Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY5122

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
AWB 05-3511
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandig schadebesluit;1:3 Awb. Veroordeling tot schadevergoeding op basis van redelijkheid en billijkheid; 6:97 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 05 - 3511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2006

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2004 heeft verweerder eisers verzoek van 23 juli 2004 hem ter zake van gederfde inkomsten in de periode van 1990 tot en met 1999 een schadevergoeding van € 81.000,= te betalen, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 januari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 juli 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, alwaar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr J. Koedooder.

De behandeling ter zitting is geschorst, omdat verweerder het dossier van Marktstad zou trachten te achterhalen, om de kansen voor eiser om voldoende inkomen te genereren uit zijn snackwagen nader te bezien. Verweerder heeft bericht dat deze stukken niet meer konden worden geproduceerd. In dat verband heeft verweerder aangegeven dat geen bereidheid bestond tot overleg over het toekennen van een schadevergoeding.

Vervolgens heeft eiser, ter nadere onderbouwing van zijn verzoek om schadevergoeding, een drietal rapporten ingediend.

Het onderzoek is vervolgens, nadat partijen toestemming hadden gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, met toepassing van artikel 8:64, lid 5, Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Op 11 december 1991 heeft eiser verweerder verzocht hem een vergunning te verlenen voor een standplaats met een snackwagen aan [adres]. Op 15 januari 1992 is de vergunning geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser rechtsmiddelen aangewend. In totaal is eiser bij drie uitspraken van deze rechtbank en een uitspraak van de Raad van State in het gelijk gesteld.

2.2 In de laatste uitspraak van de fungerend president van deze rechtbank van 10 april 1997, waarbij onmiddellijk uitspraak is gedaan in de hoofdzaak, is onder meer overwogen:

"Bij de afweging van de belangen waartoe het gebruik maken van de in artikel 151 APV neergelegde bevoegdheid noopt, zullen verweerders naar het oordeel van de president in redelijkheid niet anders kunnen besluiten dan eiser de gevraagde vergunning te verlenen. Hierbij neemt de president in aanmerking dat de aanvraag van verzoeker reeds in 1991 is gedaan en dat alle beslissingen die verweerders hebben genomen -dat zijn er vier geweest- door de rechter zijn vernietigd. In het licht van deze omstandigheden zullen verweerders zich verplicht moeten zien aan de belangen van eiser doorslaggevende betekenis toe te kennen".

2.3 Bij brief van verweerder van 19 september 1997 heeft verweerder meegedeeld voornemens te zijn aan eiser een standplaatsvergunning te verlenen.

Bij brief van verweerder van 9 maart 1999 heeft eiser de standplaatsvergunning ontvangen.

2.4 Een beslissing omtrent een verzoek om vergoeding van schade, geleden als gevolg van een (beweerdelijk) onrechtmatig besluit, is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Daarbij dient, gezien de relevante jurisprudentie, voldaan te zijn aan het vereiste van processuele connexiteit, hetgeen inhoudt dat ook het beweerdelijke schadeveroorzakende besluit vatbaar moet zijn voor beroep bij de bestuursrechter.

2.5 Ingevolge artikel 6:97 van het Burgerlijk wetboek (BW) begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.

2.6 In beroep is gesteld dat de schade is geleden als gevolg van alle opeenvolgende besluiten ter zake van eisers oorspronkelijke aanvraag om een standplaatsvergunning. Vast staat dat de besluiten die verweerder in deze procedure heeft genomen, alle, laatstelijk bij uitspraak van 10 april 1997, zijn vernietigd. Daarmee is de onrechtmatigheid van de besluiten en in beginsel de aanspraak op schadevergoeding gegeven. De stelling van verweerder in het bestreden besluit dat hij in 1992 een rechtmatig (afwijzend) besluit had kunnen nemen, wijst de rechtbank van de hand. Daartoe wordt overwogen dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser van meet af aan op de hoogte is geweest van de voorwaarde dat de snackwagen 's nachts moest worden weggehaald.

2.7 Eiser vordert vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het besluit van verweerder van 15 januari 1992. Hij stelt dat hij een inkomen als zelfstandige had kunnen verwerven dat € 750,= netto per maand boven het bijstandsniveau zou liggen. Op jaarbasis komt dit neer op een bedrag van minimaal € 9.000,= . Over negen jaar gaat het om een bedrag van € 81.000,= . Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven genoegen te nemen met een symbolisch bedrag van bijvoorbeeld € 10.000,=. Eiser is vervolgens in de gelegenheid gesteld de omvang van het schadebedrag aannemelijk te maken.

2.8 Ter onderbouwing van de omvang van de schade heeft eiser een drietal rapporten van het bedrijfschap voor Horeca en Catering ingediend. De daarin vervatte gegevens bieden onvoldoende houvast om de omvang van de daadwerkelijk door eiser geleden schade vast te stellen. De rapporten hebben immers betrekking op de omzetgegevens voor snackbars en cafetaria's en niet op snackwagens.

2.9 Dit neemt niet weg dat de rechtbank aannemelijk acht dat eiser, gezien de lange periode waarin eiser gebruik had kunnen maken van zijn standplaatsvergunning, ware deze hem reeds in 1992 verleend, een zekere inkomensschade heeft geleden als gevolg van het besluit van 15 januari 1992.

Bij gebreke aan toereikende gegevens stelt de rechtbank de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade naar redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,= . Bij deze vaststelling weegt de rechtbank mee de uitzonderlijk lange duur van het geschil. Tevens sluit de rechtbank aan bij hetgeen eiser ter zitting als redelijk bedrag heeft genoemd.

2.10 Op grond van het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid niet kunnen beslissen dat eiser geen schade heeft geleden en daardoor niet in aanmerking komt voor schadevergoeding. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

2.11 Aan eiser dient de wettelijke rente over voornoemd bedrag te worden vergoed met ingang van 15 januari 1992 tot het besluit tot verlening van de standplaatsvergunning, zijnde 9 maart 1999.

2.12 Gegeven het vorenstaande zal het beroep gegrond worden verklaard.

2.13 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit 6 juni 2005;

3.3 veroordeelt de gemeente Haarlem om aan eiser te betalen een bedrag van ? 10.000,= vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 1992 tot 9 maart 1999;

3.4 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 644,= te betalen door de gemeente Haarlem;

3.5 gelast dat de gemeente Haarlem het door eiser betaalde griffiegeld van € 138,= aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, rechter, en op 20 juli 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.