Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2006:AY3528

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
10-07-2006
Zaaknummer
115065/ HA ZA 05-1009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stellen zich terecht op het standpunt dat zij sinds 1 januari 1993 op de voet van artikel 3:105 lid 1 BW juncto 3:306 BW en artikel 73 Overgangswet eigenaar zijn van de in geschil zijnde strook grond. Waar gedaagde betoogt dat de vordering van eisers op haar beurt zou zijn verjaard op grond van artikel 3:306 BW, gaat zij uit van een verkeerde rechtsopvatting. Eenmaal door bevrijdende verjaring verkregen eigendom vervalt niet door het enkele feit dat degene die de eigendom door verjaring heeft verkregen, hoewel hij het goed in zijn bezit houdt, geen rechtsvordering instelt waarin wordt vastgesteld dat hij daadwerkelijk door verjaring eigenaar is geworden. Dat gedaagde, nadat eiser door bevrijdende verjaring de eigendom van de strook grond hadden verkregen, de strook grond in oktober 2005 in bezit hebben genomen, brengt hierin geen verandering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 111850 / HA ZA 05-528

Vonnis van 26 april 2006

in de zaak van

1. R. L.,

wonende te [woonplaats],

2. M.L. J.,

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. M. van Olden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZAANSE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Zaandam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. S.I. van der Staal,

advocaat mr. J.A. Oudendijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna L. c.s. en ZOM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2005, en de daarin genoemde processtukken,

- het proces-verbaal van comparitie van 6 oktober 2005,

- de akte van L. c.s. met 4 producties,

- de antwoordakte van ZOM.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. L. c.s. zijn eigenaar van het rijksmonument aan de [straatnaam] te [woonplaats] (verder: het woonhuis). Naast het woonhuis staat het zogenaamde kaaspakhuis waarin ZOM appartementen heeft laten bouwen (verder: het kaaspakhuis).

2.2. In de tuin van L. c.s. lopend tot aan de achtergevel van het kaaspakhuis stond een betonnen schutting, die fungeerde als erfafscheiding tussen het kaaspakhuis en het woonhuis. Op 20 oktober 2005 heeft ZOM deze schutting afgebroken.

2.3. Tussen het woonhuis en het kaaspakhuis loopt een steeg die niet vanaf de straat bereikbaar is (verder: de steeg). Onder de steeg ligt een gedeelte van de fundering van het woonhuis en de oude riolering. Door de locatie van de betonnen schutting was de steeg tot 20 oktober 2005 alleen te bereiken vanuit de tuin van L. c.s.

2.4. In de steeg hadden L. c.s. een steiger neergezet, welke is verwijderd door of namens ZOM.

2.5. Op 4 februari 2003 heeft het Kadaster een kadastrale meting verricht. Volgens de kadastrale meting loopt de erfafscheiding niet langs de lijn waar tot 20 oktober 2005 de betonnen schutting stond, maar 40 centimeter daarvandaan, in de tuin van L. c.s.

3. Het geschil

in conventie

3.1. L. c.s. vorderen -zakelijk weergegeven- voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- een verklaring voor recht dat de voormalige betonnen schutting de erfgrens vormt, althans vormde, tussen het woonhuis en het kaaspakhuis,

- ZOM te gebieden binnen 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan het oprichten van een scheidsmuur, althans schutting, op de erfgrens ex artikel 5:49 BW op kosten van ZOM, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 2.000,- voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan dit rechtelijk gebod te voldoen met een maximum van EUR 50.000,-,

- ZOM te veroordelen tot betaling aan eisers binnen 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis van EUR 1.925,-

- ZOM te gebieden het cement in de steeg tussen het woonhuis en het kaaspakhuis binnen 14 dagen na het ten dezen te wijzen vonnis te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van EUR 2.000,- voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan dit rechtelijk gebod te voldoen met een maximum van EUR 50.000,-

- Gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. ZOM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. ZOM vordert, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad dat de rechtbank op grond van de bevindingen van het kadaster d.d. 17 juli 2003 in rechte de kadastrale grens tussen de percelen vaststelt en voorts dat de rechtbank L. c.s. gelast de in hun bezit en gebruik zijnde schuur voor zover die zich bevindt op het grondgebied van ZOM, en haar eventuele rechtsopvolgers, te verwijderen en verwijderd te houden en wel binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis één en ander op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- voor elke dag dat L. c.s. hiermee in gebreke zijn, met een maximum van EUR 100.000,-, en met veroordeling van L. c.s. in de kosten van dit geding.

3.4. L. c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze tezamen worden behandeld.

in conventie en in reconventie

Ten aanzien van de erfgrens

4.2. L. c.s. vorderen een verklaring voor recht dat de voormalige betonnen schutting de erfgrens vormt, althans vormde tussen het woonhuis en het kaaspakhuis. Zij leggen hieraan ten grondslag dat de betonnen schutting vanaf 1934 de erfafscheiding heeft gevormd tussen de twee percelen en dat L. c.s. derhalve door verjaring sedert 1 januari 1993 eigenaar zijn geworden van de strook grond tussen de plaats waar de betonnen schutting stond en waar de erfgrens loopt volgens de kadastrale uitmeting (verder: de strook grond), aangezien L. c.s. daarvan steeds het zichtbaar en voortdurend bezit hebben gehad.

4.3. ZOM heeft aangevoerd dat L. c.s. geen belang hebben bij deze vordering, nu zij geen gevolgen verbinden aan de vaststelling van de erfgrens, zoals bijvoorbeeld het verkrijgen van de eigendom van de strook grond. Bovendien acht zij deze vordering onvoldoende bepaalbaar, nu L. c.s. naar de mening van ZOM erg vaag blijven in de feitelijke omschrijving van de strook grond die in geschil is.

4.4. Dit verweer wordt verworpen. De erfgrens kan slechts worden vastgesteld met inachtneming van de huidige situatie met betrekking tot de eigendom, zodat L. c.s. belang hebben bij de door hen ingestelde vordering. Hiermee komt immers vast te staan of zij de strook grond al dan niet in eigendom hebben. Met betrekking tot de bepaalbaarheid van de vordering overweegt de rechtbank dat L. c.s. gesteld hebben dat de betonnen schutting de erfgrens vormt en niet de erfgrens zoals uitgemeten door het Kadaster. L. c.s. hebben diverse foto’s en tekeningen overgelegd waar de (voormalige) positie van de betonnen schutting uit blijkt. Uit de door ZOM overgelegde kadastrale uitmeting blijkt dat de erfgrens 40 centimeter meer in de tuin van L. c.s. ligt, dan waar de betonnen schutting heeft gestaan. Aldus is voldoende bepaalbaar dat het L. c.s. gaat om de strook grond in de steeg en de grond in hun tuin, langs de voormalige betonnen schutting, voor zover deze niet reeds volgens de kadastrale tekening van hen is.

4.5. Verder stelt ZOM zich op het standpunt dat de kadastrale uitmeting van 17 juli 2003 de erfgrens heeft bepaald. Deze is vastgesteld vanaf de zijgevel van het woonhuis, in een rechte lijn, zijnde 40 centimeter meer naar de tuin van L. c.s. toe dan waar de betonnen schutting heeft gestaan. Volgens de kadastrale uitmeting behoort de steeg ZOM toe.

4.6. Aangezien het kadaster slechts inzicht geeft in de eigendomstoestand zoals die bij hen bekend is, kan een stuk perceel bijvoorbeeld door verjaring aan een ander toebehoren dan kan worden afgeleid uit het kadaster. Dit betekent dat ongeacht de erfgrens zoals die is vastgesteld door het Kadaster op 17 juli 2003, de eigendom van de onderhavige strook grond kan toekomen aan L. c.s. Derhalve zal de rechtbank eerst het beroep dat L. c.s. hebben gedaan op verjaring bespreken.

4.7. Of sprake is van verjaring moet, nu de verjaringstermijn vóór 1 januari 1992 is gaan lopen en deze in het overgangsjaar blijkbaar niet is gestuit, worden beoordeeld naar de sinds 1 januari 1992 geldende bepalingen (art. 73 Overgangswet NBW).

4.8. Voor zover L. c.s. hebben bedoeld zich te beroepen op verkrijgende verjaring overweegt de rechtbank het volgende. Met ZOM is de rechtbank van oordeel dat L. c.s. door raadpleging van de openbare registers ervan op de hoogte hadden kunnen zijn dat de strook grond aanvankelijk in eigendom aan de eigenaar van het kaaspakhuis toebehoorde, zodat zij te dien aanzien niet te goeder trouw kunnen zijn. Het door L. c.s. gedane beroep op verjaring op grond van bezit te goeder trouw (art. 3:99 lid 1 BW) gaat derhalve niet op.

4.9. Voor zover L. c.s. heeft bedoeld zich te beroepen op bevrijdende verjaring, als bedoeld in art. 3:105 BW e.v. juncto 3:306 BW, overweegt de rechtbank als volgt.

4.10. Om te kunnen spreken van een inbezitneming door (de rechtsvoorganger van) L. c.s. is volgens art. 3:113 BW niet voldoende dat “enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen” hebben plaatsgehad. Vereist is dat de feiten en omstandigheden ondubbelzinnig wijzen op de pretentie van eigendom van L. c.s. Onweersproken is dat de rechtsvoorganger van L. c.s. de strook grond in de loop van 1934 bij zijn tuin heeft getrokken en heeft omheind met een betonnen schutting. Feitelijk is de strook grond daarmee een geheel met de tuin van (de rechtsvoorgangers van) L. c.s. gaan vormen en was deze niet meer vanaf de openbare weg of enig ander perceel dan het woonhuis bereikbaar.

Dat de rechtsvoorgangers van ZOM zich niet om de strook grond hebben bekommerd blijkt uit de verklaring van J. Bouwes (productie 1 bij de dagvaarding). Hij heeft op dat punt verklaard dat hij 75 jaar oud is en dat de erfafscheiding zo lang als hij leeft niet is veranderd. Verder verklaart hij dat niemand van de “buren”, zijnde de eigenaars van het kaaspakhuis, ooit heeft geklaagd over de exacte erfafscheiding en dat zijn vader nooit heeft geweten dat de erfgrens wellicht ergens anders lag. C. Snijders en M. Snijders verklaren dat zij van april 1970 tot augustus 1989 het woonhuis hebben bewoond en dat gedurende die periode geen wijziging is gebracht in de erfafscheiding met het kaaspakhuis. Zij hebben er nooit aan getwijfeld dat de betonnen schutting altijd de erfafscheiding vormde tussen hun tuin en het perceel van het kaaspakhuis en zij hebben altijd in de vooronderstelling verkeerd dat de steeg tot het perceel van het woonhuis behoorde. Tot slot geven zij aan dat de voormalig eigenaar van het kaaspakhuis nimmer aanspraak heeft gemaakt op een deel van hun grond en dat de voormalig eigenaar van het kaaspakhuis nooit in de steeg is geweest. De juistheid van deze verklaringen is door ZOM niet betwist.

4.11. Op grond van deze omstandigheden moet worden aangenomen dat L. c.s., althans hun rechtsvoorgangers, het omstreden perceelsgedeelte vanaf de bouw van de betonnen schutting in 1934 tot aan de sloop van de betonnen schutting door ZOM, structureel en duurzaam in gebruik hebben gehad en dat zij zich naar buiten toe niet anders dan als eigenaar hebben gedragen. ZOM heeft ter comparitie betoogd dat L. c.s. tezamen met ZOM het bezit hebben gehad. Echter nu de verjaringstermijn van 20 jaar is gaan lopen in 1934 en ZOM formeel pas de eigendom van het kaaspakhuis heeft gekregen in 2003, kan dit niet van invloed zijn op de eerder afgeronde verjaringstermijn. Van een rechtsgeldige stuiting binnen de verjaringstermijn is niet gebleken. ZOM heeft geen omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan dat L. c.s. zich steeds naar buiten toe steeds als eigenaar heeft gedragen. Voor een bewijsopdracht is daarom geen plaats.

4.12. Het voorgaande betekent dat L. c.s. zich terecht op het standpunt stellen dat zij sinds 1 januari 1993 op de voet van artikel 3:105 lid 1 BW juncto 3:306 BW en artikel 73 Overgangswet eigenaar zijn van de in geschil zijnde strook grond. Waar ZOM betoogt dat de vordering van L. c.s. op haar beurt zou zijn verjaard op grond van artikel 3:306 BW, gaat zij uit van een verkeerde rechtsopvatting. Eenmaal door bevrijdende verjaring verkregen eigendom vervalt niet door het enkele feit dat degene die de eigendom door verjaring heeft verkregen, hoewel hij het goed in zijn bezit houdt, geen rechtsvordering instelt waarin wordt vastgesteld dat hij daadwerkelijk door verjaring eigenaar is geworden. Dat ZOM, nadat L. c.s. door bevrijdende verjaring de eigendom van de strook grond hadden verkregen, de strook grond in oktober 2005 in bezit hebben genomen, brengt hierin geen verandering.

4.13. De discussie die zich tussen partijen heeft afgespeeld over de deugdelijkheid van de uitmeting door het Kadaster en de vraag of L. c.s. waren ingelicht is niet terzake doende, gezien het feit dat de eigendom van de strook grond via verjaring is overgegaan op L. c.s. en de Kadastrale uitmeting daar niets aan afdoet.

4.14. De verklaring voor recht, zoals gevorderd door L. c.s. ligt gelet op het voorgaande voor toewijzing gereed.

4.15. Het voorgaande leidt voorts tot de conclusie dat de vordering in reconventie dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van de scheidsmuur

4.16. Aan de vordering strekkende tot het verrichten van medewerking aan het oprichten van een scheidsmuur leggen L. c.s. ten grondslag dat ZOM de betonnen schutting zonder overleg heeft gesloopt, terwijl de schutting L. c.s. in eigendom toebehoorde.

4.17. ZOM heeft niet betwist dat zij de schutting heeft afgebroken. Wel heeft zij aangevoerd dat de schutting naar de mening van ZOM op haar terrein scheef stond en een gevaarlijke situatie veroorzaakte. Dit wordt echter nergens onderbouwd en hieraan wordt geen conclusie verbonden, zodat de rechtbank aan deze opmerking voorbij zal gaan. Aangezien ZOM heeft nagelaten op dit punt verder inhoudelijk verweer te voeren, ligt de vordering ten aanzien van de scheidsmuur voor toewijzing gereed. De rechtbank zal van haar discretionaire bevoegdheid gebruik maken om de dwangsom, anders dan gevorderd door L. c.s., vast te stellen op een bedrag van EUR 200,- per dag met een maximum van EUR 10.000,-.

Ten aanzien van de steiger en de schuur

4.18. Aan de vordering strekkende tot betaling van een bedrag van EUR 1.925,-, leggen L. c.s. ten grondslag dat ZOM een onrechtmatige daad heeft gepleegd door de steiger in de steeg wederrechtelijk weg te nemen en dat zij schade hebben geleden nu door de sloop van de schutting door ZOM een deel van de fundering van de schuur bloot is komen te liggen.

4.19. ZOM voert hiertegen aan dat zij de steiger in overleg met L. c.s. heeft afgebroken en heeft opgeslagen bij het kaaspakhuis. Indien er schade aan de steiger is ontstaan, is dat volgens ZOM te wijten aan L. c.s., aangezien zij geen maatregelen hebben genomen om hun schade te beperken.

4.20. Ter comparitie hebben L. c.s. betoogd dat er inderdaad overleg is geweest met de uitvoerder van ZOM, maar dat de afspraak was dat ZOM ofwel de steiger van L. c.s. zou gebruiken, ofwel de steiger van L. c.s. af zou breken en haar eigen steiger in de steeg zou plaatsen. Als de werkzaamheden van ZOM afgerond waren zou, óf de steiger van L. c.s. terug geplaatst worden, óf zouden L. c.s. van de steiger van ZOM gebruik mogen maken voor werkzaamheden aan het dak van het woonhuis. Hierop heeft ZOM niet gereageerd.

4.21. Vast staat dat de steiger L. c.s. in eigendom toebehoort. Nu ZOM hetgeen L. c.s. ter comparitie hebben betoogd niet heeft betwist, neemt rechtbank als vaststaand aan dat L. c.s. en ZOM de in 4.20 weergegeven een afspraak hebben gemaakt over het weghalen van de steiger door ZOM. Nu ZOM erkent dat zij de steiger niet heeft teruggeplaatst, noch heeft toegestaan dat L. c.s. gebruik maken van een steiger van ZOM, staat eveneens vast dat ZOM zich niet aan genoemde afspraak heeft gehouden. Dit handelen van ZOM levert niet alleen wanprestatie op, maar kan ook worden aangemerkt als een onrechtmatig handelen van ZOM jegens L. c.s., aangezien ZOM de steiger van L. c.s. thans zonder enige rechtsgrond onder zicht houdt. ZOM dient de schade die L. c.s. ten gevolge van dit handelen hebben geleden, te vergoeden.

4.22. L. c.s. vorderen EUR 925,- aan schadevergoeding, zijnde de aanschafwaarde van de steiger. ZOM betwist de hoogte van de gevorderde schade, aangezien de steiger volgens ZOM van een erbarmelijke kwaliteit was. Dit hebben L. c.s. niet betwist. Daarom zal de rechtbank de schade conform haar bevoegdheid zoals neergelegd in art. 6:97 BW, schattenderwijs vaststellen op EUR 500,-.

4.23. Voor zover ZOM met het beroep op de schadebeperkingplicht van L. c.s. heeft bedoeld dat L. c.s. zelf de steiger op hadden kunnen halen, treft dit verweer geen doel. ZOM kan niet aan L. c.s. tegenwerpen dat zij niet, zonder toestemming van ZOM, zich de toegang tot het terrein van ZOM hebben verschaft en de steiger van het terrein van ZOM hebben verwijderd.

4.24. Ten aanzien van de schuur heeft L. c.s. gesteld dat door het verwijderen van de betonnen schutting de fundering van de schuur bloot is komen te liggen, zodat deze opnieuw gelegd moet worden. Het had op de weg van L. c.s. gelegen feiten en omstandigheden te stellen ter onderbouwing van haar stelling dat zij schade lijden, zelfs wanneer een nieuwe scheidsmuur zou worden gebouwd. Dit hebben L. c.s. echter nagelaten, zodat L. c.s. ten aanzien van deze stelling niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Alleen al om die reden zal deze stelling als niet (voldoende) onderbouwd worden verworpen. De rechtbank wijst de vordering af.

Ten aanzien van het cement

4.25. L. c.s. hebben gesteld dat ZOM na het afronden van de werkzaamheden een dikke laag cement in de steeg hebben achtergelaten, die (regen)water tegenhoudt. Dit (regen)water tast volgens L. c.s. de muren en de fundering van het woonhuis aan, waardoor L. c.s. schade lijden. L. c.s. hebben evenwel nagelaten hun stellingen op dit punt, tegenover de gemotiveerde betwisting door ZOM te onderbouwen, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.26. ZOM zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.27. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van L. c.s. op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 85,60

- vast recht 244,00

- salaris procureur 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.289,60

4.28. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil.

4.29. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verklaart voor recht dat de voormalige betonnen schutting de erfgrens vormt tussen het woonhuis van L. c.s. en het kaaspakhuis van ZOM,

5.2. gebiedt ZOM binnen 14 dagen na dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het oprichten van een scheidsmuur op de erfgrens, op kosten van ZOM,

5.3. bepaalt dat ZOM voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 5.2. bepaalde, aan L. c.s. een dwangsom verbeurt van EUR 200,- per dag, tot een maximum van EUR 10.000,-,

5.4. veroordeelt ZOM om aan L. c.s. te betalen een bedrag van EUR 500,00 ( vijfhonderd euro),

5.5. veroordeelt ZOM in de proceskosten, aan de zijde van L. c.s. tot op heden begroot op EUR 1.289,60,

5.6. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8. wijst de vorderingen af,

5.9. veroordeelt ZOM in de proceskosten, aan de zijde van L. c.s. tot op heden begroot op nihil,

5.10. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.I. Rood en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2006.?