft eiseres een aantal tot haar vermogen behorende onroerende zaken vervreemd en de met deze transacties gerealiseerde boekwinst ondergebracht in een reserve als bedoeld in artikel 14 Wet IB 1964 (vervangingsreserve).

5.12. De rechtbank stelt voorop als bedrijfsmiddelen in voormelde zin zijn aan te merken de bestanddelen van het vermogen van een naamloze vennootschap die, in tegenstelling tot zaken welke voor de omzet zijn bestemd, tot de duurzame kapitaalgoederen van de onderneming behoren (Vgl. HR 1 juli 1981, nr. 20 450, BNB 1981/318). Daartoe behoren ook onroerende zaken welke zijn verworven met de overheersende bedoeling deze in de onderneming te exploiteren (HR 6 december 1995, nr. 30 593, BNB 1996/58).

5.13. Verweerder stelt dat het merendeel van de in 2000 door eiseres vervreemde onroerende zaken geen bedrijfsmiddelen vormden zodat de ter zake gerealiseerde boekwinst niet aan een vervangingsreserve kan worden toegevoegd. Eiseres stelt daar tegenover dat zij zich bezig houdt met het beleggen in onroerende zaken en niet met de handel in onroerende zaken en dat zij de onroerende zaken die tot haar vermogen behoren bedrijfsmatig pleegt te verhuren. Zij weerspreekt dat de in 2000 vervreemde panden op de markt ten verkoop zijn aangeboden. Eiseres voert aan dat de bewuste panden zijn verkocht omdat er een uitzonderlijk goed bod op werd uitgebracht. De rechtbank acht deze stellingen van eiseres onvoldoende weersproken en mitsdien aannemelijk. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank, anders dan verweerder stelt, een korte bezitsduur van de onroerende zaken en een grote boekwinst op zichzelf beschouwd onvoldoende rechtvaardiging voor de conclusie dat de panden zijn gekocht met het doel een speculatiewinst te realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank behoorden de in 2000 vervreemde panden tot de duurzame kapitaalgoederen van de onderneming. De panden waren derhalve bedrijfsmiddelen en geen voorraad.

5.14. Naar verweerder stelt wordt vorming van een vervangingsreserve voorts verhinderd doordat eiseres niet voornemens was om de vervreemde onroerende zaken te vervangen. De rechtbank ontleent echter aan de door eiseres getoonde intentieverklaringen, de omstandigheid de betrokken dochtervennootschappen het beheer en de instandhouding van onroerende zaken monumenten ten doel hadden en de omstandigheid dat eiseres ruim binnen de daarvoor geldende termijn vervangende objecten heeft verworven, het vermoeden dat eiseres op de balansdatum wel een vervangingsvoornemen in de zin van artikel 14 Wet IB 1964 had. Dat de vervangende objecten mogelijk zijn betrokken van gelieerde ondernemingen, hetgeen verweerder stelt en eiseres betwist, doet daaraan op zichzelf beschouwd niet af. Verweerder is er ook overigens niet in geslaagd het evenbedoeld vermoeden te ontzenuwen. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat eiseres ten tijde in geding een vervangingsvoornemen had zoals bedoeld in artikel 14 Wet IB 1964.

5.15. Ten slotte stelt verweerder dat eiseres geen vervangingsreserve kan vormen omdat niet wordt voldaan aan de eis van artikel 12 Wet IB 1964. Ingevolge artikel 12 Wet IB 1964 kan een vervangingsreserve slechts worden gevormd zolang de belastingplichtige voor zijn onderneming regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen. Zoals eerder overwogen is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres gevoerde administratie voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Verweerder is bij het vaststellen van de aanslag uitgegaan van gegevens die aan de administratie van eiseres zijn ontleend. De rechtbank komt tot de slotsom dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor het vormen van een vervangingsreserve. Het beroep is in zoverre gegrond.

rentecorrectie

5.16. Voor zover het beroep zich keert tegen het standpunt van verweerder dat de door eiseres aan [T] ten titel van rente betaalde bedragen niet op haar winst in aftrek kunnen worden gebracht, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat voor het antwoord op de vraag of een geldverstrekking als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, als regel de civielrechtelijke vorm beslissend is voor de fiscale gevolgen. Deze regel lijdt onder meer uitzondering indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen, en voorts indien de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar (HR 27 januari 1988, nr. 23 919, BNB 1988/217).

5.17. Tussen partijen is niet in geschil dat [T] naar civiel recht beoordeeld aan eiseres een geldlening heeft verstrekt. Verweerder stelt echter dat [T] in werkelijkheid geen lening heeft willen verstrekken maar kapitaal in eiseres heeft willen storten. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden volgehouden dat partijen iets anders hebben beoogd dan wat zij civielrechtelijk hebben afgesproken. Uit de stukken van het geding volgt immers dat het partijen er nu juist om te doen was dat eiseres de vergoeding voor de door [T] verstrekte gelden in aftrek op haar winst zou kunnen brengen. Die bedoeling wordt alleen gerealiseerd indien aan de geldverstrekking de vorm van een lening wordt gegeven en naar het oordeel van de rechtbank stond het partijen ten tijde in geding in beginsel vrij om zulks te doen. Alsdan is er geen sprake van een schijnhandeling en mitsdien in zoverre geen reden om voor de fiscale gevolgen van de geldverstrekking af te wijken van de civielrechtelijke vorm.

5.18. In zijn arrest van 11 maart 1998 (nr. 32 240, BNB 1998/208) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat een geldlening als kapitaalverstrekking moet worden beschouwd indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat de door [T] verstrekte gelden niet ten opzichte van alle schuldeisers zijn achtergesteld maar uitsluitend ten opzichte van de Bank. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen en acht deze stelling aannemelijk. Alleen al om reden dat de door [T] verstrekte lening niet ten opzichte van alle schuldeisers is achtergesteld, kan geen sprake zijn van een deelnemerschaplening.

5.19. Verder stelt verweerder dat de ten titel van rente aan [T] betaalde bedragen niet aftrekbaar zijn vanwege het onzakelijke karakter van de geldverstrekking en de met die geldverstrekking samenhangende uitgaven. In dit verband overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres over het uitstaande saldo op jaarbasis een vergoeding van 7,4% verschuldigd was. Nu gesteld noch gebleken is dat dit een onzakelijk percentage is, houdt de rechtbank het ervoor dat eiseres in ruil voor de door [T] verstrekte gelden een zakelijke vergoeding verschuldigd heeft voldaan. Voorts beschikte [T] over zekerheden in de vorm van een recht van tweede hypotheek. Alles tezamen genomen heeft [T] naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres onder zakelijke voorwaarden gelden verstrekt. Dat ter zake geen aflossingsschema is overeengekomen, doet daar niet aan af. De rechtbank komt tot de slotsom dat de vergoeding die eiseres ten titel van rente aan [T] heeft betaald, in aftrek op haar winst mag worden gebracht. Ook in zoverre is het beroep gegrond.

verliesverrekening

5.20. Verweerder heeft uiteindelijk bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden met verrekenbare verliezen ten bedrage van ƒ1.180.858. Volgens de door eiseres ingediende aangifte bedraagt het met de belastbare winst over 2000 verrekenbare verlies ƒ 6.479.609.

Eiseres meent dat verweerder bij het vaststellen van het met de belastbare winst verrekenbare verlies van voorgaande jaren ten onrechte rekening heeft gehouden met de aan eiseres opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1999.

5.21. Bij de behandeling van deze klacht stelt de rechtbank voorop dat de verrekening van verliezen ingevolge artikel 20, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geschiedt in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de belastbare winsten zijn gemaakt. Op grond van deze bepaling vindt eerst verrekening plaats van het bedrag aan compensabele verliezen met de belastbare winst over het jaar 1999, voordat wordt toegekomen aan verrekening met de belastbare winst over het jaar 2000. Dat in het onderhavige geval verrekening van het verlies met de belastbare winst van 1999 heeft plaatsgevonden bij beschikking van 24 december 2004, terwijl de thans in geding zijnde aanslag is gedagtekend op 31 december 2003, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht het evenmin van belang dat bezwaar is gemaakt tegen de navorderingsaanslag en tegen de verliesverrekeningsbeschikking over 1999 en dat deze beschikkingen nog niet onherroepelijk vaststaan, omdat een bezwaar ingevolge artikel 6:16 Awb niet de werking schorst van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Het beroep faalt in zoverre.

de aanslag

5.22. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond en dient de aanslag als volgt te worden vastgesteld:

Belastbare winst volgens de aangifte ƒ 6.498.535

Af: te verrekenen verlies 1.180.858 -/-

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 5.317.677

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank verwerpt het verzoek van eiseres om een veroordeling in de werkelijke kosten, omdat het standpunt van verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet van elke grond is ontbloot en in redelijkheid verdedigbaar wordt geacht. Ook overigens zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een afwijking rechtvaardigen van de forfaitaire proceskostenvergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.932 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, alsmede 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 2).

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbare winst van ƒ 6.498.535 en, met inachtneming van een te verrekenen verlies van ƒ 1.180.858, naar een belastbaar bedrag van ƒ 5.317.677 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.932, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 552 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 6 september 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Snitker, mr. A. Roelvink - Verhoeff en mr. H.A. Tulp in tegenwoordigheid van mr. M. Put, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.