Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY8208

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
14-09-2006
Zaaknummer
308734 CV EXPL 06-4128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering. Gedaagde heeft bedrijf per 1 januari 2006 beëindigd onder toezegging aan eiseres van doorbetaling loon tot 1 mei 2006. Eiseres heeft gedaagde meegedeeld per 2 januari 2006 elders werk te hebben gevonden. Gedaagde heeft met toestemming CWI de arbeidsovereenkoms met eiseres opgezegd tegen 1 mei 2006. Geen sprake van een duidelijk op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte mededeling door eiseres. Beëindiging van de werkzaamheden komt voor risico van gedaagde. Verplichting doorbetaling loon tot 1 mei 2006 ingevolge artikel 7:628 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 308734 CV EXPL 06-4128

datum uitspraak: 13 september 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

eiseres

gemachtigde: mr N. Roek

tegen

de besloten vennootschap Café Restaurant [XXX] B.V.

te Heemskerk

gedaagde

gemachtigde: N.J. Nooij

De procedure:

Bij dagvaarding van 27 maart 2006 is tegen gedaagde een vordering ingesteld als in de dagvaarding nader omschreven.

Gedaagde is in de procedure verschenen om verweer te voeren. Nadat de kantonrechter heeft besloten dat de zaak zich niet leende voor een comparitie van partijen na antwoord hebben partijen respectievelijk een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek genomen.

De inhoud van die stukken kan als hier ingelast en herhaald worden beschouwd.

Vonnis werd bepaald op heden.

De vordering en het verweer:

Voor de omschrijving van de vordering wordt verwezen naar de dagvaarding.

De vordering betreft een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd per 2 januari 2006, althans de vernietiging van de beëindiging en betaling van het salaris inclusief emolumenten van genoemde datum tot het einde van het dienstverband, vermeerderd met de wettelijke verhoging, als bedoeld in artikel 7:625 BW en wettelijke rente.

Daartoe stelt eiseres - kort samengevat - het volgende.

Gedaagde heeft haar bedrijf gestaakt per 1 januari 2006. Het personeel is doorbetaling van salaris toegezegd tot 1 mei 2006. Weliswaar heeft eiseres bij een ander café een tijdelijk dienstverband gevonden maar van opzegging of beëindiging anderszins door eiseres van de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geen sprake geweest. Gedaagde is dan ook gehouden op grond van het bepaalde in artikel 7;628 BW het salaris met emolumenten door te betalen tot aan het dienstverband rechtsgeldig een einde is gekomen.

Gedaagde heeft tegen de vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna, voorzover relevant, zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil:

Op grond van wat partijen over en weer aan de orde hebben gesteld en niet of onvoldoende hebben betwist staan de volgende feiten vast:

- Gedaagde heeft een café-restaurant te Heemskerk geëxploiteerd. Zij heeft haar bedrijf om bedrijfseconomische redenen tegen 1 januari 2006 beëindigd.

- Eiseres is op 24 juli 1989 bij gedaagde in dienst getreden als cafémedewerkster. Haar salaris bedroeg laatstelijk € 2.257,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

- Op 24 januari 2006 heeft gedaagde een door haar aangevraagde vergunning van het CWI verkregen voor het geven van ontslag aan eiseres. Gedaagde heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst, met in achtneming van de geldende opzegtermijn, opgezegd voor zover vereist tegen 1 mei 2006.

- Eiseres heeft een tijdelijk dienstverband in deeltijd gekregen bij Café Lokaal te Heemskerk tenminste vanaf ergens in januari 2006 tot 1 juli 2006.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat eiseres, door mede te delen dat zij per 2 januari 2006 in dienst van Café Lokaal zou treden, zelf ontslag heeft genomen. Dit valt echter niet uit die enkele mededeling af te leiden. Immers, gedaagde had haar bedrijf beëindigd en had geen werk meer voor eiseres. Van een duidelijke, op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen gerichte mededeling van de zijde van eiseres, is ook in de feitelijke weergave van de gang van zake door gedaagde geen sprake.

De bepaling in de toepasselijke CAO welke de werknemer verplicht werkzaamheden voor een derde schriftelijk te melden aan de werkgever, die dan de mogelijkheid heeft die werkzaamheden te verbieden, op welke bepaling gedaagde zich beroept, kan haar niet baten. Immers, het niet nakomen van die verplichting doet de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet eindigen. Bovendien stelt gedaagde zelf dat eiseres haar, zij het mondeling, op de hoogte heeft gebracht van haar nieuwe dienstverband. Zij had dus de mogelijkheid tegen dat dienstverband bezwaar te maken, zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestond.

De arbeidsovereenkomst moet dan ook worden geacht eerst tegen 1 mei 2006 te zijn geëindigd door de opzegging door gedaagde.

Nu gedaagde geen werk meer voor eiseres had vanaf 1 januari 2006, welke omstandigheid voor haar risico kwam, was zij op grond van het bepaalde in artikel 7:628 BW gehouden salaris en vakantiegeld door te betalen tot 1 mei 2006.

De vorderingen zullen dan ook worden toegewezen.

Tegen de nevenvorderingen is geen zelfstandig verweer gevoerd. Deze zullen dan ook eveneens worden toegewezen met dien verstande dat de kantonrechter de wettelijke verhoging, als bedoeld in artikel 7:625 BW zal matigen tot 10%, gezien alle omstandigheden van het geval. Daarbij wordt die verhoging éénmalig toegepast en niet, zoals eiseres schijnt te veronderstellen, als een soort dwangsom.

Gedaagde zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

Hetgeen partijen voor het overige naar voren hebben gebracht kan niet tot een andere beslissing leiden en behoeft dan ook geen nadere behandeling.

De beslissing:

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat het dienstverband tussen partijen niet per 2 januari 2006 is geëindigd;

veroordeelt gedaagde tot betaling tegen kwijting aan eiseres van het eiseres rechtens toekomende salaris vanaf 2 januari 2006 inclusief emolumenten tot 1 mei 2006 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf en de wettelijke verhoging, als bedoeld in artikel 7:625 BW ad 10% over het salaris en vakantiegeld;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op de navolgende bedragen:

exploitkosten: € 71,32

vastrecht: € 196,00

salaris gemachtigde: € 350,00

met bepaling dat de kosten verbonden aan de ambtshandelingen worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met het percentage, bedoeld in artikel 9 lid 1 van de Wet op de Omzetbelasting 1968, nu de eisende partij de in rekening gebrachte omzetbelasting niet op grond van genoemde wet kan verrekenen en dit nadrukkelijk verklaart, en de gerechtsdeurwaarder aan de voet van het exploot verklaart dat de kosten van de ambtshandelingen in verband daarmee zijn verhoogd;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr C.J. Baas en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.