Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY6115

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
10-08-2006
Zaaknummer
06-3625
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanvraag gehandicaptenparkeerkaart. Uit het zich in het dossier bevindende medisch advies van de GGD opgemaakt door een arts blijkt dat verzoekster weliswaar een aandoening met een aantoonbare loopbeperking heeft, waardoor zij niet in staat is meer dan 100 meter te lopen, maar dat zij voor het afleggen van korte afstanden van deur tot deur niet afhankelijk is van begeleiding. Het advies is tot stand is gekomen op grond van (onder andere) bij de neuroloog en cardioloog van verzoekster ingewonnen schriftelijke informatie, alsmede inzage van medische rapporten van deze specialisten. Het ter zitting overgelegde ‘medisch advies in het kader van bezwaarschrift’ van de GGD, welk document - zo heeft verweerders gemachtigde ter zitting gesteld - tijdens de hoorzitting in het kader van het bezwaar aan verzoekster is overhandigd, werpt geen ander licht op de zaak. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/3625

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2006

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats]

verzoekster,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder,

gemachtigde: drs. M. Link, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2006, verzonden op 16 maart 2006, heeft verweerder geweigerd verzoekster een (passagiers)-gehandicaptenparkeerkaart te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 8 april 2006 bezwaar gemaakt. Voorts heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 juni 2006. Verzoekster is niet ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna de regeling) luidt:

"Voor een gehandicaptenparkeerkaart kunnen in aanmerking komen:

b. passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijk-heid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder;"

2.3 Als gevolg van deze wettelijke bepaling kan een persoon slechts in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart, indien er sprake is van een aantoonbare loop-beperking in voornoemde zin en deze persoon continu begeleidingsafhankelijk is.

2.4 Naar aanleiding van de door verzoekster ingediende aanvraag voor een gehandicapten-parkeerkaart heeft verweerder advies ingewonnen bij de GGD Amstelland-de Meer-landen (hierna: GGD). Uit het zich in het dossier bevindende 'medisch advies gehan-dicaptenparkeerkaart' van de GGD d.d. 28 december 2005 - opgemaakt door J.E. Barth, arts - blijkt dat verzoekster weliswaar een aandoening met een aantoonbare loopbeperking heeft, waardoor zij niet in staat is meer dan 100 meter te lopen, maar dat zij voor het afleggen van korte afstanden van deur tot deur niet afhankelijk is van begeleiding. Het advies is tot stand is gekomen op grond van (onder andere) bij de neuroloog en cardioloog van verzoekster ingewonnen schriftelijke informatie, alsmede inzage van medische rapporten van deze specialisten.

2.5 Hangende de aanvraag heeft verzoekster een verklaring d.d. 17 januari 2006 over-gelegd van haar huisarts waarin het volgende is opgenomen: "Indicatie: forse dyspnoe d'effort obv angina pectoris en onvermogen alleen over straat te gaan ivm duizeligheid." Op 3 maart 2006 brengt voornoemde arts J.E. Barth namens de GGD naar aanleiding van deze verklaring een aanvullend advies uit, waaruit blijkt dat zij geen aanleiding ziet haar advies van 28 december 2005 te herroepen vanwege de verklaring d.d. 17 januari 2006. Daartoe is redengevend dat uit nader opgevraagde informatie door J.E. Barth bij de betreffende huisarts is gebleken, dat de diagnose van laatstgenoemde op niet te objectiveren klachten berust. Daarbij heeft de huisarts aangegeven dat er geen medische gronden zijn op grond waarvan verzoekster niet alleen naar buiten zou mogen, maar dat ze dat niet wil en in haar beleving niet kan.

2.6 Gegeven het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen reden voor het voorlopig oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeer-kaart in redelijkheid niet heeft mogen baseren op het advies van de GGD van 28 december 2005. Voor dit oordeel is ook redengevend dat het ter zitting overgelegde 'medisch advies in het kader van bezwaarschrift' van de GGD (tevens uitgebracht door J.E. Barth) d.d. 31 mei 2006, welk document - zo heeft verweerders gemachtigde ter zitting gesteld - tijdens de hoorzitting in het kader van het bezwaar aan verzoekster is overhandigd, geen ander licht op de zaak werpt. Het enkele feit dat verzoekster in haar brief van 18 april 2006 - waarbij zij een verklaring van haar huisarts van dezelfde datum heeft bijgevoegd, welke in wezen niet verschilt van de verklaring van 17 januari 2006 - betoogt dat haar huisarts duidelijk aan J.E. Barth heeft verteld, dat zij het raadzaam vindt dat verzoekster niet alleen over straat gaat, doet aan het vorengaande niet af. Daartoe is redengevend dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft aange-geven dat J.E. Barth naar aanleiding van de eerdergenoemde verklaring van 18 april 2006 wederom met de huisarts contact heeft gehad en ook toen heeft laatstgenoemde verklaard dat haar diagnose op niet te objectiveren klachten berust.

2.7 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.8 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op 20 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.