Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY4421

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
123224/HA ZA 06-493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in een incident ex art. 118 Rv (gedwongen tussenkomst). Uit de wetsgeschiedenis van art. 12a Rv oud, thans art. 118 Rv, volgt dat het bij noodzakelijke cumulatie, zoals door S. gevorderd, dient te gaan om een zaak waarin meerdere partijen belangen hebben, waarover alleen maar tezamen kan worden beslist. Daarvan is in het onderhavige geschil echter geen sprake, nu voor een beoordeling van de door de Manege ingestelde vorderingen, het betrekken van de Houthandel in de onderhavige procedure niet noodzakelijk is. Het zonder noodzaak laten tussenkomen van een derde partij, zou een onaanvaardbare inbreuk betekenen op het beginsel dat partijen de aard en omvang van de rechtsstrijd bepalen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 118
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2006/72 met annotatie van M.O.J. de Folter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 123224 / HA ZA 06-493

Vonnis in incident van 19 juli 2006

in de zaak van

de vennootschap onder firma

MANEGE "TWISKE" V.O.F.,

gevestigd te Den Ilp, gemeente Landsmeer,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur eerst mr. G. de Hoogd,

thans mr. M. Middeldorp,

tegen

Mr. J.P. S.,

kantoorhoudende te Purmerend,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur mr. H.K. Garvelink.

Partijen zullen hierna Manege "Twiske" V.O.F. en S. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. S. vordert, op de in zijn incidentele conclusie vermelde gronden waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd, dat de rechtbank de Manege beveelt binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de vennootschap onder firma Ilper Houthandel V.O.F. en tevens zijn vennoten J.P. H. en B. van S. (hierna: de Houthandel) in de onderhavige procedure op te roepen op de voet van artikel 118 Rv, om vervolgens hun in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de tussen de Houthandel enerzijds en de Manege anderzijds bestaande rechtsbetrekking aangaande de erfdienstbaarheid van weg, danwel aangaande het bestaan van een recht op noodweg.

Indien de Manege niet binnen de gestelde termijn tot oproeping overgaat, vraagt S. de rechtbank verlof om zelf de Houthandel in de onderhavige procedure op te roepen op de voet van art. 118 Rv, met hetzelfde doel.

Aangezien de manege op voorhand verzuimd heeft de Houthandel in het geding te roepen hoewel zij hiertoe gehouden moet worden geacht, verzoekt S. de rechtbank voorts, uitvoerbaar bij voorraad, de Manege te veroordelen in de kosten van het incident.

2.2. De Manege concludeert primair tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van S. in de kosten van het incident dan wel subsidiair dat de rechtbank S. beveelt binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de Houthandel in deze procedure op te roepen teneinde stelling in te nemen aangaande de status/omvang van de erfdienstbaarheid ten behoeve van de Manege thans perceel M 703 (heersend erf) en ten laste van thans de percelen thans M 1521, M 1520 en M 1497 (dienend erf de Houthandel) te Den Ilp, gemeente Landsmeer, met veroordeling van S. in de kosten van het incident.

2.3. De Manege voert daartoe onder meer aan dat zij door opvolgende fouten van de notaris in haar huidige situatie is beland en dat zij haar schade op de notaris wenst te verhalen. De Manege stelt dat teneinde de omvang van die aansprakelijkheid vast te stellen beoordeling van de status van de erfdienstbaarheid in kwestie noodzakelijk is. De Manege stelt dat deze beoordeling evenwel kan plaatsvinden zonder dat de Houthandel in de procedure wordt betrokken.

2.4. Uit de wetsgeschiedenis van art. 12a Rv oud, thans art. 118 Rv, volgt dat het bij noodzakelijke cumulatie, zoals door S. gevorderd, dient te gaan om een zaak waarin meerdere partijen belangen hebben, waarover alleen maar tezamen kan worden beslist. Daarvan is in het onderhavige geschil echter geen sprake, nu voor een beoordeling van de door de Manege ingestelde vorderingen, het betrekken van de Houthandel in de onderhavige procedure niet noodzakelijk is. Het zonder noodzaak laten tussenkomen van een derde partij, zou een onaanvaardbare inbreuk betekenen op het beginsel dat partijen de aard en omvang van de rechtsstrijd bepalen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verweer van de Manege slaagt en de incidentele vordering op grond van vorenstaande dient te worden afgewezen.

2.5. S.l zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst de vordering af,

3.2. veroordeelt S.l in de kosten van het incident tot op heden begroot aan de zijde van de Manege op € 452,-,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 augustus 2006 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2006.?