Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY5331

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
31-07-2006
Zaaknummer
284984 / CV EXPL 05-5223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Werknemer vordert van zijn werkgever betaling van zijn salaris over de periode 21 maart 2005 tot 2 augustus 2005 omdat hij meent over deze periode volledig arbeidsongeschikt te zijn. De werkgever gaat, gezien de second opinions van het UWV, er van uit dat de werknemer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en in staat is om passende werkzaamheden te verrichten. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer een deugdelijke grond had om de aangeboden, passende arbeid niet te verrichten nu de uitkomst van de second opinions niet in overeenstemming is met andere medische stukken en het feit dat de werkgever haar werknemer zelf naar huis heeft gestuurd omdat hij niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten. De vordering wordt derhalve toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Zaandam

zaak/rolnr.: 284984 / CV EXPL 05-5223

datum uitspraak: 12 januari 2006

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr E. Versloot (FNV Bouw),

tegen

de besloten vennootschap VITERZO B.V.,

gevestigd te Marken,

gedaagde,

gemachtigde: mr H. de Groen.

De verdere loop van het geding

Ter uitvoering van het tussenvonnis van 27 oktober 2005 heeft een mondelinge behandeling (na antwoord) plaatsgevonden op 13 december 2005. Het vonnis is bepaald op heden.

Beoordeling van het geschil

Tussen partijen staat vast dat eiser op 3 maart 1986 bij gedaagde in dienst is getreden. Zijn functie is schilder en zijn huidige salaris is € 2480,00 per maand, exclusief vakantierechten en overige emolumenten. Op 10 mei 2004 is eiser ziek geworden. Vanaf die datum heeft eiser zijn eigen werkzaamheden niet meer volledig kunnen uitvoeren. Eiser meent volledig arbeidsongeschikt te zijn, gedaagde gaat er van uit dat eiser gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en in staat is om passend werk te verrichten. Gedaagde heeft de loonbetaling aan eiser gestaakt vanaf 21 maart 2005 tot 2 augustus 2005, omdat eiser de hem aangeboden werkzaamheden niet heeft verricht. Eiser is het hier niet mee eens.

Eiser vordert tegen de achtergrond van deze feiten, samengevat, dat gedaagde bij vonnis zal worden veroordeeld om aan hem te betalen het salaris ad € 2480,00 bruto per maand vanaf 21 maart 2005 tot 2 augustus 2005, vakantierechten en € 600,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en kosten, een en ander zoals nader gespecificeerd in de dagvaarding.

Gedaagde heeft de vordering bestreden en geconcludeerd tot afwijzing. Voorzover nodig zal de kantonrechter hierna op de afzonderlijke verweren van gedaagde ingaan.

De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van eiser kan worden toegewezen.

Dit oordeel berust op de volgende gronden.

Gedaagde heeft onder meer aangevoerd dat eiser geschikt was om aangepast werk te ver-richten. Door geen gevolg te geven aan de door de arbeidsdeskundige gegeven redelijke voorschriften en door niet zijn medewerking te verlenen en in het bijzonder door structureel te weigeren passende arbeid te verrichten heeft eiser volgens gedaagde geen recht op loon over hiervoor vermelde periode. Eiser heeft de stellingen van gedaagde gemotiveerd bestreden door er onder meer op te wijzen dat hij niet tot werken in staat is. Hij is volledig beperkt aan zijn rechterarm en heeft op 23 augustus 2005 een operatie aan zijn rechterknie gehad.

De kantonrechter constateert dat eiser tijdens arbeidsongeschiktheid kennelijk tot 21 maart 2005 salaris heeft ontvangen en vervolgens weer na 2 augustus 2005. De vraag is wat in de tussenliggende periode van een kleine vier en een halve maand de reden is geweest dat loon e.d. niet is betaald, dit in tegenstelling tot de periode er voor en de periode er na. Gedaagde heeft zich – en niet geheel zonder reden – beroepen op second opinions van het UWV. Deze deskundigenoordelen d.d. 5 november 2004 en 2 juni 2005 geven aan dat eiser geschikt zou zijn om het aangeboden aangepaste schilderwerk in de werkplaats uit te voeren, het aangebo-den werk zou passend zijn. Wat er ook zij van deze second opinions en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen, de uitkomst daarvan is niet in overeenstemming met andere medi-sche stukken die in het geding zijn gebracht en evenmin in overeenstemming met het feit dat gedaagde eiser zelfs op 6 juni 2005 nog naar huis heeft gestuurd omdat hij niet in staat was werkzaamheden te verrichten. Het feit dat eiser in juli 2005 zijn rechter arm moest spalken in verband met een tennisarm en in augustus 2005 aan zijn knie moest worden geopereerd geeft al aan dat bij de laatste second opinion de nodige vraagtekens kunnen worden gezet. Deze gebreken zijn immers, zo blijkt uit de stukken, niet van de ene op de andere dag ontstaan en moeten eiser al lang parten hebben gespeeld. Van achteraf-kennis kan dan ook geen sprake zijn.

Waar verder gebleken is dat eiser gedurende de gehele periode en al lang daarvoor gecon-fronteerd wordt met een chronisch pijnsyndroom, blijkbaar nog verergerd door spanningen op het werk, kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat de second opinions en de daarmee in grote lijn overeenkomende standpunten van de bedrijfsarts voldoende inzicht hebben kunnen geven in de situatie waarin eiser verkeerde, nog daargelaten dat de laatste second opinion op 22 maart 2005 was aangevraagd en op 2 juni 2005 is gegeven, zodat partijen lange tijd in onzekerheid verkeerden over de uitkomst van deze wettelijk voorgeschreven procedure.

De kantonrechter komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat eiser een deugdelijke grond had om de hem aangeboden aangepaste, passende arbeid niét te verrichten. Hij behoudt dan ook recht op zijn loon e.d. gedurende de in het geding zijnde periode. De vordering van eiser is in zoverre gegrond. De gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen, gezien het vóór dit geding tussen partijen gevoerde debat, niet worden aangemerkt als kosten die als gedingkosten plegen te worden beschouwd en zijn als redelijke kosten eveneens toewijsbaar. De wettelijke verhoging is niet verschuldigd, omdat gedaagde niet zonder meer kan worden toegerekend dat het salaris van eiser te laat wordt betaald.

Zij heeft redelijkerwijs mogen vertrouwen op de rapporten van het UWV en de bedrijfsarts. Pas nu is zeker dat alsnog loon verschuldigd is.

Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het salaris ad € 2480,00 bruto per maand vanaf 21 maart 2005 tot 2 augustus 2005 en voorts te betalen de afdracht van de vakantierechten over het achterstallige salaris aan het A & O Fonds en een bedrag van € 600,00 (exclusief BTW) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser gevallen en tot op heden begroot op het volgende:

- exploitkosten € 85,60,

- vast recht € 103,00,

- salaris van de gemachtigde € 500,00.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr A.E. Patijn, kantonrechter, en ter openbare terechtzitting van

12 januari 2006 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.