Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY5347

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
01-08-2006
Zaaknummer
15/694004-05, 15/694053-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 47, 225, 273a Sr, 10a OW. Vrijspraak medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, vrijspraak mensenhandel, niet ontvankelijkheid OM na kennisgeving voorwaardelijke niet vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: [nummer]

Uitspraakdatum: 27 juli 2006

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 juli 2006 en 13 juli 2006 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de P.I. Noord Holland Noord, HvB Zwaag, te Zwaag,

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is de omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting aangepast.

Na de aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

Parketnummer: [nummer]

1.

[ Zaaksdossier B 01: voorbereiding van cocaïnesmokkel vanuit Zuid-Amerika]

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2005 tot en met 30 juni 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaine, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s),opzettelijk

- (een of meer) afspra(a)k(en) gemaakt om elkaar te ontmoeten in het Krasnapolsky Hotel te Amsterdam

en/of (aldaar)

- gesprekken gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of (een) plan(nen) gemaakt en/of een of meer afspraken gemaakt aangaande

* het overnemen van (een) tas(sen) en/of koffer(s) (met cocaine) van (een) passagier(s) op de luchthaven

Schiphol en/of

* de (per keer) binnen het grondgebied van Nederland te brengen hoeveelhe(i)d(en) cocaine) en/of

* (de hoogte van) de beloning(en) voor te verrichten activiteiten;

2.

[ Zaaksdossier B 03: Fraude en oplichting]

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2005 tot en met 30 mei 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans een, salarisspecificatie(s),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) valselijk op voornoemde salarisspecificatie(s) aangegeven dat [betrokkene]

- woonachtig was op het adres [adres] en/of

- werknemer was van [Uitzendbureau] Uitzendbureau, gevestigd te [adres] en/of

- salaris had ontvangen van [Uitzendbureau] Uitzendbureau, gevestigd te [adres],

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

[ Zaaksdossier B 04: zaaksdossier “loverboy”]

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 22 november 2005 te Utrecht en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer], met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen,(te weten

- door dwang en/of

- door geweld en/of

- door een andere feitelijkheid en/of

- door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of

- door afpersing en/of

- door fraude en/of

- door misleiding en/of

- door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

en/of

- door misbruik van een kwetsbare positie)

heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van die [slachtoffer] met of voor (een) derde(n),

immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode meermalen en/of regelmatig geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 50.000 euro), die door voornoemde [slachtoffer] met prostitutie was/waren verdiend en/of verkregen, van voornoemde [slachtoffer] ontvangen en/of gekregen en/of genomen, door

- (een) etentje(s) en/of uitstapje(s) met voornoemde [slachtoffer] te betalen en/of

te bekostigen en/of

- een relatie met [slachtoffer] aan te gaan en/of

- [slachtoffer] te verzoeken met hem, verdachte samen te wonen en/of

- [slachtoffer] te vragen hem te trouwen en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen die [slachtoffer] te schelden en/of te schreeuwen en/of geld te eisen en/of

- meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] te slaan en/of te schoppen en/of bij de keel te grijpen en/of (daarbij) te

zeggen: "Jij bent helemaal niets, jij bent minder dan een dier voor mij, althans woorden van gelijke strekking,

- meermalen, althans eenmaal met een auto (dreigend) in haar richting is gereden en/of

- meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer]'s woon- en/of werkplek heeft doorzocht naar geld;

Parketnummer [nummer]

4.

hij op of omstreeks 17 augustus 2005 te Amsterdam en/of te Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij verdachte met dat opzet

- een door hem bestuurde auto niet tot stilstand gebracht, toen voornoemde [slachtoffer] (als passagier gezeten in die door hem, verdachte, bestuurde auto) hem, verdachte, vroeg die auto tot stilstand te brengen en/of haar uit die auto te laten stappen en/of

- [slachtoffer] (hardhandig) (bij de polsen) gegrepen (toen zij een portier van die door hem, verdachte, bestuurde auto wilde openen) en/of [slachtoffer] aan het haar getrokken en/of haar hoofd tegen het stuur van die auto geslagen en/of (op de armen) gestompt en/of (met de vlakke hand) in het gezicht geslagen en/of in de nek (vast)gepakt en/of

- een telefoon van [slachtoffer] afgepakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, (terwijl [slachtoffer] (telkens) uit die (nog rijdende) auto stapte, althans wilde stappen, [slachtoffer] (beet)gepakt en/of (weer) in de auto getrokken;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – zakelijk weergegeven – tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.

4. Bewijsbeslissingen

4.1 Vrijspraken

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1en 3 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen het aan verdachte ten laste gelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting blijkt dat verdachte eind mei 2005 aanwezig is geweest bij een bijeenkomst in het Krasnapolsky Hotel te Amsterdam, waar eveneens aanwezig waren de medeverdachten [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte].

[medeverdachte] heeft over deze bijeenkomst verklaard dat hij met verdachte in contact is gekomen via medeverdachte [medeverdachte], die hem had verteld iemand van de marechaussee, werkzaam op Schiphol te kennen, die mogelijk iets voor [medeverdachte] kon betekenen. [medeverdachte] heeft verdachte naar de bijeenkomst in Krasnapolsky gebracht. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat verdachte tijdens deze bijeenkomst heeft gezegd dat hij - kort samengevat - een tas van een passagier kon overnemen en dat hij vierentwintig uur per dag beschikbaar was. Dit laatste is door [medeverdachte] bij zijn getuigenverklaring voor de rechter-commissaris bevestigd.

[medeverdachte] en [medeverdachte] hebben voorts verklaard dat verdachte weer contact met hen zou opnemen.

Uit de na de bijeenkomst getapte telefoongesprekken blijkt dat verdachte onvindbaar was voor medeverdachte [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte].

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij weliswaar – kort - aanwezig is geweest bij voornoemde bijeenkomst, maar hij ontkent dat tijdens die bijeenkomst over drugs is gesproken. Hij ontkent overigens elke betrokkenheid bij drugssmokkel.

Wat verdachte kan worden verweten, is dat hij aanwezig is geweest bij een bespreking waarbij - naar het oordeel van de rechtbank - buiten kijf staat dat gesproken is over mogelijke drugsinvoer op Schiphol en waarbij verdachte zich ook niet onbetuigd heeft gelaten. Ook is vast komen te staan dat verdachte na deze bijeenkomst geen contact meer heeft opgenomen met medeverdachten. De medeverdachten hebben nog vergeefs getracht verdachte op te sporen.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden en verklaringen zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot het bewijs dat verdachte zodanige betrokkenheid heeft gehad bij de onderhavige voorbereidingshandelingen dat gesproken kan worden van het medeplegen daartoe.

Ten aanzien van feit 3.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen het aan verdachte onder feit 3 tenlastegelegde.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte en [vermeend slachtoffer] in de tenlastegelegde periode een relatie met elkaar hebben gehad. [Vermeend slachtoffer], die een aantal jaar ouder is dan verdachte en als prostituee werkzaam was, heeft verdachte als klant leren kennen, maar dit is overgegaan in vriendschap en later - in ieder geval aan de kant van [vermeend slachtoffer]- in verliefdheid. Uit het dossier, met name uit de aangifte van [vermeend slachtoffer], haar latere getuigenverklaring bij de politie en de taps komt naar voren dat de relatie tussen verdachte en [vermeend slachtoffer] niet berustte op gelijkwaardigheid. Uit de in het dossier bevindende verklaringen - benevens de eigen verklaring van verdachte - komt een beeld van verdachte naar voren die geen enkel respect voor vrouwen heeft. Hij beschouwt zichzelf als een ‘player’. Hij accepteert geen ‘nee’ bij een vrouw. Hij maakt gebruik van vrouwen. Hoewel deze gedragingen van verdachte door de rechtbank als uiterst verwerpelijk worden aangemerkt, vindt de rechtbank onvoldoende bewijs om te oordelen dat ook sprake is geweest van strafwaardig handelen als bedoeld in de delictsomschrijving. Immers, uit de verklaringen van met name [vermeend slachtoffer] komt naar voren dat zij weliswaar geld en goederen (waaronder een auto) aan verdachte heeft gegeven, maar niet dat zij dit onder dwang heeft gedaan. Uit het dossier komt niet naar voren dat [vermeend slachtoffer] een persoon is op wie verdachte zodanig overwicht had, dat zij daaraan geen weerstand kon bieden. Niet is aannemelijk geworden dat zij onder constante controle stond van verdachte. Zij heeft een aantal dagen met verdachte samengewoond; toen deze samenwoning niet werkte, is zij naar een ander adres vertrokken. Niet is aannemelijk geworden dat de keuzevrijheid van [vermeend slachtoffer] in ernstige mate door verdachte is beperkt, bijvoorbeeld in het onderhouden van contacten met derden of het veranderen van werkadres. [Vermeend slachtoffer] is (ook na de aanhouding van verdachte) als prostituee blijven werken op verschillende adressen. [Vermeend slachtoffer] heeft verdachte telkens op de hoogte gehouden van haar nieuwe adres dan wel telefoonnummer. Zelfs na de aanhouding van verdachte heeft [vermeend slachtoffer] uit eigen vrije beweging zowel schriftelijk, als persoonlijk contacten onderhouden met verdachte.

Gelet op al deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat er onvoldoende is om te komen tot bewijs van het aan verdachte onder feit 3. tenlastegelegde.

4.1.1 nadere beslissing betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 4:

De officier van justitie heeft op 20 september 2005 aan verdachte een kennisgeving voorwaardelijke niet vervolging doen toekomen met betrekking tot een strafbaar feit dat op 25 augustus 2005 heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft de officier van justitie twee voorwaarden gesteld:

1e

dat, verdachte gedurende een proeftijd van twee jaren, ingaande 21 september 2005, zich niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zich zal misdragen.

2e

dat, verdachte zich gedurende bovengenoemde proeftijd onder begeleiding zal stellen van de reclassering, ook als dat inhoudt een ambulante/polibehandeling bij een externe instantie.

De rechtbank constateert dat, nu verdachte is vrijgesproken voor het onder 3. tenlastegelegde en er verder geen andere strafbare feiten op de tenlastelegging zijn vermeld of bewezen verklaard die binnen genoemde proeftijd zijn gepleegd, de eerste voorwaarde niet is ingetreden. Wat de tweede voorwaarde betreft is ter terechtzitting aannemelijk geworden dat verdachte zich in verbinding heeft gesteld met de reclassering teneinde een behandeling te ondergaan bij De Waag, maar dat deze behandeling geen doorgang heeft kunnen vinden, omdat verdachte terzake feit 1 is aangehouden, in verzekering is gesteld en in voorlopige hechtenis is genomen.

Dit betekent dat, nu geen van beide voorwaarden is overtreden, de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging van het onder feit 4 tenlastegelegde.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

hij in de periode van 1 april 2005 tot en met 14 april 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen twee salarisspecificaties - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders telkens valselijk op voornoemde salarisspecificaties aangegeven dat [betrokkene]:

- werknemer was van [uitzendbureau] Uitzendbureau, gevestigd te [adres] en

- salaris had ontvangen van [Uitzendbureau] Uitzendbureau, gevestigd te [adres],

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte voorlichtingsrapport van 20 juni 2006 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft tezamen met anderen in de periode van 1 tot en met 14 april 2005 twee salarisspecificaties valselijk opgemaakt. Verdachte heeft tot twee keer toe salarisspecificaties op naam van [betrokkene] opgesteld, als ware die [betrokkene] in dienst bij [Uitzendbureau] Uitzendbureau te Amsterdam. Deze valse salarisspecificaties dienden ertoe te leiden dat een bank aan die [betrokkene] een groot bedrag zou lenen. Naar getuige [betrokkene] bij de politie heeft verklaard was het de bedoeling dat verdachte het maximaal mogelijke bedrag als lening zou ontvangen.

Uit de bij verdachte afgeluisterde telefoongesprekken komt naar voren dat dit een bedrag van Euro 40.000 zou moeten zijn.

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting erkend dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de salarisspecificaties. Hoewel verdachte zijn aandeel in dit strafrechtelijk handelen heeft getracht te bagatelliseren door er op te wijzen dat niet hij, maar [betrokkene] het initiatief hiertoe heeft genomen, neemt de rechtbank op grond van hetgeen uit het dossier blijkt, met name de getuigenverklaring van [betrokkene] en de tapgesprekken, aan dat verdachte de initiërende rol in dit handelen heeft gehad.

Door het valselijk opmaken van die specificaties heeft verdachte het vertrouwen dat in het economische verkeer moet kunnen worden gesteld aan de juistheid van dergelijke specificaties ernstig geschaad.

De rechtbank acht valsheid in geschrifte een ernstig strafbaar feit, waarop in beginsel moet worden gereageerd met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft – mede gezien het pleidooi van de raadsman daartoe - overwogen om de vrijheidsstraf gedeeltelijk in voorwaardelijk vorm op te leggen, met daaraan verbonden de voorwaarde dat verdachte contact met de reclassering dient te onderhouden, ook als dat inhoudt dat verdachte zich onder behandeling dient te stellen bij de Waag. De rechtbank ziet daar echter geen aanleiding toe nu verdachte - ook ter terechtzitting - heeft aangegeven zich vrijwillig bij de Waag onder behandeling te zullen stellen. Daarnaast komt dat in het kader van de voorwaardelijke seponering ( onder feit 4 ten laste gelegd) aan verdachte de voorwaarde tot behandeling al is gesteld.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2 Vordering benadeelde partij [betrokkene]

De benadeelde partij [betrokkene] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 60.000 ingediend tegen verdachte wegens immateriële en materiële schade die zij als gevolg van onder feit 3 tenlastegelegde zou hebben geleden.

De benadeelde partij zal niet in haar vordering worden ontvangen aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder feit 3 tenlastegelegde.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht: 47, 225

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging ten aanzien van feit 4 zoals hierboven onder 4.1.1 vermeld.

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (zegge: twee) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene] niet-ontvankelijk in de vordering.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Zutphen, voorzitter,

mrs. Van Dijk en Van Acker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Dijkstra en Ket,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 juli 2006.